Siberische nomaden zaten 2.800 jaar geleden al aan de wiet. Archeologen vonden het bewijs hiervoor in mensenhaar uit een grafheuvel: ‘Wiet speelde mogelijk een rol bij menselijke offeringen.’
Stoned raken van wiet is geen moderne uitvinding. Zo’n 2.800 jaar geleden waren mensen ook al bekend met de psychoactieve effecten van cannabis. Dat concludeerden archeologen aan onder meer het Max Planck Instituut voor geoantropologie in Duitsland.
Ze vonden het bewijs hiervoor in een grafheuvel in Zuid-Siberië. Een koolstofdatering wijst uit dat die in ongeveer 800 voor Christus werd gebouwd. Rond deze tijd stichtten de oude Grieken hun eerste stadsstaten.
Door het koude klimaat in Siberië is de inhoud van de heuvel goed bewaard gebleven. Er zaten meerdere hoopjes cannabiszaden in, de eerste hint voor wietgebruik.
Maar er lagen ook plukken mensenhaar. Bij een chemische analyse van die haren vonden de archeologen cannabinol, een stof die daar alleen terecht kan komen als er wiet in het lichaam geweest is. Of ze de wiet rookten of aten, is onduidelijk. Het team van onderzoekers publiceerde het resultaat woensdag in vakblad Science.
‘Een spectaculaire ontdekking’, reageert Mans Schepers, universitair docent in archeobotanie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Archeologen hebben eerder cannabis gevonden, zegt hij, ‘maar het wordt zelden bewezen dat mensen het echt gebruikten voor de psychoactieve werking.’
Het is ook het vroegste bewijs voor wietgebruik, zegt hij. ‘Het brengt onze kennis vele honderden jaren terug in de tijd.’
De wiet maakte waarschijnlijk deel uit van grafrituelen. ‘Wanneer ze iemand begroeven, was dat vaak samen met andere mensen die werden geofferd’, vertelt Quentin Bourgeois, hoogleraar archeologie aan Universiteit Leiden. ‘Bij deze mensenoffers speelde wiet mogelijk een rol als kalmeringsmiddel, weten we uit oude geschreven bronnen.’
Deze Siberiërs, ook bekend als de Scythen, trokken als nomaden over het Aziatische continent. Ze kwamen daarom soms oude Grieken tegen, die verslag deden van het nomadische volk.
Volgens de Griekse historicus Herodotus deden de Scythen aan een vroege vorm van ‘hotboxen’. Hij beschreef dat ze cannabis brandden in gesloten tenten, zodat ze onder invloed raakten van de rook.
Hier hebben archeologen geen hard bewijs voor gevonden. Wel is er een mogelijke aanwijzing. In Mongolië, niet heel ver van de nieuwe Siberische vondst, is eerder ook een grafheuvel gevonden. Daarin zaten spullen om een tent op te zetten, een zak cannabiszaden en een vuurkorf.
De Siberiërs plukten hun wiet niet in de wilde natuur. ‘De wiet in de grafheuvel is de gekweekte soort’, merkt Schepers op. Daar kwamen ze niet zomaar aan: ‘Wiet is duizenden jaren eerder gedomesticeerd in andere gebieden. De Scythen moeten het dus als cultuurplant hebben meegenomen, of het verkregen hebben via handel.’
Archeologen hebben ook sporen van wietplanten of -zaden gevonden ver van Zuid-Siberië. In Israël en Denemarken bijvoorbeeld, en ook in Nederland: ‘Mijn onderzoeksgroep heeft in 2021 cannabiszaadjes gevonden in de buurt van Franeker’, noemt Schepers. ‘Het zat in een 2.300 jaar oude terp.’
Het gebruik van wiet en andere planten met psychoactieve effecten is een geliefd onderwerp in de archeologie. ‘Om de zoveel tijd wil een student er een essay of scriptie over schrijven’, zegt Schepers. Dat begrijpt Bourgeois wel: ‘Tegenwoordig zijn drugs gecriminaliseerd, dus het is fascinerend om aanwijzingen te vinden dat mensen er vroeger heel anders naar keken.’
Source: Volkskrant