De strijd tussen het Rijk en de gemeenten over taakstellingen voor de opvang van asielzoekers of statushouders bereikt nu ook de rechter. Die lijkt weinig coulance te tonen voor Zwijndrecht en Den Haag. ‘Wat is nou precies de reden van uw verzet?’
Jeroen Visser is verslaggever van de Volkskrant.
‘De minister wil een situatie zoals in Ter Apel voorkomen en wij willen de wet uitvoeren, maar dan wel op een evenwichtige manier’, zegt de advocaat van de gemeente Den Haag dinsdag in een bij vlagen bevlogen zitting bij de Raad van State.
Het is een zaak tussen de gemeente en de asielminister, die draait om de veelbesproken Spreidingswet, bedoeld om asielzoekers gelijkmatig over het land te verdelen. Eén op de vijf gemeenten staat onder toezicht omdat die te weinig doen. Maandag zette asielminister Bart van den Brink nog eens elf gemeenten op die zwarte lijst. Blijven ze in gebreke, dan kan hij zelf regelen dat er lokaal asielopvang komt – een zogeheten indeplaatsstelling.
De strijd tussen het Rijk en de gemeenten om de opvang van asielzoekers of statushouders woedt tot in de rechtbank. Dinsdag behandelde de bestuursrechter van de Raad van State twee van dat soort zaken, die spelen in Den Haag en Zwijndrecht.
Den Haag staat niet op de zwarte lijst, maar richt zijn pijlen toch op het laatste verdeelbesluit van de minister. Daarin staat dat de stad 1.940 plekken voor reguliere asielzoekers moet regelen en 320 voor alleenstaande minderjarigen. Vooral die laatste groep blijkt een probleem. Volgens de advocaat van de gemeente kan Den Haag niet 320 alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) opvangen. ‘Het lukt gewoon niet, ook al komt er een indeplaatsstelling. Je krijgt het gewoon niet voor elkaar.’
Een beleidsmedewerker van de gemeente legt uit dat amv’s ‘de minst populaire’ categorie vormen, omdat de opvang moeilijker te organiseren is. ‘De opvanglocatie moet kleinschalig zijn. Dertig tot veertig per locatie, is de voorkeur van het COA. Wij hebben ook de plicht deze groep binnen twee maanden onderwijs te geven. Wij kunnen er niet alleen vanuit een opvang-blik naar kijken, die luxe hebben wij niet.’
De advocaat van de staat zegt ‘niet te kunnen volgen’ waarom Den Haag bezwaar maakt. ‘Waarom is er wel opvang te regelen voor reguliere asielzoekers, waartoe ook kinderen behoren, maar niet voor 320 alleenstaande minderjarigen?’
Volgens hem heeft Den Haag het zichzelf moeilijk gemaakt. Het nieuwe stadsbestuur onder aanvoering van Richard de Mos besloot in juli een voorgenomen opvanglocatie voor asielzoekers in het leegstaande HagaZiekenhuis te schrappen. Daar zou plek komen voor 450 asielzoekers. De nieuwe coalitie wilde liever kleine locaties waar mensen ‘op een menswaardige manier kunnen worden opgevangen’. De advocaat: ‘Dat mag, maar dan moeten die locaties er wel komen.’
Bij de verdeling over het land houdt de minister rekening met inwoneraantal en het gemiddeld inkomen, opleidingsniveau en het aantal werkenden in een gemeente. Vervolgens bespreken gemeenten met de provincie hoe ze de opvangplekken precies verdelen. Als ze er niet uitkomen, verdeelt de minister de (resterende) opvangplekken zelf.
Dat klinkt redelijk en de rechters vragen dan ook meermaals waartegen Den Haag zich precies verzet: tegen het systeem of iets anders? ‘Stel nou dat de minister met uw verzoek akkoord gaat en 20 procent extra plekken bij andere gemeenten stalt, wat zou dan daarvoor de juridische verantwoording zijn?’, vraagt een van de rechters.
Volgens de gemeente moet de minister rekening houden met het aantal alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv’s) dat een gemeente al opvangt. De Raad van State moet beoordelen of de minister dat had moeten doen.
De centrale vraag is of het systeem, dat juist als doel heeft aan de hand van objectieve criteria opvangplekken toe te wijzen, zulke individuele factoren zou moeten meewegen. Diezelfde vraag ligt op tafel in een andere zaak dinsdag bij de Raad van State, tussen de gemeente Zwijndrecht en de provincie Zuid-Holland.
Die zaak draait niet om asielzoekers, maar om de huisvesting van statushouders. Ook daar geeft het Rijk wettelijke taakstellingen voor gemeenten, elk halfjaar opnieuw. Provincies moeten erop toezien dat gemeenten eraan voldoen.
In 2023 presteerde Zwijndrecht op dit punt nog beter dan voorgeschreven, maar sinds 2024 liep het tekort aan gehuisveste statushouders snel op tot 85 eerder dit jaar. In januari besloot de provincie dat Zwijndrecht nog één jaar heeft om het tekort op te lossen, anders zou de provincie dat zelf doen via een indeplaatsstellingsbesluit – eenzelfde formule dus als bij de Spreidingswet.
De gemeente ging in beroep. Volgens Zwijndrecht lag er een goed huisvestingsplan, waarin werd uitgelegd hoe de achterstanden in minimaal drie en maximaal vijf jaar zouden worden weggewerkt. De provincie zou niet goed hebben gemotiveerd waarom dat plan niet acceptabel was. ‘Anders hadden we het kunnen aanpassen’, aldus een beleidsmedewerker.
Volgens de provincie was het plan ‘volstrekt onvoldoende’, omdat er geen concrete maatregelen in stonden en een tijdspad van vijf jaar werd beschreven ‘terwijl elke taakstelling binnen een halfjaar gerealiseerd moet zijn’.
Opmerkelijk genoeg blijkt tijdens de zitting dat de gemeente het tekort inmiddels bijna helemaal heeft weggewerkt, onder meer door samenwerking met woningbouwcorporaties. Er ontbreken nog maar negen woningen voor statushouders. ‘Ons besluit heeft daarmee het gewenste effect gehad’, aldus de advocaat van het provinciebestuur.
Ondanks die inhaalrace wil de gemeente toch dat de indeplaatsstelling van tafel gaat. Waarom, wil de rechter weten. ‘Hoewel de finish in zicht lijkt, kan de schipper nog altijd stranden in het zicht van de haven en dan hebben we in januari nog altijd een tekort. Wij hopen en verwachten dat we de deadline halen en dat we volgend jaar een heel andere relatie met de provincie hebben.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant