Home

Emily Eakin schrijft over de Franse filosofen door wie ze als student verleid was: ‘Ik dacht: als ik dat begrijp, word ik gezien als hot shit’

Als student raakte Emily Eakin in de ban van de ‘filosofische werken van een handjevol Fransmannen van middelbare leeftijd’. In haar boek over die denkers beschrijft de Amerikaanse meer dan hun ingewikkelde ideeën: ‘Ik wilde ze tot leven wekken.’

is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.

Emily Eakin groeide op in Bloomington, een middelgrote stad in de Amerikaanse staat Indiana. Op de middelbare school was ze een van de weinigen die naar een prestigieuze universiteit aan de oostkust vertrokken; ze ging in 1985 literatuur studeren aan Harvard.

‘Ik was onzeker over mijn achtergrond’, zegt ze via een videoverbinding vanuit haar huis in New York. ‘Ik had het gevoel dat ik de andere studenten – die vaak uit grote steden kwamen en naar dure privéscholen waren gegaan – intellectueel niet kon bijbenen.’

Aan haar faculteit raakten studenten in die periode geobsedeerd door ‘theory’, volgens haar een ‘eclectisch geheel van filosofische werken van een handjevol Fransmannen van middelbare leeftijd’ die reageerden op de existentialisten.

Met ‘theory’ wordt een verzameling filosofische en literaire theorieën bedoeld, van het structuralisme en het marxisme tot het postmodernisme en de deconstructie. Ook Eakin raakte erdoor in de ban. ‘De abstractie, de moeilijkheid, de populariteit – dat alles maakte theory ontzettend verleidelijk. Ik zag theory als een intellectuele shortcut naar status. Als ik dat begrijp, dacht ik, gaan mensen me zien als hot shit.’

De jonge en hippe docenten droegen bij aan dat idee. ‘Bij een hoogleraar Engels aan Harvard denk je aan een man in een pak met een baard en een bril. Maar die van mij droeg een zwartleren jack.’

Rond de belangrijkste denkers binnen deze filosofie ontstond een heuse persoonlijkheidscultus. ‘Een vriendin die destijds aan Yale studeerde, vertelde dat toen Jacques Derrida de universiteit bezocht, vrouwen gilden en vroegen of hij zijn naam op hun blote schouder kon zetten. Het was alsof The Beatles door de gangen van de campus liepen.’

Abstracties

De Engelse schrijver Sarah Bakewell bracht Eakin op het idee een boek over deze denkers te schrijven. ‘Zij vertelde eens dat toen ze twintiger was, haar idee van een mooie zaterdagavond was om thuis te zitten met een boek van Heidegger. Maar nu, zei ze, is ze minstens zo gefascineerd door het leven van Heidegger als door zijn ideeën.’

Dat zie je terug, zegt Eakin, in Bakewells boek De existentialisten, een geschiedenis van het existentialisme waarin niet alleen de ideeën, maar ook de levens van de hoofdrolspelers centraal staan.

Eakin, ook redacteur van The New York Times Book Review, besloot een soortgelijk boek te schrijven, maar dan over de denkers die haar generatie hebben gevormd: Jacques Derrida (1930-2004), Michel Foucault (1926-1984), Jacques Lacan (1901-1981), Louis Althusser (1918-1990), Roland Barthes (1915-1980), Gilles Deleuze (1925-1995), Félix Guattari (1930-1992) en de enige Belg in het gezelschap, Paul de Man (1919-1983).

‘Voor ons als student bleven zij volstrekte abstracties’, zegt Eakin, ‘vaak wisten we behalve van hun ideeën niet meer van ze dan hun naam. Ik wilde ze tot leven wekken.’

Dat heeft ze gedaan in Mijn leven in theorie – Over moderne Franse filosofen, volgens het online tijdschrift Slate een ‘heerlijke mix van roddel, memoires en filosofie waarin ingewikkelde ideeën bewonderenswaardig helder worden uitgelegd’.

The New York Times schrijft: ‘Je gaat terugverlangen naar die glorieuze dagen tijdens je studententijd waarin je meer tijd besteedde aan het drinken van bier en praten over filosofie dan aan het schrijven of zelfs maar het lezen van de teksten.’

In een vijfballenrecensie in NRC roemt Arie Storm de ‘aanstekelijke wijze’ waarop Eakin verslag doet ‘van haar verslaving aan de theorie, van de roes waarin ze terechtkwam, de rebellie die ermee leek samen te gaan, het afzetten tegen alles wat er vóór die tijd over literatuur was beweerd, het gevoel dat je nergens anders meer over kunt praten of denken.’

Toegankelijkheid

Het boek van Eakin kan worden gelezen als een vervolg op dat van Bakewell, want de denkers uit haar boek reageerden op de existentialisten die het debat in naoorlogs Frankrijk domineerden. ‘Volgens de existentialisten was de mens de drijvende kracht achter de geschiedenis, degene die verandering teweeg kon brengen’, zegt Eakin. ‘Voor de Fransen, die net door de Duitsers bezet waren geweest, was het bevrijdend te denken dat ze toch niet helemaal machteloos waren.’

De theory ging lijnrecht in tegen de existentialisten en zette de mens weer met beide benen op de grond. ‘Als de wereld in de jaren vijftig en zestig wordt verdeeld tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, lijkt zeker het Franse individu ineens maar een nietig wezen’, zegt Eakin. ‘Volgens de ‘antihumanistische’ filosofen, die bekendstaan als structuralisten, bepaalt de mens de loop van de geschiedenis niet, hebben we ook ons eigen leven niet in de hand en zijn zelfs onze eigen gedachten niet werkelijk van ons. Niet de mens is leidend, maar het systeem, de structuur, de taal.’

Een uitdaging voor Eakin vormde de toegankelijkheid van de filosofie. Waar die van de existentialisten in pakkende oneliners viel samen te vatten, was die van de door haar geportretteerde filosofen een stuk minder behapbaar. ‘De mens is gedoemd vrij te zijn’, zei de existentialist Jean-Paul Sartre. Daartegenover zette de structuralist Jacques Lacan: ‘Geen taal kan de waarheid zeggen over de waarheid, aangezien de waarheid geworteld is in het feit dat de waarheid spreekt en dat ze niets anders heeft om in geworteld te raken.’

Lacan is de ingewikkeldste denker, zegt Eakin. ‘Een collega van The New York Times die ook literatuur aan Harvard heeft gestudeerd, vertelde me eens dat de docent een hoorcollege na tien minuten afblies omdat ze zich realiseerde dat ze de stof zelf ook niet begreep. Dat vond ik fijn om te horen. Zelf snap ik sommige concepten van Lacan ook nog steeds niet.’

De teksten zijn niet voor niets vaak onbegrijpelijk. ‘Vooral Derrida en Lacan betoogden dat taal geen transparant medium is dat de wereld simpelweg weergeeft, maar eerder fungeert als een sluier tussen ons en de wereld. Met hun ondoordringbare taal wilden ze aangeven dat we allemaal vastzitten in de taal.’

We hebben de neiging om te denken dat taal verwijst naar de werkelijkheid, zegt Eakin. ‘Als ik het woord ‘schaap’ zeg, zie jij een vierpotig, wollig zoogdier voor je. Maar wat de structuralisten ons duidelijk hebben gemaakt, is dat er niets schaapachtigs zit in de letters s-c-h-a-a-p. Het woord betekent alleen iets voor ons doordat het verschilt van andere woorden, zoals schaal.’

Wantrouwen

Taal is niet neutraal, aldus de theory. Eakin geeft in haar boek het voorbeeld van Michel Foucault, die schreef dat vóór de 19de eeuw seksuele handelingen iemand nog niet tot een bepaald ‘type’ mens maakten. Pas na de introductie van de term ‘homoseksualiteit’ veranderde een illegale handeling in een ‘complete, geminachte identiteit’, schrijft ze.

In zijn boek Geschiedenis van de waanzin betoogt Foucault dat helemaal niet vastligt wat waanzin nu precies is, zegt Eakin. ‘Het is een veranderlijk, instabiel begrip – zie hoe anders we naar homoseksualiteit zijn gaan kijken. Maar met binaire tegenstellingen als ‘waanzin’ en ‘gezond’ willen machthebbers volgens Foucault hun burgers ordenen en volgzaam houden.’

Foucault wantrouwde de macht. ‘Zijn denkbeelden konden somber zijn’, zegt Eakin. ‘Mogelijk had dat te maken met zijn eigen ervaringen als homoseksuele man. Het grootste deel van zijn leven kon je in Frankrijk nog worden vervolgd door homoseksuele handelingen.’

Eakin wil ‘absoluut niet beweren’ dat alle ideeën van deze denkers een-op-een te herleiden zijn tot hun privélevens. ‘Ik wil de lezer wel uitnodigen om zelf verbanden te leggen.’

In haar boek beschrijft Eakin hoe Foucault in 1975 – negen jaar voordat hij aan aids zou overlijden – als gastdocent aan een universiteit in Californië de gaycultuur van San Francisco ontdekt. Volgens een bron zou hij lezingen hebben gegeven in een nachtclub die in de lokale pers is omschreven als een ‘bdsm‑paradijs van twee verdiepingen met themakamers voor elke denkbare fetisj’.

Ook schrijft Eakin dat Foucault datzelfde jaar in de woestijn van Death Valley voor de eerste keer lsd neemt, ‘gevolgd door wiet en shotjes Grand Marnier uit plastic bekertjes’. ‘Het enige in mijn leven waarmee ik deze ervaring kan vergelijken is seks met een vreemde’, zei Foucault toen. Later zou hij de trip in een brief omschrijven als ‘een van de belangrijkste’ ervaringen van zijn leven, en als een reden om een reeks boeken over de geschiedenis van seksualiteit volledig te herzien.

In de gevangenis

Gelukkig voor Eakin en de lezer zijn de denkers in haar boek geen zolderkamergeleerden. Paul de Man was in 1948 vanuit België zonder geld of connecties aangekomen in New York. Daar begon De Man, een charismatische man die volgens de dichter John Hollander aura uitwasemde als de geur van een duur parfum, als magazijnmedewerker in een boekhandel. Mede dankzij een vals cv promoveerde De Man uiteindelijk aan Harvard, behaalde hij daarna aan Yale de hoogste academische rang, om uiteindelijk in 1987, vier jaar na zijn dood, te worden ontmaskerd als nazicollaborateur.

‘Tijdens het schrijven van dit boek werd ik voortdurend verrast’, zegt Eakin. ‘Het was veel leuker dan ik dacht. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Jacques Derrida, toen hij in 1981 in Praag clandestiene colleges aan dissidente intellectuelen gaf, in de gevangenis heeft gezeten vanwege een valse beschuldiging van drugssmokkel.’

Op de radio eiste Foucault, die volgens Eakin de in 1980 overleden Sartre had opgevolgd als de belangrijkste publieke intellectueel, meteen de vrijlating van Derrida. En dat terwijl de twee elkaar toen vanwege een ruzie al bijna tien jaar niet meer hadden gesproken. ‘Ik was verbluft door alle onderlinge verbanden tussen de filosofen’, zegt Eakin. ‘Ze waren niet allemaal bevriend. Sommigen waren zelfs vijanden van elkaar. Maar hun levenspaden kruisten elkaar voortdurend. Daardoor kon ik van mijn boek een groepsportret maken.’

Veel filosofen kampten met mentale problemen. Foucault deed tijdens zijn studententijd meerdere zelfmoordpogingen. Ook Derrida en Barthes worstelden met terugkerende depressies. Louis Althusser leed aan een bipolaire stoornis en wurgde in 1980 zijn vrouw, waarna hij niet in staat werd geacht om terecht te staan en in een psychiatrische inrichting werd opgenomen.

‘Deze denkers verdiepten zich in de onoplosbare paradoxen van fundamentele filosofische vraagstukken’, zegt Eakin. ‘Ze waren ervan overtuigd dat we gevangen zitten in de taal, dat we daar niet aan kunnen ontsnappen. Waarheid en werkelijkheid waren begrippen die ze steeds weer ontglipten. Als je die vastigheid mist, word je misschien sneller gek.’

Verlammend

De ‘overdosis’ aan theory die Eakin tot zich had genomen, belemmerde ook haar in het dagelijks leven. ‘In mijn studententijd werd ik er ongelooflijk zelfbewust van. Omdat ik me realiseerde dat er niet zoiets bestond als een rechtstreekse weergave van de werkelijkheid, was het alsof er een kloof was tussen mijn ervaring en de manier waarop ik die verwerkte. Ik kon nooit ‘in het moment’ aanwezig zijn. Dat werkte verlammend.’

Na het behalen van een master in de vergelijkende literatuurwetenschap in Parijs, en twee jaar werken aan een proefschrift in New York, besloot Eakin het roer om te gooien. ‘Toen tijdens mijn proefschrift literatuurstudenten tegen me zeiden dat ze geen literatuur meer lazen, alleen nog maar theory, realiseerde ik me dat mijn studie haar eigenlijke studieobject – de roman – was kwijtgeraakt. Ik wilde weg, de journalistiek in.’

Ze ging aan de slag bij het tijdschrift The New Yorker. ‘Mijn baan als factchecker was om te kijken of de taal overeenkwam met de realiteit. Ineens konden al mijn structuralistische ideeën over taal het raam uit. Hier verwees taal wél naar iets dat buiten zichzelf stond. Dat voelde therapeutisch.’

Veel van de Franse denkers zijn in de loop der jaren weggezet als kletsmajoors. Eakin: ‘In de jaren tachtig en negentig werd Derrida belachelijk gemaakt omdat de werkelijkheid volgens hem niet zou bestaan, omdat woorden volgens hem betekenisloos zouden zijn. Dat is onzin. Woorden zitten volgens Derrida vól betekenis. Dat is het hele probleem. De betekenissen ervan staan nooit vast.’

Werden de ideeën van Derrida indertijd als vreemd gezien, tegenwoordig zijn ze gemeengoed. ‘Elke dag zien we dat de strijd om de werkelijkheid wordt uitgevochten via de taal’, zegt Eakin. ‘Kijk naar hoe de regering van Trump wil bepalen welke woorden gebruikt mogen worden, en dat we de Golf van Mexico vanaf nu de Golf van Amerika moeten noemen.’

Gedeelde waarden

Ook de ideeën van Foucault, wiens kaalgeschoren hoofd vorige maand op de cover van De Groene Amsterdammer stond vanwege zijn honderdste geboortedag, zijn steeds relevanter geworden, zegt Eakin.

Door sommigen wordt Foucault gezien als de geestelijk vader van de moderne identiteitspolitiek. Eakin: ‘Volgens Foucault waren ‘universele’ verlichtingsidealen als gelijkheid en vrijheid slechts mooie woorden die in werkelijkheid westerse machtsbelangen moesten dienen en verhullen. En als die gedeelde waarden wegvallen, schrijft de filosoof Susan Neiman in haar boek Left Is Not Woke, kun je alleen nog maar op je eigen groep vertrouwen.’

Neiman noemde Foucault de ‘godfather van woke links’, maar daar is Eakin het niet mee eens. ‘Aan het ontstaan van de progressieve protestbewegingen hebben allerlei factoren bijgedragen. Een daarvan was dat ongewapende zwarte mensen door politieagenten werden vermoord.’

Eakin denkt wél dat de Franse filosofen hebben bijgedragen aan de post-truth-cultuur. ‘Hun grote les was: de waarheid is glibberig, wees sceptisch over wat de machthebbers beweren. Maar in een tijd waarin The New York Times niet meer wordt geloofd en de complottheorie QAnon (over een internationaal satanistisch pedofielennetwerk, red.) wel, hebben we die les misschien iets te goed geleerd.’

Emily Eakin: Mijn leven in theorie – Over moderne Franse filosofen, Athenaeum, 512 pagina’s, € 35.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next