Na zijn moeder en broer publiceert ook Daan Heerma van Voss een boek over zijn „dwingende” vader. Het bevat de brieven die hij hem na zijn dood stuurde. „Vaders hebben een grote schaduw. Als kind weet je soms niet precies of je nog in zijn schaduw opereert.”
Daan Heerma van Voss.
„Ik wil het niet te veel hebben over mijn moeders boek”, zegt Daan Heerma van Voss (40) terwijl hij verveine-thee in twee kopjes schenkt. Zijn moeder, emeritus hoogleraar sociologie en vrouwenstudies Christien Brinkgreve, publiceerde in januari 2025 Beladen huis over haar complexe huwelijk met zijn vader, journalist Arend Jan Heerma van Voss.
En nu brengt hij, de zoon, ook een autobiografisch boek over hem uit, over zijn ziekte en dood, en over de rouw in het jaar dat volgde. En over hoe het was om op te groeien met deze ouders, in dit gezin. Het is een bundeling van de brieven die hij zijn overleden vader schreef, toen nog zonder de bedoeling ze ooit te publiceren. In zijn inleiding benadrukt hij dat deze brieven geen reactie vormen „op de geschriften van anderen”. Niet alleen zijn moeder, maar ook zijn jongere broer Thomas Heerma van Voss schreef erover, in romanvorm.
Natuurlijk is het onvermijdelijk dat zijn moeders boek ter sprake komt, voegt hij er meteen aan toe. „Ik hoop alleen dat je er niet de hoofdlijn van maakt. En nu”, hij steekt zijn handen omhoog alsof hij zich overgeeft, „zal ik mijn defensiviteit laten varen”.
Eerst zijn brieven. Hij stuurde die naar het mailadres van zijn vader, ajhvv@xs4all.nl, vanaf de dag van zijn overlijden, 28 februari 2022.
„Als iets heel moois. Ik had niet gedacht dat het nog zou gebeuren, en ook niet dat hij het zou toestaan en dat ik het überhaupt wilde. Het was onwennig, want we zijn nooit fysiek geweest. Hij was een a-fysieke man.”
„Nee. In elk geval nooit met overgave. Je voelde altijd zijn ongemak bij aanrakingen. Als je je hand op zijn schouder legde, schrok hij en draaide hij zich met geheven vuist om. Hij was bang voor elk fysiek contact.”
Zijn vader had een verstoorde relatie met zijn eigen ouders, vertelt hij. Hij was beschadigd doordat zijn oudere zusje verongelukte in zijn vroege kinderjaren, en doordat zijn ouders daarna voor hem verzwegen waar ze gebleven was.
„Ja, hij was gevallen en kon zich niet bewegen. Dus Thomas en ik moesten hem een beetje dragen. Later moesten we hem ook voeren. Voor mij was een cruciaal moment dat ik voor het eerst zijn lippen invette, omdat die snel droog werden. Het invetten van lippen is een heel intieme aanraking, een gradatie van intimiteit die ik nog nooit had meegemaakt. Er stond voor mij veel op het spel om die laatste fase goed te doen.”
„Het was de laatste kans om iets goed te maken. En nu wil jij natuurlijk weten wát ik wilde goedmaken. Maar dat wist ik toen niet, en dat weet ik nog steeds niet. Ik had, denk ik, het gevoel dat er nog veel moest gebeuren voordat ik hem kon loslaten. En hoewel we geen grote gesprekken hebben gevoerd, heb ik het toch goed met hem afgerond. Gewoon door er te zijn.”
„Ik denk dat het een manier was om mezelf te differentiëren. Of eigenlijk om de macht te grijpen.”
„Ik hoefde hem niet mijn vader te noemen als ik dat niet wilde. Hij was een dwingende man, en daarvan kun je als kind niet winnen. Dus zocht ik andere manieren om terug te vechten. Een van die manieren was: ik erken jou niet meer als papa, ik neem je die titel af.”
„Het is natuurlijk een protestdaad die alleen maar bewijst hoe erg ik tegen hem opkeek.”
„Nee, het ontsnapte me. En het sloeg meteen op mijn keel, ik had erom kunnen huilen. Ik voelde me ineens weer kind.”
In de brieven probeert hij zijn vader beter te begrijpen. Waarom hij is doodgegaan zonder iets van orde achter te laten, bijvoorbeeld, en waarom hij hem in zijn beleving extra hard behandelde. Waarom hij zo hard en onbegrijpelijk kon zijn, en waarom hij zoveel moeite had met het tonen van affectie.
„Vaders hebben een grote schaduw. Als kind weet je soms niet precies of je nog in zijn schaduw opereert. Een therapeut opperde dat zijn dood ook een bevrijding kon zijn, en pas toen besefte ik dat die schaduw weg was en dat ik de kans had om de wereld voor het eerst zuiver door alleen mijn eigen ogen te bekijken. De dood van een vader, hoe pijnlijk die ook is, is ook de geboorte van de zoon als man.”
„Nou ja, misschien niet als die zoon vijftig is, of vijf.”
„Je bedoelt: ik had al ruimschoots man moeten zijn?”
„Dit was een laatste stap in dat proces. Het was een verandering van perspectief. Ik vond het ook een wonder dat het me was gelukt om hem op mij te laten leunen. Tot die tijd dacht ik dat ik het gewicht van anderen op mij niet aankon. Maar nu wist ik: ik kan het wel, ik dóé het. Dat besef heeft me sterker gemaakt.”
„Ik denk dat hij soms wel geluk ervoer, maar dat dat geluk leek op opluchting, of bevrijding. Geluk was voor hem niet blijdschap, of houden van het leven, of euforie, dat kende hij niet. En als anderen gelukkig waren op een manier die hij niet kende, was hij daar een beetje bang voor. Hij was ook bang dat die gelukkige mensen zichzelf vergaloppeerden en zouden vallen. Dus hij probeerde je dan te behoeden voor een val. Hij begreep niet dat hij ons, door dat te doen, júíst liet vallen.”
„Ik denk dat hij dat moeilijk vond. Behalve als hij kon meedoen, hij was op een gekke manier nog heel kinderlijk. Hij kon zich goed inleven in wat Thomas en ik leuk vonden, zoals voetbal of een Star Wars-film, en in wat Sandra en Laura leuk vonden” – zijn dochters uit een eerder huwelijk.
„We gingen elk jaar naar Bretagne op vakantie, daar was ook een bevriend gezin met twee jongere kinderen. Ik was een jaar of acht, zij waren een peuter en een kleuter, en ik vond het leuk om met ze over het strand te lopen en zandkastelen met ze te bouwen. Na een van die dagen was Arend Jan boos op me omdat ik weer met ze gespeeld had. Hij zei: ‘Weet je waaróm je met ze speelt? Omdat zij nog te jong en te stom zijn om je te kunnen afwijzen.’ Ik begreep niet precies wat hij zei, maar ik voelde me wel ontwricht. Nu weet ik: hij voelde zich buitengesloten en hij was bang dat ik me zou hechten aan kinderen die, als ze ouder werden, geen zin meer in mij zouden hebben.”
„Ik weet niet of het kwetsend is, ik vond het vooral heel verwarrend. Waarom is het kwetsend?”
„Oké, dat is inderdaad wel overtuigend.”
„Dat was zo in dat eerste jaar, ja. Ik vond het moeilijk om zijn gehechtheid aan ongeluk los te laten, omdat het dan voelde alsof ik hém losliet. Maar dat is nu niet meer zo. Ik voel me een wezenlijk andere persoon dan degene die deze brieven schreef, dat is ook een van de redenen dat ik ze nu kan publiceren. Anders zou het te persoonlijk en te intiem hebben gevoeld.”
„Ik vond het merkwaardig dat ze dat woord gebruikte. Daarmee deed ze alsof ze een neutrale buitenstaander was die het proces heeft aanschouwd. Maar als er sprake is van verwaarlozing, doen de ouders dat samen. Ik voel me overigens niet verwaarloosd, ik beschouw mezelf als bevoorrecht.”
„Nee. Ik begrijp wel dat íémand dat woord zou kunnen gebruiken, maar ik begrijp niet dat zíj dat deed.”
„Ben ik dat?”
„Maar als jij me kritisch noemt, lijkt het alsof ik een oordeel over haar heb. Wat ik beschreef in die brieven is wat ik toen, in het heetst van de strijd, zag: een ontredderd iemand. Ik had, en heb nog steeds, met haar te doen. Ze was er niet tegen opgewassen.”
„Hij kon onaangenaam zijn tegen haar. Vaak best subtiel, dan begreep ze de steken niet, maar voelde ze die wel. Daarvan raakte ze verward, waardoor ze niet genoeg voor zichzelf opkwam. Ik vond dat heel moeilijk om aan te zien.”
„Ik weet niet of ze me nodig had, ik dééd het gewoon. Ik denk wel dat ze íémand nodig had. En ik was in het huis de enige kandidaat voor die functie. Beter was iemand anders geweest, natuurlijk. Maar ik neem het haar niet kwalijk.”
„Ja, dat deed ze ongeveer van mijn achtste tot mijn achttiende. Ik probeerde tijdens dat uur mijn vaders gedrag aan haar uit te leggen. Ik was een soort tolk tussen mijn ouders. Een tolk-therapeut.”
„Met een mengeling van vertedering en ongemak. Die momenten zijn me dierbaar, omdat ik dan écht contact had met haar.”
„Ja. Ik voelde me dan bijzonder, en nuttig omdat ik haar een klein beetje kon helpen. Het ongemak dat ik erbij voelde, kwam doordat ze volwassen gesprekken voerde met een kind. Bovendien trad ik daarmee in iets ingewikkelds tussen hén.”
„Ja. Ik probeerde haar te helpen, maar als ik beneden kwam, deed hij het voorkomen alsof ik hem had verloochend door achter zijn rug over hem te smoezen. Ik was altijd op zoek naar een manier waarop ik het goed kon doen, maar die vond ik niet. Die wás er, denk ik, ook niet.”
„Ja, maar er was badschuim. En ik trok mijn knieën op. En het water was meestal een beetje troebel van het bloed – ik leefde me altijd uit op het voetbalveld.”
Hij denkt lang na. „Ik heb niet het idee dat het een grens overging. Maar ik denk ook dat niemand in dat huis wist waar grenzen lagen. Op zo ongeveer elk vlak.”
„Nu moet ik”, hij staat abrupt op, „echt naar de wc”.
Als hij terugkomt: „Ik voelde me gewoon erg alleen. Het is een vertaling van een gevoel van eenzaamheid dat ik toen had.”
„Dat kan ik me voorstellen, maar ik heb me beziggehouden met wat echt is. Niet met wat prettig is. Ik miste haar als moeder. Het deed erg veel pijn, maar ik veroordeel haar niet. Ik weet waarom ze niet meer kon dan ze deed. Ik had er gewoon geen rekening mee gehouden dat als onze vader zou wegvallen, onze moeder niet pal naast ons stond. Voor mijn gevoel greep ik om me heen en was zij er niet.”
„Ja. Ik was altijd zo op mijn vader gericht, omdat hij destabiliserend, gevaarlijker, dichterbij en aanweziger was, dat ik nooit over haar als moeder had nagedacht. Dat wreekte zich ineens.”
„Wat bedoel je daarmee?”
„Er zitten veel veronderstellingen in die zin. Je hebt het, om te beginnen, over een moeder. En niet over een ouder.”
„Ik denk niet dat dat zo is, en als dat zo zou zijn, gaat het alleen over hén. Niet over de moeder in algemene zin. Bovendien is hij doodgegaan, niet zij. Natuurlijk gaat het meer over hem. En dat woord ’toegewijd’ dat je gebruikt, vind ik ook vreemd.”
„Wat zegt ze daarin?”
„Een moeder lijkt me niet verantwoordelijker dan de vader. Ik heb daar geen genderopvatting over.”
„Nee, maar we kunnen moeilijk in gesprek gaan over dingen die we onbewust voelen en denken. Ik hoop niet dat je door mijn boek het idee kreeg dat ik een appeltje met haar te schillen heb.”
„Shit.”
„Hoe bedoel je dat?”
„Waarom denk je dat?”
„Nee. Nee.”
„Ik heb de brieven lang niet gepubliceerd omdat het nog te kort geleden was, en omdat ik dacht: ik moet ook iets privé houden. Ik wilde mijn vader nog voor mezelf houden. Maar al die redenen zijn weggevallen. Dat komt vooral doordat ik me nu een ander persoon voel. En ook wel doordat ik niet meer het idee heb dat ik mijn thuis moet beschermen. Doordat zij haar boek heeft geschreven, en doordat Thomas er een roman over heeft geschreven, hoef ik niet meer te waken over zijn kist. Maar als ik een reactie had willen publiceren op mijn moeders boek, had ik dit veel eerder gepubliceerd. Nee, ik heb juist extra lang gewacht om die indruk te voorkomen.”
„Maar ik hoef het daar toch ook niet mee eens te zijn? Ja, ik heb het moeilijk gehad met het boek van mijn moeder.”
„Ik heb haar altijd erg gestimuleerd om alles op te schrijven. Omdat het me duidelijk was dat ze moest verwerken. Toen ik haar manuscript las, zag ik dat het in een heel vroeg stadium van rouw is geschreven. Er zat veel woede in, en wrok, die helemaal begrijpelijk waren. Maar als ik dat zei, ontkende ze dat. Daaruit concludeerde ik dat ze nog niet de controle had over wat ze wilde, kon en moest vertellen. Ik heb haar een aantal keer gevraagd om de publicatie een jaar uit te stellen. En als ze na dat jaar geen komma zou willen veranderen, zou ze het boek alsnog precies zo kunnen uitgeven. Maar ze wilde me niet horen. De smeekbede van de zoon interpreteerde zij als het verbod van de patriarch. Ze hoorde dat ze het boek van mij niet mocht uitgeven, hoe vaak ik ook uitlegde dat dat helemaal niet was wat ik zei. Het gezin hing aan een zijden draadje, we hadden allemaal een zware tijd gehad, het ging met mij niet goed, dus ik zei: als je het nu op deze manier doorzet, kan ik niet meer met je mee. Het lukt me gewoon niet meer. Er is al zo veel gebeurd, er is al zo veel veranderd en beschadigd dat we elkaar zullen kwijtraken. Dan raak je míj kwijt, als zoon. En toen koos ze voor publiceren.”
„Ja. Maar dat wist ze. Ze heeft gekozen. Ik ga nu even een pinda eten om de boel af te leiden.” Hij staat op en loopt naar de keuken. Daarna: „Na dat laatste gesprek met haar, mijn laatste poging, kwam ik thuis, hier…” Hij zwijgt even. „Ik vertel dit heel langzaam om mijn emoties te camoufleren. Maar ik weet nog dat ik thuiskwam, op de bank ging zitten en dacht: mensen vragen zich hun hele leven af wat ze nu eigenlijk waard zijn voor hun ouders. Ik weet dat nu. Namelijk: iets minder dan 22,99 euro. Het was toen natuurlijk nog niet bekend dat er een midprice zou komen.” Schamper lachje.
„Nee, dat had ik ook niet zien aankomen. Maar het was heel akelig. Ik denk dat ik me niet eerder zo alleen heb gevoeld. Al voelde ik ook een zekere bevrijding: vanaf dat moment stond ik er helemaal alleen voor, en was ik dus ook niemand meer iets verplicht. En ook dit alles heb ik haar niet kwalijk genomen. Sterker nog, als schrijver had ik bewondering voor haar overgave, voor die rücksichtslosigkeit.”
„Ja, maar ik heb nooit op deze tweesprong gestaan. Er heeft nooit een geliefde tegen mij gezegd: als je dit doet, ben je me kwijt.”
„Dat weet ik niet. Het zou kunnen van niet. Ik weet alleen dat ik het lang niet wilde. Maar toen ik ze in een later stadium opnieuw las, dacht ik: natuurlijk gaan deze brieven over een specifiek gezin, maar ze gaan óók over wat er in elk gezin gebeurt als er een ouder sterft. Daarom hoop ik dat de mensen die het lezen er iets aan hebben. Ik zou ook iedereen aanraden om brieven te schrijven aan de overleden ouder. Daarmee houd je iemand vast, maar kun je je ouder vervolgens ook makkelijker loslaten. Deze brieven hebben me in staat gesteld om te rouwen.”
„Ze vond het mooi en pijnlijk en volgens mij ook wel kloppend. Eerst wilde ze er niks aan veranderen. Maar ik zei: dit is weer zo’n moment waarop je later terugkijkt en zegt: ik heb mezelf toen te klein gemaakt. Dus lees het nog een keer en zeg het écht, want nu kun je nog dingen aanpassen. Op haar verzoek heb ik er vervolgens een aantal pijnlijke passages uitgehaald.”
„We hebben heel af en toe contact. Alles is anders, nu.”
Daan Heerma van Voss (Amsterdam, 1986) debuteerde als schrijver met de roman Een zondagsman (2010). Daarna schreef hij onder meer De Vergeting (2013) over zijn tijdelijke geheugenverlies, Noem het liefde (2018), De bange mens (2021) en Schijnoffers (2025).
In 2023 verscheen zijn roman Geen vaarwel vandaag, dat over een complex gezin gaat waarvan de vader overlijdt. De eerste versie had hij al geschreven vóórdat het hem in werkelijkheid overkwam. Hij kreeg er de BNG Bank Literatuurprijs voor.
Zijn nieuwe boek, Het blijft je vader, is een memoir in brieven. Het verschijnt op 17 november.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie