Home

Hoe blijven we mens als de wereld steeds verder getechnologiseerd raakt?

Wendell Berry Vanuit een houten hut in Kentucky schreef de schrijver, dichter en boer Wendell Berry indrukwekkende essays over de vernietiging van de natuur en het leven in een hoogtechnologische samenleving. Zijn werk zet de lezer aan het denken over hoe we omgaan met technologie.

Landelijk Kentucky, beeld uit de documentaire ‘Look & See: A Portrait of Wendell Berry’ uit 2016, regie Laura Dunn.

Een jaar geleden keek ik uit over een heuvel in West-Virginia en voelde ik me intens gelukkig. Aan mijn voeten lagen de resten van de boom die we in de uren daarvoor hadden omgezaagd. Tijdens zijn wandelingen door het bos achter het huis had een familielid een intieme kennis van de bomen ontwikkeld. Hij zag: deze boom is ziek, dreigt de rest te besmetten en moet daarom weg. Secuur hadden we eerst een touw om de boom heen gegooid en daarna met een handzaag het bovenste gedeelte omgezaagd. Na een uur zwoegen was de boom dankzij een wig omgevallen, toch nog op een andere plek dan we wilden. Het goede hout lag nu voor me, voldaan stapelde ik het op de voorraad brandhout. Ik keek naar de herfstkleuren in het bos achter me, hoorde de vogels fluiten, draaide me om naar de heuvels voor me, voelde de herfstzon op mijn gezicht en dacht: zo gelukkig moet Wendell Berry zich elke dag voelen.  

Wendell Berry: Dispatches from Rural America. Sixteen Essays. Counterpoint, 240 blz. € 32,99

In de maanden daarvoor had ik het werk van de Amerikaanse schrijver, dichter en boer ontdekt. Ik had zijn essays over technologie, industrialisering, ecologie en, nou ja, het hele moderne leven verslonden. Het was een openbaring geweest. Het was alsof veel van m’n ongemak en vervreemding op z’n plek viel, over het leven in een hoogtechnologische samenleving waarin mensen worden vervangen door algoritmes, een samenleving die steeds meer verkoopt maar geestelijk steeds minder te bieden heeft, waarin concentratie en nadenken het verliezen van shorts en brainrot, een samenleving ook waarin we chatbots vaker lijken te vertrouwen dan elkaar, van een wereld waarin de vanzelfsprekendheid van die technologieën buiten kijf lijkt te staan.

Vanuit een houten hut in Kentucky, zonder elektriciteit en licht, met een pen en zéker geen computer, had Berry daar verpletterend mooie essays over geschreven. Hij had geschreven over de vernietiging van de natuur door de industriële landbouw, en waarom kleinschalige, biologische landbouw zoals die van vóór big agriculture de toekomst moest zijn. Hij schreef over ‘neighborliness’, wat zich wellicht het beste laat vertalen als ‘nabuurschap’, over het belang onderdeel te zijn van je lokale gemeenschap, daar zorg voor te dragen, je in te zetten voor je buren. Hij bekritiseerde de gedachteloosheid waarmee nieuwe technologieën werden omarmd omdat ze alles eenvoudiger zouden maken, terwijl juist moeite doen waardevol is. Hij dichtte over de liefde voor de grond waarop zijn voorouders geboerd hadden en waarop hij nu met paarden het gras maaide, waar hij schapen liet grazen en het thuis vond dat hij had gemist toen hij als jonge schrijver in New York naam maakte.

Het had mij, stadsbewoner opgegroeid met internet, bij de keel gegrepen. In mijn gedachten en soms (maar nog niet vaak genoeg) in mijn handelen herkende ik steeds vaker de invloed van Berry. Ik begon van alledaagse technologieën te denken: waarom gebruiken we ze eigenlijk?

Intense liefde voor de aarde

En nu is er toch nog een nieuw boek, Dispatches from Rural America. Tóch, omdat Berry begin september op 92-jarige leeftijd overleed. ‘Nieuw’ is ook betrekkelijk, want zoals meer van zijn boeken is het een bundeling van essays die hij eerder her en der publiceerde. Uit die reeks is Dispatches overigens niet de interessantste bundel; zijn beste essays staan in The World-Ending Fire (2017), zijn mooiste poëzie in The Peace of Wild Things (2018).

Wendell Berry in 2022.

Maar Dispatches is het lezen alsnog meer dan waard, omdat veel van de thema’s die Berry aan het hart gingen er nog één keer in voorkomen, van zijn intense liefde voor de aarde en natuur tot zijn pleidooien voor lokale landbouweconomieën en het rurale, vaak onbegrepen Amerika. ‘Against Killing Children’, waarmee het boek opent, is een krachtige tekst tegen niet alleen de industriële oorlogsvoering (en dus het doden van kinderen), maar ook de mondiale economie die alles winstgevend wil maken en vernietigt wat dat niet is. Nog scherper zijn de twee essays die daarop volgen, waarin hij de essentie van zijn kritiek raakt, namelijk de vernietiging van de wereld en van menselijkheid door alsmaar oprukkende industriële technologie.

Wat als ‘vooruitgang’ wordt verkocht, blijkt mensen vaak niet te bevrijden, maar te ketenen; het maakt ze horigen van techbedrijven. In onze economie, schrijft hij in het laatstgenoemde essay, „die eerder door de industrie dan door de natuur wordt beheerst, gaat het aanbod vooraf aan de vraag”. Niemand vroeg bijvoorbeeld ooit om „personal computers”: „Het was hun beschikbaarheid, ondersteund door de onvermijdelijke publiciteit en reclame, die ervoor zorgde dat er behoefte aan hen ontstond.”

Dan kun je roepen: reactionair! Berry wil terug naar de jaren vijftig, of erger, de negentiende eeuw! In zekere zin klopt dat. Om te leren moet je je blik niet op de toekomst richten, schreef hij eens, maar op het verleden; op de generaties voor je, in wiens traditie je staat. En de pre-industriële wereld van zelfvoorzienende gemeenschappen verkiest hij boven de omvang en het geweld van de industrialisering. Toch zou ik Berry geen conservatief noemen in de politieke, anti-revolutionaire betekenis. Eerder laat de wereld waarnaar hij lonkt zich samenvatten door wat Henry David Thoreau schreef in Walden: „Simplify, simplify, simplify!”

Zelfredzaam en zelfvoorzienend

Is het bijvoorbeeld vooruitgang, vroeg Berry zich af in het essay ‘The Work of Local Culture’, dat onze voorouders zich vermoedelijk een stuk beter konden redden dan wij wanneer 48 uur lang de stroom uitvalt? Zij waren zelfredzamer en zelfvoorzienender en hadden elkaar tenminste nog verhalen te vertellen. Hoe vermaken wij ons zonder Netflix en Instagram? Waar halen we ons eten vandaan, waarvan we überhaupt de herkomst niet meer weten?

Wie is er voor je als je je buren niet eens kent? De neergang van gemeenschapszin is voor Berry sterk verbonden met de vernietiging van lokale economieën, door de opkomst van de snelle markteconomie. Een goede gemeenschap, schreef hij, „is afhankelijk van zichzelf voor veel van de essentiële behoeften en wordt dus geschapen van binnenuit – in tegenstelling tot veel moderne bevolkingen die voor vrijwel alles afhankelijk zijn van verre aankopen en dus worden geschapen van buitenaf, door de doelen en invloed van verkopers.” Als die onderlinge afhankelijkheid wegvalt, worden mensen afhankelijk van „externe economieën en organisaties”. Zie de inwisselbare binnensteden met overal dezelfde winkelketens, omringd door buitenwijken waar mensen elkaar ’s avonds zelden treffen maar vooral op de bank tv-kijken, scrollend op hun smartphone.

Juist de wijze waarop Berry culturele neergang verbindt aan economische voorspoed is denk ik waarom het stempel van ‘conservatief’ of ‘reactionair’ hem geen recht doet. Het zou hem in een kamp plaatsen waar hij nooit onderdeel van was, om de reden dat hij politiek simpelweg niet binnen een van de bestaande kampen paste. Progressieve Amerikanen vonden hem in zijn groene antikapitalisme, conservatieven bij zijn verdediging van tradities en geloof. Maar links was voor Berry te kosmopolitisch en rechts beleed het geloof wel met de mond maar niet met de bommen die het op Vietnam en het Midden-Oosten gooide.

Belangrijker is dat Berry niet zozeer een weg terug bepleit, maar handvatten geeft voor de weg vooruit. Het gaat in essentie om een hele simpele maar heldere bewering: dat we een keuze hebben hoe en welke technologie we gebruiken. Het is een keuze om moderne technologieën als ‘onvermijdelijk’ te omarmen en alles wat techbedrijven nu weer verzinnen gewillig te kopen. Het is ook een keuze om je van nieuwe technologieën af te vragen hoe ze mensen en hun gemeenschappen vooruithelpen ofwel schaden. Voor Berry is helder: de schade van veel van die technologieën weegt niet op tegen de opbrengsten, en dus moeten we aan alternatieven werken.

Leven zonder computer

Daarom kocht hij nooit een computer, een belofte die hij in 1987 in een gelijknamig essay deed en altijd nakwam. Hij schreef dat computers simpelweg niet brengen wat hij belangrijk vindt: „vrede, economische rechtvaardigheid, ecologische gezondheid, politieke eerlijkheid, stabiele families en gemeenschappen, goed werk.” Bovendien: „Ik zou de gedachte haten dat ik niet kan schrijven zonder een directe afhankelijkheid van strip mining [het opblazen van bergen om er kolen uit te delven, red.]. Hoe kan ik eerlijk schrijven over de verkrachting van de natuur als ik mezelf met het schrijven medeplichtig maak aan die verkrachting?” Elders weerlegde hij het argument dat computers helpen om eenvoudiger en sneller te schrijven. „Mijn standaard is geen snelheid, gemak en kwantiteit. Ik heb al te veel bewijs achtergelaten dat… ik te snel, te gemakkelijk en te veel heb geschreven.”

Door die techkritiek is Berry nogal eens als luddiet neergezet, een pejoratief bedoelde verwijzing naar de Britten die twee eeuwen geleden de industriële fabrieken kapotsloegen. Maar Berry omarmde die term. Luddieten waren „mensen die durfden te stellen dat er behoeften en waarden waren die terecht voorrang kregen boven industrialisatie. Ze verwierpen het determinisme van technologische innovatie en economische exploitatie.”

Dat is waarom Berry zo aanspreekt. In een tijd van smartphoneverslavingen, online polarisatie en al die andere ondeugden van het moderne leven is zijn werk een krachtige verdediging van het menszijn. Nee, niet iedereen hoeft op een paard zijn gras te gaan maaien, of met pen en papier te gaan schrijven in onverlichte hutjes. Maar in Berry’s werk staat een vraag centraal die met elk nieuw datacenter, elke nieuwe tech-‘vooruitgang’ en elk nieuw sociaal platform relevanter wordt: hoe blijven we mens?

Ik heb geen lapje grond, slechts een balkon met een verwelkte plant, en mijn computer en smartphone heb ik ook niet weggedaan. Maar na het kappen van de boom in West-Virginia liepen we nog wat door het bos. Het familielid vertelde me over de bomen, over de zorg die je ervoor moet dragen en hoe hij, als ze gekapt moeten worden, kastjes maakt van het hout. Een paar uur later heeft hij een houtbewerkingscursus voor me gevonden – hier, in Nederland. Naast m’n bed in het krappe stadsappartement dat ik bewoon staat nu het nachtkastje dat ik daar maakte. Er liggen oordopjes in, hooikoortspillen en paracetamol, en twee stapels boeken.

Regelmatig pak ik daar voor het slapengaan Berry’s dichtbundel The Peace of Wild Things van. Ik kom vaak uit bij het gelijknamige gedicht: „when despair for the world grows in me/ and I wake in the night at the last sound/ in fear of what my life and my children’s lives may be,/ I go and lie down where the wood drake/ rests in his beauty on the water, and the great heron feeds./ I come into the peace of wild things/ who do not tax their lives with forethought/ of grief. I come into the presence of still water./ And I feel above me the day-blind stars/ waiting for their light. For a time/ I rest in the grace of the world, and am free.”

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next