is schrijver van ‘autobiografische non-fictie’.
De ochtend nadat ik was geland, wilde ik het begin van mijn vakantie vieren met een kopje koffie op een terras in het hoefijzervormige winkelcentrum op sector B van de Urbanisatie. Mijn ouders vonden het best, die vinden alles altijd best. De zon brandde alsof hij dacht dat het nog zomer was en mijn lichaam, dat zich alweer op regen en duisternis ingesteld had, schrok zich wild.
Ik bestelde een paar cafés con leche bij een Vlaamse barvrouw, in een Engels café midden in Spanje. Europeser wordt het niet.
We dronken onze koffie in de zon. Ik klaagde waarschijnlijk nog wat over mijn miserabele vlucht en mijn moeder zei ongetwijfeld iets als ‘hè hè jongens, wat zitten we hier lekker’. We zaten inderdaad prima, maar we keken ook uit op een witgoedwinkel en een Chinees restaurant, dus erg pittoresk was het niet. Om ons heen zaten de Britten al aan het bier, of sterker. Ze waren in redelijke gezondheid oud geworden, dus die wedstrijd hadden ze al gewonnen. Verder restte hen niets anders dan de overwinning te vieren.
Vanuit de schaduw kwam een man op ons af. Het was een kennis van mijn ouders. Ik had hem weleens ontmoet bij een van de activiteiten van de Nederlandse Club. De man herinnerde zich mijn naam nog, dus dat nam me voor hem in. Hij vertelde dat hij zat te wachten op zijn vrouw, die werd opgevangen in een soort buurthuis. Daar werd ze een aantal keer per week een paar uur vermaakt, en gevoed, zodat hij even kon uitrusten.
‘Is dat duur?’, vroeg ik.
Ik ben namelijk ten eerste ongezond nieuwsgierig en ten tweede geobsedeerd door de prijs van dingen.
‘Gratis’, antwoordde de man. ‘Het is een Brits vrijwilligersinitiatief, maar ik doe jaarlijks een donatie.’
‘Potjandorie’, zei ik.
Iedereen die mij kent, weet dat ik dol ben op Britten. Tenminste, op het idee van Britten, want ik ken er eigenlijk geen één persoonlijk. Of nou ja, er komen er een paar in mijn stamcafé thuis, maar daar voel ik dan weer weinig bewondering voor.
Net als ikzelf zijn mijn ouders keurige mensen. Als er niemand anders meer op de wereld zou zijn dan mijn vader en moeder, zouden ze nog altijd oversteken bij een zebrapad. Er is altijd een denkbeeldige politieagent bij ons in de buurt. De meeste andere leden van de Nederlandse Club zijn ook keurig (voor zover ik dat kan waarnemen). En ze doen constant allemaal gezellige dingen. Ze zingen, wandelen, kaarten en jeu-de-boulen. En vooral zitten ze graag op terrasjes met z’n allen.
De Britten in de Urbanisatie, die flink in de meerderheid zijn, zuipen zich natuurlijk een slag in de rondte maar ze maken zich ook graag nuttig. Naast de eerdergenoemde opvang zijn er groepen die de natuur in de perken en bermen aanharken, honden en katten worden gered en er is elk weekend wel ergens een benefiet voor. Dat doen de niet-geëmigreerde gepensioneerde Britten waarschijnlijk thuis ook. Ik krijg tenminste die indruk als ik naar van die kneuterige BBC-series kijk.
Wanneer er een zombieapocalyps zou plaatsvinden – of een meer voor de hand liggend einde van de mensheid – en er als laatste twee even grote groepen Britse en Nederlandse senioren zouden overblijven, zouden de Britten al snel een goed functionerend maatschappijtje creëren. De Nederlanders gaan dan waarschijnlijk klaverjassend ten onder.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant