Cécile Wajsbrot Ze schreef een roman over de kunst van het vertalen, maar ook over verlies en vergankelijkheid. De Nederlandse editie van het boek werd bekroond met de Europese Literatuurprijs, die zaterdag wordt uitgereikt. „Bij mij vind je een democratie van stemmen, in politieke zin zelfs.”
Cécile Wajsbrot in haar werkkamer in Parijs.
„Well, we must wait for the future to show”, zegt een personage uit To the Lighthouse van Virginia Woolf. Hoe vertaal je die zin nu het beste? Moet dat worden: kijken wat de toekomst brengt? De toekomst zal het leren? Of: kijken wat de toekomst voor ons in petto heeft? Er zijn zoveel mogelijkheden.
De lezer van de roman Nevermore kan prachtig zien hoe het er in het hoofd van een vertaler aan toegaat. Het zoemt er, het borrelt, woorden schieten heen en weer, er wordt geassocieerd, aan ritme gedacht, gewikt en gewogen. Het is een toepasselijk boek voor de Europese Literatuurprijs, die niet alleen de auteur maar ook de vertaler bekroont. Zaterdag nemen Cécile Wajsbrot, die het boek schreef, en Josephine Rijnaarts, die het uit het Frans vertaalde, de prijs in ontvangst.
Wie Wajsbrot wil spreken, moet zes steile trappen op, met steeds smaller wordende treden. Eenmaal boven word je beloond met thee en een prachtig uitzicht op de daken van Parijs. Wajsbrot (72) leeft voor, met en in de literatuur. Ze schreef een oeuvre van zo’n dertig romans en essays en maakte tientallen vertalingen, veelal uit het Duits en Engels naar het Frans: van Marcel Beyer tot Vicki Baum, van Violet Trefusis tot Gert Ledig.
Haar roman Nevermore gaat over een vertaalster die net een goede vriendin heeft verloren. Ze verblijft tijdelijk in Dresden en heeft een beurs gekregen om een tekst van Virginia Woolf te vertalen, Time Passes, het middendeel van To the Lighthouse. Het gaat over een huis aan zee waar lange tijd niemand binnen is geweest, over het voorbijgaan van de tijd. Over verlaten en teloorgaan. Over verlies, rouw en een nieuw begin. De rode draad, die over de vertaalster, verweeft Wajsbrot met observaties en associaties over landschappen van vergankelijkheid, zoals Tsjernobyl, de High Line in New York en de stad Dresden, waar de wonden van bombardementen uit de Tweede Wereldoorlog nog zichtbaar zijn.
Wajsbrot heeft een lange geschiedenis met Woolf. Ze was zeventien toen een docent haar vertelde dat op het gebied van vertalen Virginia Woolf gold als het allermoeilijkst. Ze las Orlando en Mrs Dalloway en was verkocht. Op haar 28ste debuteerde ze als schrijver met Une vie à soi, een roman waarin de hoofdpersoon geobsedeerd is door Woolf. Wajsbrot zelf verging het niet anders: „Woolf werd omarmd door de feministische beweging in Engeland, dat sprak me aan. Ik had een biografie over haar gelezen, van Quentin Bell. Haar ziekte, zei men toen, was veroorzaakt door patriarchale repressie, ze moest in bed blijven, melk drinken, mocht niet lezen of schrijven. Wie zou daar niet ziek van worden? Ik had een tante van wie ik veel hield, die aan hetzelfde leed. Nu zou je het bipolariteit noemen.”
Cécile Wajsbrot: Nevermore. Vert. en nawoord Josephine Rijnaarts. Oevers, 257 blz. € 22,50
„Toen ik die eerste Franse vertaling van The Waves las, herkende ik het origineel niet. Yourcenar had haar eigen stijl meegenomen in haar vertaling van Woolf. Ze was Woolf ontrouw. Dat heb ik later, in een toelichting bij de herdrukken, ook laten zien. Weet u: mensen die essays schrijven over vertalen hebben vaak nooit zelf iets vertaald. Critici vonden het heiligschennis van mij om de vertaling van een groot schrijver als Yourcenar aan te vallen. Ik had niet haar statuur, ik was niets in vergelijking met haar, ik had het recht niet. Daar draaide het om. Dagblad Le Monde heeft daarna tien jaar lang niets van mij besproken. Uw hypothese over Nevermore: tja, het zou kunnen. Een laat antwoord, een soort reparatie, bedoelt u? Er is zeker een onbewust verband, ja.”
„Het ritme van een tekst is belangrijk. Een vertaling moet niet willen uitleggen. Een Franse vertaling kan twee keer zo lang worden als de oorspronkelijke tekst in het Duits of het Engels. Dat is niet de bedoeling. Je moet de vorm en het ritme respecteren. Gewoon doorgaan met zoeken, met nadenken. Je mag de grammatica veranderen. Wat je ergens in de ene passage verliest, kun je in een andere weer winnen. Traduire n’est pas trahir, vertalen is zeker niet verraden. Het is juist het tegenovergestelde. Het gaat niet om het woord of om de zin. Het gaat erom dat het geheel in overeenstemming is met het origineel. Je moet vooral trouw blijven aan de geest van een tekst.”
„Jaren geleden zag ik een documentaire over de ramp van Tsjernobyl en de radioactieve zone die na de kernramp werd afgezet. In 2018 was ik in Kyiv en bezocht ik het museum gewijd aan Tsjernobyl. Ik was ook erg onder de indruk van het boek van Svetlana Aleksijevitsj, Wij houden van Tsjernobyl). Daarin publiceerde ze interviews met overlevenden van de kernramp, als een enorme polyfonie. Ik kreeg het idee van een film over Tsjernobyl, waarbij die tekst van Woolf de voice over vormde. Maar ik ben een schrijver, geen filmmaker. Ik schreef dus een roman, waarbij je in het hoofd zit van de vertaalster die die tekst vertaalt.”
„Die vermenging van feit en fictie wordt me wel verweten. Bij mij nemen soms anonieme stemmen het woord, er is sprake van meerstemmigheid. Sommige lezers verdragen dat niet, ze willen weten wie er spreekt. Bij mij vind je een democratie van stemmen, in politieke zin zelfs. Mij maakt het niet uit wie er aan het woord is. Het is typisch iets van onze tijd dat we luisteren naar die ene stem omdat die van iemand is die macht heeft, of bekend is. Naar andere stemmen luistert niemand. Bij mij wordt het verhaal van de vertaalster afgewisseld met reeks zinnen voorafgegaan door een liggend streepje; die staan er ogenschijnlijk los van. Daarna komt er een passage over Tsjernobyl, over klokken, dan een stukje over Dresden of over Otto Dix of Arvo Pärt. Het zijn puzzelstukjes die samen een beeld vormen. Ik zoek naar een moderne vorm van de roman. Het is misschien pretentieus, maar ik voel me verwant aan Woolf, die zoekende was en niet schreef zoals Charles Dickens of George Eliot. De meeste romans van nu zouden net zo goed in de negentiende eeuw geschreven kunnen zijn.”
Dat het werk van Wajsbrot daartoe niet behoort, lijdt geen twijfel. Een paar weken geleden verscheen in Frankrijk Oratorio, een geëngageerd prozagedicht over migranten en ‘wij’. In korte hoofdstukken en dito dialogen vol verwijzingen naar de wereldliteratuur geeft ze het woord aan degenen die de Middellandse Zee oversteken, aan wie het haalt en wie sterft. Kanslozen die geen enkele bestaanszekerheid hebben, hopen op een beter bestaan. Daar tegenover zet ze ons, degenen die een (t)huis hebben, beschermd achter de muren van fort Europa – vooralsnog.
„Ik heb lang de indruk gehad dat ik in twee verschillende werelden leefde, enerzijds die van onze familiegeschiedenis, gekenmerkt door oorlog en deportatie en anderzijds die van de buitenwereld. In de jaren zestig had niemand in Frankrijk het over de Holocaust. Hoewel ik na de Tweede Wereldoorlog ben geboren, voelde ik me er altijd in ondergedompeld. Ik heb me nooit ergens geworteld gevoeld. Omdat ik er niet over kon praten, ben ik gaan schrijven. Nadat ik mijn eerste boek had gepubliceerd, zei mijn grootmoeder dat ze wel wist waarover zíj zou schrijven, als ze kón schrijven. Zo heeft ze me een missie gegeven, een mission, een Aufgabe.
„Nog steeds heb ik er moeite mee er in Frankrijk in de Öffentlichkeit, in het openbaar, over te spreken – het Duitse woord vind ik eerder dan het Franse. Mijn grootvader is hier in Parijs opgepakt. Ik heb in 2004 een boek gepubliceerd met de titel Beaune-la-Rolande, naar het concentratiekamp vanwaar hij naar Auschwitz is gedeporteerd. U kunt zich niet voorstellen hoe ik me voelde toen ik dat boek had geschreven. Ik had een grens overschreden.”
„Zeker. Rond het jaar 2000 begon men in Frankrijk over de Holocaust te spreken. Ik herinner me dat ik een vette kop zag op de cover van een tijdschrift: ‘Hoe nooit meer vergeten?’ Toen realiseerde ik me dat de vraag voor mij eerder het omgekeerde was: hoe te vergeten? Het heeft lang geduurd voor ik besefte dat het niet mijn eigen verhaal was, maar dat van de generatie vóór mij. Ik had het recht mijn eigen leven te leiden. Dat was geen verraad. Het is als met vertalen: je moet je ritme, je weg vinden, en tegelijkertijd je erfenis accepteren – zonder erdoor verpletterd te worden.”
Cécile Wajsbrot en Josephine Rijnaarts worden op zaterdag 7 november om 16.30 uur geïnterviewd op Crossing Border in Den Haag. Inl.: www.crossingborder.nl/nl/events/ELP-2026
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie