Home

Arnon Grunberg zegt bijna niets én heel veel over 7 oktober: verbijsterend, ontroerend, ironisch

In Himmler in New York doet Arnon Grunberg het onmogelijke: hij maakt literatuur van 7 oktober 2023. Hoe? Hij laat de realiteit bewust los en zet er – heel grunbergiaans – ironische overdrijving voor in de plaats.

is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Een roman over iemand die terugblikt op een problematische tienervriendschap, over een bokser die de relatie tot zijn lichaam onderzoekt, over een kunsthistorica die met de beschrijving van voorwerpen rouw ‘op afstand’ probeert te houden, over een actrice die wordt geconfronteerd met ‘demonen uit haar verleden’ – de boeken liggen me op mijn bureau aan te staren: aan intieme en persoonlijke verhalen geen gebrek.

Maar zou literatuur niet juist nu wat meer over de wereld moeten gaan? Over alles wat daarin gaande is? Geëngageerder moeten zijn?

Nee, literatuur moet niets. Kunst is waardevol, juist omdat ze zich onttrekt aan alle regels. Niets moet en alles kan zijn. Zelfs navelpluis. Maar het mag wel, engagement. En de roep erom is gezien de tijd (één voor twaalf) begrijpelijk. Graag niet nóg een boek over moeders dood en het opruimen van de zolder.

Het probleem is alleen dat geëngageerde literatuur vaak geen literatuur is. De schrijver pepert de lezer iets in dat die lezer allang weet. (AI gevaarlijk. Oorlog slecht. Toekomst dystopisch.) Het is een pleidooi, of erger: een preek vermomd als roman. Meestal is het niet interessant om te lezen omdat er geen oog of ruimte is voor de nuances van het onderwerp; de schrijver zit er door al het engagement te dicht bovenop.

Recht doen aan het leed

Dat geëngageerde literatuur toch geen contradictio in terminis is, bewijst Arnon Grunberg (1971) met zijn zeventiende roman, Himmler in New York. Daarin doet hij wat haast onmogelijk of zelfs ongepast lijkt: literatuur maken van 7 oktober 2023. Hoe kun je erover schrijven? En: hoe kun je er níét over schrijven? De terreuraanval van Hamas en alles wat daaruit voortvloeide raakt zo veel levens, ook vandaag, ook morgen en overmorgen, dat het wel literatuur móét worden. Het is het onderwerp waarbij zo’n beetje iedereen, linksom of rechtsom, diep engagement voelt en toch zullen veel schrijvers er hun vingers niet aan willen branden. Want hoe kun je recht doen aan de complexiteit, het leed, de geschiedenis, hoe zet je een laatste punt terwijl het geweld doorgaat?

Het antwoord is misschien wel: met ironie – niet toevallig Grunbergs meest beproefde stijlmiddel. Het is een hardnekkige misvatting dat ironie en engagement niet samengaan; voor Grunberg lijkt ironie juist een voorwaarde voor geëngageerde literatuur.

Pas als je de materie kunt ironiseren sta je erboven, kun je die van een afstandje beschouwen, becommentariëren en romantiseren – om er uiteindelijk dieper in door te dringen.

Himmler in New York dus, al heeft de Himmler in kwestie (een achterneef van de SS-baas) zijn besmette achternaam ingekort tot H. Zijn naam officieel laten wijzigen om er voorgoed van af te zijn wil hij niet, want zonder dat stigma kan hij niet zijn wat hij zich heeft voorgenomen: een goede Duitser.

Een goede Duitser zal de smet van de Holocaust nooit helemaal wegpoetsen, een goede Duitser wil zich daarover schuldig blijven voelen, een goede Duitser schaamt zich altijd een beetje. H heeft zichzelf nog meer leefregels opgelegd: een goede Duitser draagt geen leren handschoenen (te fascistisch), een goede Duitser vertoont sociaal wenselijk gedrag op elk moment van de dag ‘en soms ook ’s nachts’, een goede Duitser ‘grijpt niet in als andere kinderen het eigen kind wegduwen bij de geiten’ – alles om anderen maar niet in de weg te zitten.

H is getrouwd met Soshanna, een Joodse vrouw met wie hij een Joods kind heeft gekregen dat ze, ‘om de geschiedenis een loer te draaien’, Yehuda Himmler hebben genoemd (funfact: yehuda betekent ‘lof’ of ‘hij zal geprezen worden’. Himmler zal geprezen worden, mijn hemel). Samen wonen ze in New York, totdat Soshanna erachter komt dat H een affaire heeft. Woedend vertrekt ze naar haar ouders in Israël, alwaar ze op 7 oktober een muziekfestival bezoekt.

And the rest is history.

Door en door grunbergiaans

Ware het niet dat het leven gewoon doorgaat, ook als je vrouw in een tunnel van Hamas zit. De 4-jarige Yehuda heeft zo zijn noden en Talia, H’s minnares, heeft hooggespannen verwachtingen van hun relatie. Tot hij wéér vreemdgaat, dit keer met een activiste die bewustwordingsbijeenkomsten over Palestina organiseert en een ‘moreel appel’ op hem doet door naakt in het bed van haar overleden man te gaan liggen. Hij moet daar wel bovenop gaan liggen, als goede Duitser.

H is een door en door grunbergiaans personage. Hij deed me het meest denken aan Hofmeester, de vader in Tirza (2006); ook een op het oog beschaafde man die zielsveel van zijn kind houdt, maar ondanks al zijn inspanningen niet kan voorkomen dat iedereen zich van hem afkeert en dat zijn zorgvuldig geconstrueerde identiteit langzaam afbrokkelt. Alleen is H misschien nog wel eenzamer, juist omdat hij dat zoontje altijd bij zich heeft, voor wie hij zich steeds groot moet houden, ook al is hij meermaals een inzinking nabij.

Het is ook niet voor het eerst dat Grunberg de blik op het Heilige Land richt en daarbij de nazi’s optrommelt. In De joodse messias (2004) voert hij nota bene de kleinzoon van een SS’er op die zich geroepen voelt ‘de joden te troosten’ en minister-president wordt van Israël, waar zijn verlossingsdrang uitloopt op massavernietiging.

In Bezette gebieden (2020) vertrekt Otto Kadoke naar een Joodse nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, waar hij als verlosser wordt ontvangen en met een orthodoxe Jodin trouwt die tijdens de seks pas opgewonden raakt als hij zich voordoet als Obersturmbannführer, compleet met SS-pet.

Met Himmler in New York vormen deze romans als het ware een thematisch drieluik over Joodse identiteit, historische schuld, slachtofferschap en het verlangen naar verlossing en verlossen. Grunbergs wantrouwen tegenover mensen die denken dat ze anderen kunnen redden is steeds de ondertoon. Goede bedoelingen slaan vrijwel altijd om in obsessies, affaires, gekte en geweld.

Himmler in New York roept allerlei tegenstrijdige gevoelens op. God, wat is die H een sneue klootzak die het toch ook wel weer goed bedoelt allemaal. Wat heeft hij een zelfinzicht maar óók een ontzettend bord voor z’n kop. Wat is hij lief voor zijn kind, veel te lief, verstikkend lief. En al die vrouwen, zulke verschrikkelijke krengen. Talia laat zelfs haar thee passief-agressief trekken. Maar ze hebben wel gelijk!

Het is vreselijk en grappig en irritant en ontroerend. Het gedoe tussen H en Talia, wat duurt dat eindeloos lang. (Maar weet je wat pas écht lang duurt? De gijzeling, de oorlog.) En och, dat arme kind dat elke dag naar zijn moeder vraagt. ‘Ik mis mama zo. Hoeveel nachtjes slapen nog?’ (Misschien komt het doordat ik zelf een kind van 4 heb, maar nooit eerder kreeg ik bij Grunberg een brok in mijn keel.)

En soms is het onbegrijpelijk. Al die seks, waar dient die voor? Mis ik iets als ik in de befscène met ‘vermoedelijk de grootste kut ter wereld’ niet direct de link met Gaza kan leggen? Hoe zit het met de Israëlische ex-scherpschutter genaamd Arnon die al jonglerend zijn trauma’s te lijf gaat? Waarom wordt het kind alsmaar ‘de laatste Jood’ genoemd – ‘H veegt de billen van de laatste Jood’, ‘de laatste Jood bestelt garnalendumplings’, ‘de laatste Jood heeft last van eczeem’ – is dat alleen maar om te lachen?

Grunberg laat de oorlog met rust, maar zijn personages krijgen de volle laag. Die laat hij gerust de (vermoedelijk) grootste kut ter wereld likken terwijl ze met een zwarte dildo ritmisch op hun hoofd worden geslagen en ondertussen het idee krijgen om op Bonaire een tweede Joodse staat te stichten. ‘Heel leuk voor de Joden, kunnen ze lekker gaan snorkelen’, reageert iemand (een fictieve Mark Rutte, lang verhaal) op dit plan.

Navelpluis

‘Wie de wereld wil veranderen moet eerst het contact met de realiteit verliezen’, bedenkt H op een gegeven moment.

Grunberg laat de realiteit bewust los en zet er ironische overdrijving voor in de plaats. Zo lukt het hem bijna niets én juist veel over 7 oktober te zeggen. Grunberg beschrijft uitgebreid het navelpluis, pagina’s lang maken H en Talia ruzie in een Italiaans restaurant, boven een bord gebakken kokkels (‘knoflook, olijfolie, wat pepertjes’) – maar gaat het niet te weinig over de gedode kinderen in Gaza?

‘De kleine geschiedenis overschaduwt de grote geschiedenis’, constateert H, die veel meer in zijn maag zit met de nieuwe minnaar van Talia (een naakte heideggeriaan met een matige huid) dan met Hamas. Het gewone leven moet en zal doorgaan, is Grunbergs punt. In feite schrijft hij dus geëngageerd anti-engagement; een bewonderenswaardige paradox. En een functionele bovendien: waar de opgelegde moraal (vind hier iets van/doe hier iets aan/zeg hier iets over) wegvalt, kan iets waarachtigs ontstaan.

H ontmoet een tijdlang elke donderdagmiddag een orthodoxe Jood, genaamd Meyer. Ze neuken in een hotelkamer. Het is steeds Meyer die wordt gepenetreerd, als ‘gehoorzame en onderdanige Jood’, en hoe amoreel dat ook klinkt, alles is precies zoals het moet zijn in die kamer. Liefdevol en teder. Deze kleine verhaallijn is de kern van het boek. Het is de enige plek waar de moraal wordt afgelegd, het enige moment waarop H écht zichzelf kan zijn (en Meyer trouwens ook). Niet de goede Duitser, niet de beschaafde vader, maar iemand die een ander onderwerpt. Die diep vanbinnen meent dat gehoorzaamheid en onderdanigheid de beste menselijke eigenschappen zijn. Ziedaar de manifestatie van H’s oudoom, de Reichsführer-SS, die in speeches gehoorzaamheid expliciet en onderwerping impliciet noemde als belangrijke deugden. Zó is H dus, als je hem uitkleedt.

Voor de veiligheid heeft hij er zijn beroep op aangepast: hij is postzegelontwerper geworden. Alleen op de vierkante millimeter mag hij heersen. In de wereld van de postzegel is hij een hele grote.

Arnon Grunberg: Himmler in New York. Nijgh & Van Ditmar; 416 pagina’s; € 27,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next