Home

‘Ik voel mij niet thuis in Nederland, ik heb er veel verdriet gehad’

Marietje Boserup-De Man is 100 jaar. De in Nederland geboren Deense speelt elke avond een potje bridge en noemt zichzelf ‘enorm gevoelig’.

Marietje Boserup-De Man is de dochter van Herman de Man, pseudoniem van Herman Samuel Hamburger. In zijn tijd was hij een bekend schrijver van literaire streekromans, zoals Het wassende water.

De 100-jarige koestert weinig warme gevoelens voor het land waar haar wieg stond. ‘Ik heb er veel verdriet gehad’, zegt ze. Dat was dan ook de reden om Nederland de rug toe te keren. Ze emigreerde op haar 26ste naar Denemarken, vertelt ze in haar appartement in Hellerup, een voorstad van ­Kopenhagen.

Waar beleeft u nog plezier aan?

‘Aan bridgen. Ik ga elke dinsdag naar de bridgeclub en iedere avond bridge ik internationaal, op de computer. Alle spelers hebben een eigen profiel, waaruit je kunt opmaken waar iemand woont en op welk niveau diegene speelt. Bij mij staat er: Deens, en expert.

‘Ik luister veel naar klassieke muziek en bezoek geregeld concerten. En ik lees elke dag de krant, Politiken. Ik ben zeer bezorgd over de mensen in Gaza en het barbaarse optreden van het Israëlische leger. Maar evengoed over de oorlogen in Oekraïne, Soedan en Jemen. En het stupide gedrag van Donald Trump. De toekomst van mijn kinderen en kleinkinderen ziet er angstig uit, dat houdt mij erg bezig.’

U woont al bijna 75 jaar in Denemarken, voelt u nog een band met Nederland?

(Stellig:) ‘Nee.

‘Ik voel mij niet thuis in Nederland. Er liggen veel slechte herinneringen. Ik heb er veel verdriet gehad. Toen 3,5 jaar geleden zes Stolpersteine voor mijn ouderlijk huis in Berlicum werden geplaatst, kon ik het niet opbrengen om erbij te zijn. Mijn oudste dochter Eva en haar man zijn gegaan.’

Hoe kwam u op uw keuze om naar Denemarken te emigreren?

‘In 1930 stond er een annonce in de krant; of een Hollandse familie in de zomer een jongen uit Denemarken in huis wilde nemen. Mijn moeder is naar Amsterdam gegaan om hem op te halen. Erik heette hij. Negen jaar lang kwam hij elke zomer bij ons logeren. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog schreef hij mij in een brief dat het nu zijn beurt was om mij te inviteren. Ik moest mijn bezoek aan Erik uitstellen, omdat mijn vader in de zomer van 1945 terugkwam. De hele oorlogstijd zat hij in het buitenland, eerst twee jaar in Frankrijk, waar hij aan zijn boeken schreef, daarna werkte hij in Londen bij Radio Oranje en de laatste oorlogsperiode bij een radio-omroep op Curaçao.

‘Een jaar later, in september 1946, ben ik een paar weken naar Erik en zijn familie in Denemarken gegaan. Ik vond het zo’n heerlijk en mooi land. En zo rustig. Ik besloot meteen dat ik daar wilde gaan wonen. Ik had behoefte aan rust, dat heb ik nog steeds.’

Hoe was het weerzien met uw vader?

‘Vreselijk. Hij kon niet begrijpen dat ik tijdens de oorlog niet had gestudeerd. Door de anti-Joodse maatregelen mocht ik mijn middelbare school niet afmaken. Mijn vader was ook boos omdat mijn broer Joost en ik begrip hadden getoond voor onze moeder, die hem in een brief in de eerste oorlogsjaren had laten weten dat ze van hem wilde scheiden.

‘Er werd nauwelijks gesproken over mijn moeder, twee zusjes en drie broertjes die 2 augustus 1942 waren weggehaald uit ons huis in Berlicum en een paar dagen later werden vermoord in Auschwitz. Joost was op dat moment in het seminarie in Weert, waar hij studeerde voor priester. Ik was op een verjaardag in Den Bosch en bleef daar logeren. Mijn moeder had de dag voordat ze werd meegenomen, nog gezegd dat ze optimistisch was over de toekomst. Katholieke Joden zouden gespaard blijven. Wij waren katholiek.

‘Ik was ziek van verdriet. Mijn gastgezin vond een onderduikadres voor mij, bij een kapelaan en zijn zus. Ze waren erg goed voor mij, ik hield enorm veel van ze. Toen mijn vader in de zomer van 1945 terugkeerde naar Nederland, wilde hij mij daar weg hebben, hij vond mij niet geciviliseerd. Ik moest van hem naar een familie in Tilburg om te leren hoe te eten, de tafel te dekken en gasten te ontvangen. Dat vond ik verschrikkelijk.

‘Daarna wilde mijn vader dat ik bij hem in Eindhoven kwam wonen. We hadden twee kamers. Hij gedroeg zich hetzelfde als voor de oorlog: als een dictator. Ik moest voor hem zorgen en al het huishoudelijke werk doen. Als iets hem niet zinde, sloeg hij mij. Ik vertelde dat ik verpleegkundige wilde worden. ‘Dat kun je niet, daar ben je te stupide voor’, zei hij.

‘Voor mij was het een bevrijding dat mijn vader in november 1946 stierf. Anders was ik nooit van hem afgekomen. Hij kwam om bij een vliegtuigongeluk op Schiphol. Ik heb er geen moment verdriet om gehad.’

Hoe redde uw moeder zich met zeven kinderen in de eerste twee oorlogsjaren?

‘Ze was fantastisch. Ze kreeg hulp van vrienden. Kunstschilders lieten haar hun schilderijen verkopen, een deel van de opbrengst mocht ze houden. We hadden gelukkig genoeg te eten uit onze tuin, maar het was een vreselijke tijd.’

Welke jeugdherinnering is u dierbaar?

‘Mijn moeder nam mij voor de oorlog vaak mee naar concerten in Den Bosch, klassieke muziek. Daar genoot ik van. Ze deed veel voor haar kinderen. Ze was zacht en geduldig, het tegenovergestelde van mijn vader, die streng was en driftig werd als we niet precies deden wat hij zei. Natuurlijk waren er ook leuke momenten met hem.

‘Mijn moeder was intelligent, sprak vloeiend Frans en Duits en hield voordrachten voor de radio, over uiteenlopende onderwerpen. Ze deed niet veel in het huishouden, want daarin was ze niet geïnteresseerd, tot woede van mijn vader, die haar daarom sloeg. Hij legde een groot beslag op haar, ze typte al zijn manuscripten uit.

‘Mijn jeugd was een angstige tijd. We waren allemaal blij als mijn vader weg was, als hij weken naar Frankrijk ging om te schrijven. Dan hadden we het heerlijk met elkaar. Mijn moeder was dan ook heel anders, relaxed. Als kinderen zagen we dat ze ongelukkig was in haar huwelijk, dat ze niet tegen onze vader was opgewassen. Ze was erg gevoelig.’

Gé Vaartjes schreef een vuistdikke biografie over het leven en werk van uw vader. Deed u door het boek nieuwe inzichten op over hem?

‘Met Gé heb ik veel over mijn vader gesproken. Mijn conclusie is dat hij manisch-depressief was.’

Hoe ging het verder met u nadat uw vader was verongelukt?

‘Ik was vastbesloten weg te gaan uit Nederland, maar ik wilde eerst een opleiding volgen voor verpleegkundige. Ik ging ziekenhuizen in Utrecht en Amsterdam langs om te vragen of ze leerlingen nodig hadden. Nergens maakte ik kans, omdat ik geen diploma had van de middelbare school. Op een vrijdag ben ik naar een ziekenhuis in Den Haag gegaan en vertelde de portier dat ik de directrice wilde spreken. Ik kon haar bellen, zei hij. Nadat ik mijn naam had genoemd, klonk aan de andere kant van de lijn: ‘Kom meteen!’. Op haar kantoor zei de directrice: ‘Je wilt verpleegkundige worden hè. Over drie weken start een nieuwe opleiding en kun je beginnen.’

‘De directrice vroeg of ik niet verbaasd was dat ze wist dat ik verpleegkundige wilde worden. Ze vertelde dat in 1941 mijn moeder bij haar op bezoek was geweest om te vragen of haar dochter leerling-verpleegkundige kon worden op de kinderafdeling. Dat kon niet, omdat ze geen Joodse leerlingen mocht aannemen van de Duitse bezetter. Ze had twee uur met mijn moeder gesproken, die zo’n indruk op haar had gemaakt, dat ze haar en haar naam nooit was vergeten. De naam De Man was door het schrijverschap van mijn vader ook vrij bekend in die tijd. Dus toen de directrice aan de telefoon hoorde dat ik Marietje de Man was, wist ze meteen dat ik die dochter was die zo graag in het ziekenhuis wilde werken. Ik wist niet dat mijn moeder in 1941 voor mij bij de directrice was langs geweest.

‘Ik slaagde cum laude voor mijn examen, ben een jaar naar Bretagne gegaan om een gezin met kleine kinderen te helpen, totdat Erik liet weten dat de papieren voor Denemarken in orde waren en ik kon emigreren. Hij had mij ook geholpen aan een baan in het academisch ziekenhuis in Kopenhagen, waar ik kon wonen in een zusterflat.

‘Meteen de eerste avond in Denemarken ontmoette ik op een feestje waarvoor ik was uitgenodigd de man met wie ik twee jaar later zou trouwen, William Boserup. Hij was econoom en werkte voor de OECD (Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, red.). We kregen twee kinderen. Ik was volop aan de gang en had weinig tijd om na te denken over vroeger, die tijd heb ik nu wel. Toen de kinderen klein waren, werkte ik niet, maar zodra ze een jaar of 15 waren, pakte ik de draad weer op. De laatste jaren voor mijn pensioen was ik leidinggevende in een verpleeghuis voor ouderen. Ik hield veel van de mensen die ik verzorgde.’

Hoe zou u uzelf typeren?

‘Enorm gevoelig, ik trek mij veel aan en kan reuze bedroefd zijn. Maar ik ben gelukkig in Denemarken, en met mijn lieve dochters, schoonzoons en kleinkinderen. Wat ik miste in Nederland, heb ik hier gekregen: liefde en rust.’

In ‘Herman de Man, een biografie’ door Gé Vaartjes komt Marietje Boserup-De Man ook geregeld voor.

geboren: 14 mei 1926 in Vianen

woont: zelfstandig, in Hellerup, Denemarken

familie: 2 kinderen, 3 kleinkinderen

beroep: verpleegkundige

weduwe sinds 2002

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next