Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. David (40) moest als duiker van het arrestatieteam lichamen bergen uit een auto die in de Lek was gereden.
interviewt politiemensen over aangrijpende incidenten en wat zij daarvan hebben geleerd, in de serie Die ene melding.
‘Een dode vrouw kwam bovendrijven in het water bij de pont van Schoonhoven. Ik was pas een halfjaar duiker bij het arrestatieteam en werd ’s avonds thuis gebeld: ‘Kun je komen? Er wordt een gezin vermist.’
‘Ik reed naar het bureau, pakte mijn tas met duikspullen uit het duikhok en vertrok naar Schoonhoven. Onderweg hoorde ik dat er een tweede vrouw was gevonden. Bij aankomst zag ik veel politie en een witte tent waarin die vrouw werd onderzocht.
‘Op de oever van de Lek praatte onze duikploegleider me bij. Een vader, moeder en twee volwassen dochters waren na een bruiloft niet thuisgekomen. Daarna gingen wij, de duikploeg, aan boord van een boot van Rijkswaterstaat die al met sonar aan het zoeken was.
‘Daar kregen we foto’s te zien van het gezin, genomen tijdens de bruiloft. Iedereen droeg feestkleding. Ik zag een dochter die stond te shinen in een prachtige lange, bordeauxrode jurk met gouden versiersels. Ze lachte en ik dacht: wat een drama.
‘We zien een voertuig’, zei de bediener van de sonarapparatuur, waarna wij onze duikuitrusting aantrokken. Ik ging als eerste het water in en zakte naar beneden. In donker en troebel water werkt je duiklamp hetzelfde als bij rijden met groot licht in de mist: je ziet bijna niks. Wel voelde ik scherpe randjes van schelpen die zich op het voertuig hadden vastgezet.
‘Dit is ’m niet’, zei ik via mijn seinlijn – in mijn duikmasker zit een microfoontje waarmee ik onder water met de duikleider kan communiceren. Ik ging weer naar boven, ritste mijn droogpak halfopen en dronk op de kade koffie met mijn collega’s, terwijl we wachtten op bericht vanaf de boot, die zigzaggend verder zocht.
‘Rond middernacht scheen de boot van Rijkswaterstaat zijn zoeklicht op één vaste plek in de rivier en werden we gebeld dat daar ook een voertuig lag. Een collega ging het water in en gaf via zijn seinlijn het kenteken door. ‘Dat is hem’, bevestigde onze ploegleider. De auto lag op z’n kop. Vervolgens hoorden we: ‘Op de achterbank zit een vrouw, ze zit vast, ik krijg haar er niet uit.’
‘Daarna zwom ik naar die plek, zo’n 40 meter van de kant. Ik kwam bij een halfopen achterdeur, scheen met mijn duiklamp en herkende de lange, rode jurk met gouden pailletten. Ik probeerde de vrouw naar buiten te trekken, maar ze zat met haar hoofd vast tussen haar hoofdsteun en de deurstijl. Ik kon met mijn hand achter haar hoofd komen en heb dat rustig losgewrikt. Daarna zwom ik met haar in mijn armen naar boven, richting de pont.
‘Aan de oppervlakte houden we een lichaam altijd onder water, omdat zuurstof chemische processen in gang zet. We willen niet dat eventuele nabestaanden die staan te kijken ervan schrikken, want lichamen die lang in het water liggen, zien er vaak niet fijn uit. Collega’s lieten een oranje lijkzak zakken, daar heb ik haar in gedaan. Daarna werd ze met een takel naar boven gehesen en op een brancard gelegd.
‘Toen misten we nog één persoon: de vader. Ik zwom terug en trok de deur aan de bestuurderskant open. Meteen zag ik twee witte sneakers. Ik trok de bestuurder aan zijn broek naar buiten en bracht ook hem naar boven.
‘Ik ging nog een derde keer terug, sloot alle deuren en bevestigde een lier aan de assen, waaraan de auto over de rivierbodem naar de kant werd getrokken en door het takelteam omhoog werd getakeld. Daarna gingen we debriefen, het was al diep in de nacht.
‘Sindsdien kijk ik niet meer naar foto’s van slachtoffers als dat niet per se hoeft. Het klinkt misschien oneerbiedig, maar bij duikklussen beschouw ik lichamen die ik moet bergen als een pop, er zit geen leven in, ik kijk er zakelijk naar. Maar bij deze klus had ik die foto gezien van die lachende meid in een prachtige jurk, die ik onder water herkende op de achterbank. Dat doet wat met je. Door die foto kwam zij tot leven, het lukte me niet om daar zakelijk naar te kijken. Dan wordt je werk een stukje zwaarder.
‘Familieleden publiceerden een gedicht in de plaatselijke krant over dit gezinsdrama, met als titel: ‘De weg die eindigt in de Lek’. Ik heb het uitgeknipt en bewaard, want het was ook gericht aan ons, de politie. Er staat onder meer: ‘Heldhaftig heeft de politie in het donker gestreden / van onschatbare waarde is wat zij deden / terwijl zij het gevaar niet meden / zodat wij jullie met aarde konden bedekken.’
‘Dat is ons werk: het opduiken van bewijsmateriaal zoals telefoons of vuurwapens en het bergen van lichamen, waardoor familie afscheid kan nemen. Soms is het moeilijk werk, soms gevaarlijk, soms vies, vooral als een lijk lang in het water ligt, maar altijd mooi voor nabestaanden als het lukt.’
Davids naam is om veiligheidsredenen gefingeerd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant