Home

Hoe ontkom je aan stress? Door elke dag een kilometer te zwemmen?

Christophe Van Gerrewey De gefrustreerde hoofdpersoon van de roman Duizend meter zoekt zijn heil in de zelfopgelegde tucht van elke dag zwemmen. Maar biedt de turbostand wel de juiste vluchtroute? Van Gerrewey schrijft er intellectueel en scherpzinnig over.

Binnenzwembad Viktoriabad in Bonn tijdens de zomerschoonmaak.

Het water, daar kun je als verhalenverteller altijd wel terecht. Neem het iconische eindshot van Truffauts filmklassieker Les Quatre Cents Coups, met dat prachtig gecoltruide joch dat, voor de zoveelste keer op de hielen gezeten door de ziedende autoriteiten, richting branding rende. Of Lucebert, die in ‘ik draai een kleine revolutie af’ dichtte: „ik ben niet langer van land/ ik ben weer water/ ik draag schuimende koppen/ op mijn hoofd”. Wilde hij weer een waterdier worden, als een zalm tegen de stroom van de evolutie in zwemmend? Volgens Gerrit Komrij, die het gedicht ooit onder de loep nam, ging het hier over een terugkeer naar het moederlijke vruchtwater, naar het water waarin je geboren werd. En in Roelof ten Napels Het leven zelf (2017) was het water dan weer eerder een stemmig eindpunt, met een jongen die niet wist hoe hij het toch aanpakken moest in dat rommelige leven zelf, nadat zijn jeugd vooral had gedraaid om het verbeteren van records in het zwembad. 

Christophe Van Gerrewey: Duizend meter. Tristan, 174 blz. € 24,99

Dat laatste boek komt nog het dichtst in de buurt van Duizend meter, de nieuwe roman van de hoogst interessante, maar in Nederland nog te onbekende Christophe Van Gerrewey (1982). Veertien jaar geleden debuteerde hij als romancier en dit is zijn vierde roman, maar hij is daarnaast ook een begenadigd essayist en als architectuurtheoreticus werkzaam aan een Zwitserse universiteit. Dat laatste laat zich gelden in dit nieuwe werk, waarin een architect zijn gepijnigde ziel probeert te balsemen met een sportregime: hij moet en zal elke dag minstens een kilometer zwemmen.

Voor de gefrustreerde mens die hij is zal dit de uitkomst zijn, zo redeneert hij: deze vorm van zelfopgelegde tucht, dit uur van alleen-zijn ook, pakt niemand hem af. Andere vormen van afleiding of verstrooiing vielen tegen. Koken, wandelen, het was het allemaal net niet in vergelijking met die reine bak met chloorwater voor zich. Want Van Gerreweys zwemmer is een binnenzwemmer, meren of rivieren laat hij links liggen. Als een commando verkent hij de baden in zijn buurt, nauwgezet analyserend wat een zwembad tot een zwembad maakt: het ontwerp ervan en de verschillen met de ontwerpen van vroeger, de chemische componenten van het water, de beveiligende en ontsmettende omlijsting ervan. Poortjes, pasjes, kluisjes, reinigende douches, badmutsen, strakke zwemkleding. De badmeesters die verschillende kleuren poloshirts dragen, naargelang hun plek in de organisatorische hiërarchie. De aparte banen voor trage en snellere zwemmers, de al dan niet aanwezige erotische spanning tussen de door elkaar heen glibberende badgasten.

Futloosheid doorbreken

Ook niksend probeerde de zwemmer tot rust te komen. Tevergeefs, zo komen we al in het begin van de roman aan de weet. „Maar vooral heeft hij geprobeerd niets te doen – niets speciaals, niets uitzonderlijks, niets extreems – , hij heeft geprobeerd normaal te doen, maar het ging niet, er was meer nodig, iets in hem of in de wereld, één gebeurtenis of net een hele reeks, moeilijk in te schatten – het vroeg, allemaal samen, in elk geval, om maatregelen, een levensregel, een even vanzelfsprekende als unieke regelmaat, een idee of zelfs een ideaal dat de futloosheid kon doorbreken.”

Het moge duidelijk zijn in welk vaarwater Duizend meter zich bevindt: regelmaat, maatregelen, levensregels. Maar ook dat tegen de klippen op willen doorbreken van de futloosheid, in plaats van je erbij neer te leggen dat het leven misschien wel een futloze aangelegenheid ís, soms. Het zijn de woorden die schrijvende, en met name podcastende zelfhulp-helpers als Jordan Peterson, David Goggins en Andrew Huberman, evangelisten van efficiëntie en extra eiwitten, met regelmaat in de mond nemen. Niet alleen ga je dankzij Van Gerrewey nadenken over de eisen die het systeem aan ons opdringt, je gaat in het verlengde daarvan ook nadenken over ons instemmen met die eisen. Zijn we murw gebeukt en zijn we ‘om’? Of zijn we simpelweg monddood en ontbreekt het ons aan een passend weerwoord?

Van Gerrewey hint met zijn zwemmer op een cultuur van overdiscipline, van iemand die de eisen van het systeem niet alleen onderschrijft, maar die ze zelfs overvleugelt en meer levert dan van hem wordt gevraagd, impliciet de lat verhogend voor de rest van de gemeenschap. Ergens mijmert de zwemmer over zijn onvermogen om tegen de heersende lijn in te denken. „Hij zou iemand willen zijn die geleerd heeft afstand te doen, onthecht te zijn, dialectisch te denken […]” – een half zinnetje dat zowel de crux als de wat zwakkere kant van de roman bevat. Oké, de zwemmer kan niet tegendraads of anders denken, maar hoe aannemelijk is het dan dat hij wel kan denken dát hij dat niet kan – en bovendien weet dat hij de mosterd bij het dialectische denken moet halen? 

De vooruit-knop

Hoe het ook zij, Duizend meter is een door en door ideologische roman, geschreven door een door de bank genomen zeer georiënteerde en scherpzinnige denker. Nu denkt men er tegenwoordig sowieso flink op los in romanland, maar Van Gerrewey blinkt uit in deze meer intellectuele, sturende vorm van schrijven. Hij dringt via zijn zwemmer diep door tot een belangrijk, westers probleem. Beschikken we – als individu, maar ook als een collectief dat uit individuen is opgetrokken – eigenlijk (nog) wel over een aannemelijke spirituele of geestelijke grond om, in het nauw gedreven, op terug te vallen? Zit er inmiddels niet alleen maar een aan- of een vooruit-knop in ons?

Want dat is het voornaamste probleem dat in deze roman uitgelicht wordt, dat de enige vluchtroute voor een gestrest of anderszins geagiteerd mens de vlucht vooruit is, de turbo, van dan maar een ánder sporttenue aantrekken, of hooguit op een andere plek, om de strijd met aangepaste middelen voort te zetten. Net als in Johann Holtrop (2012), die fantastische roman van de Duitser Rainald Goetz, is haat de (enige) brandstof van dit hoofdpersonage, mensenhaat welteverstaan. Of hij wil de ander verslaan in een competitie, óf hij wil de ander ontvluchten.

Weg, het water in, van ze wegzwemmend, maar gevangen in een vorm die anderen (zwembadarchitecten die zijn concurrent hadden kunnen zijn!) ontwierpen. Ook dat is een teruggaan, dat wegzwemmen en onderwaterduiken, naar dat eerdergenoemde vruchtwater, waar we nog alleen waren. 

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next