Home

De politieke impasse heeft diepere oorzaken. Den Haag, denk erover na

nieuwsbriefMachtige Tijden

Machtige Tijden Een voorname verklaring voor de bestuurlijke impasse is de crisis van de politieke partij. Hoe beter de partij voor zichzelf opkomt, hoe negatiever haar invloed op het bestuur. Een kleine ontleding van het vraagstuk – en een verkenning van de oplossing.

De grilligheid van de politieke agenda: die zou ook een studie waard zijn. Drie jaar geleden ging het in de verkiezingscampagne over bestaanszekerheid. Het vraagstuk is niet verdwenen, constateerde het SCP laatst, maar de politieke aandacht lijkt geluwd.

Vijf jaar geleden waren er rond de Toeslagenaffaire zorgen over de agressieve bestrijding van uitkeringsfraude. Dinsdag stemde de senaat over een wet die deze bestrijding wil verzachten. PVV, BBB en JA21 waren tegen. „JA21 wil een harde aanpak van opzettelijke fraude”, zei die partij. Ook de lessen van de Toeslagenaffaire zijn bijna vergeten.

En nu, tijdens dit minderheidskabinet, gaat de aandacht eindeloos naar, inderdaad, dit minderheidskabinet. Zoeken naar eenheid die er amper is. Fracties die constructief doen maar het waarschijnlijk niet zijn. En weinig focus op het structurele vraagstuk dat eronder ligt: de crisis van de politieke partij. 

NRC-collega Petra de Koning ging op stap met Kamerleden die zich in Scandinavië oriënteerden op de praktijk van minderheidskabinetten. Een Noorse oud-premier legde uit dat alles staat of valt met vertrouwen. Nou, zei Kamervoorzitter Thom van Campen, „dat gaat bij ons met ups en downs.”

Vooral downs. Na 9/11 en de moorden op Fortuyn en Van Gogh kreeg het land een bange politieke cultuur. De vertolker daarvan, Geert Wilders, is met de PVV sinds 2010 een van de drie grootste partijen. Tweemaal werkte hij mee aan een coalitie, als gedoogpartner van Rutte I en als coalitiepartner van het experiment-Schoof. Beide keren haakte hij snel af.

Een grote meneer die niet in staat is verantwoordelijkheid te dragen. Zijn politiek werd de Haagse politiek: confronterend, argwanend en angstig voor het compromis. 

Alles staat stil

Nu zijn electorale dominantie niet meer vaststaat, vlassen allerlei partijen en politici – JA21, FVD, BBB, Keijzer, Markuszower – op zijn aanhang. Uiterst rechts bezet 45 zetels, daarvan won de PVV er vorig jaar 26. Daarom spreken die partijen nu zoveel mogelijk de taal van Wilders. Dit bedreigt ook de VVD, die in de slotweken van de vorige campagne grotendeels staande bleef door uiterst rechtse kiezers aan te trekken.

Vooral dit laatste verklaart de bestuurlijke impasse. De VVD heeft in de eigen beleving amper electorale ruimte om naar Pro op te schuiven. Tegelijk wil de aanhang van D66 en Pro dat hun partijen afstand houden van JA21 en de VVD, zodat ook de progressieve flank beducht is voor te veel schappelijkheid. Daarom staat alles stil.

Het heeft ook te maken met de verandering van het partijenlandschap deze eeuw. In de Kamer zitten nog vijf partijen die van de vorige eeuw zijn: SGP (van 1918), VVD (1948), D66 (1966), SP (1972) en CDA (1980). De drie coalitiepartijen zijn dus ook relatief oud, terwijl SGP en SP in de praktijk nooit willen regeren.

En nu komt het: van de tien partijen in de Kamer die deze eeuw zijn gevormd, hebben er de laatste 25 jaar maar drie meegeregeerd. De CU (opgericht in 2004) deed jaren mee. De PVV (2006) en BBB (2019) zaten elf maanden in het experiment-Schoof, dat was alles. De andere zeven (PvdD, uit 2002; 50Plus, 2011; Denk, 2015; FVD, 2016; Volt, 2018; JA21, 2020; Pro, 2026) regeerden nooit. (Pro vertekent hier, de partij is dit jaar opgericht en haar voorloper PvdA regeerde acht jaar in de voorbije kwarteeuw.)

De grote lijn: net als Wilders regeren ook de andere nieuwe partijen deze eeuw zelden. En dus worden coalitiepartijen aan alle kanten omringd door electorale concurrenten. Een haaienvijver. Zo bevorderen vooral die nieuwe partijen dat regeren levensgevaarlijk is. En nu weten we dat een minderheidskabinet daarop het verkeerde antwoord is.

Daar komt de meest onderschatte trend van de 21ste eeuw bij: de opkomst van marketing. In 1997 schreef een CDA-medewerker, Friso Fennema, zijn doctoraalscriptie over politieke marketing: De overeenkomst tussen Clinton en Omo. „In de marketing staat niet het product maar de markt in het middelpunt’’, schreef hij. Politiek gaat dan primair om het bereiken van je electorale markt. De partij wordt een merk.

Fennema werkte van 2006 tot 2009 voor Mark Rutte, dan oppositieleider, toen de VVD de ‘hardwerkende Nederlander’ lanceerde. Een van de effectiefste slogans van deze eeuw. Later stond hij in Den Haag Henk Kamp (VVD) en Lodewijk Asscher (PvdA) bij. Nu is hij directeur communicatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, waar Rianne Letschert (D66) minister is.

Elementair bij marketing is de duidelijke taal. Elk standpunt versimpeld in enkele woorden. Het maakt politiek eenduidig en bevordert radicalisering. In het experiment-Schoof blijkt wat er ontstaat als Wilders, de meester van de duidelijke taal, wordt onderworpen aan de logica van het compromis: chaos.

Die les wordt niet geleerd, blijkt in de campagne van 2025. Oud-campagnestrateeg van de VVD Bas Erlings beschreef dat jaar in Het spel van de populist hoe een partij verkiezingen wint: door „het snelle brein” van de kiezer te raken. In systeem 1 zitten intuïtie, gevoelens, herinneringen, et cetera. Daarin neemt de mens de meeste – ook grote – beslissingen. Systeem 2 is rationeel en analytisch maar speelt amper een rol als mensen hun stemkeuze bepalen. Een campagne is winnend als de partij de kiezer in systeem 1 weet te raken.

Roy Kramer van D66, oud-rechterhand van Alexander Pechtold, bepleitte in Waarom Wilders wél wint (2025) dat middenpartijen de campagnetactiek van populisten overnemen. Niet praten over problemen, oplossingen en dat soort saaiheid. „Ik denk dat je [het populisme] alleen kunt bestrijden met strijd, toegankelijke taal, spannende verhalen, het doorbreken van taboes en door het rekruteren van politici die daartoe in staat zijn”, zei hij in de Volkskrant.

Daarna blijkt dat hun analyse grotendeels klopt. Koploper Henri Bontenbal (CDA) en Frans Timmermans (GL-PvdA) argumenteren rationeel, nemen weinig risico’s, en gebruiken woorden als ‘stabiliteit’ en ‘solidariteit’. Beide verspelen in de slotweken aanhang in de Peilingwijzer.

VVD-leider Dilan Yesilgöz dobbelt met de bestuurlijke reputatie van haar partij om systeem 1 van haar potentiële aanhang te raken. Ze sluit Timmermans uit. Ze zegt dat ze niet meeregeert als de hypotheekrenteaftrek wordt ingeperkt. Zo blijft ze overeind.

Het mes van Wilders

Rob Jetten neemt de grootste risico’s. Hij belooft tien grote steden en elke kenner weet: daar wordt er niet één van gebouwd. Hij belooft een harder asielbeleid en elke kenner weet: dat zal zijn partij zwaar vallen. Hij valt Wilders in debatten frontaal aan en elke kenner weet: die loopt in het mes van de PVV-leider. Maar Jetten brengt Wilders van zijn stuk, niet andersom, en D66 wordt in de slotweek de grootste partij. 

Maar het dilemma blijft: hoe maakt Jetten dit waar? Roy Kramer zei rond de publiciteit voor zijn boek dat er een „veel strikter onderscheid” tussen politiek en besturen moet komen. Voor een campagne heb je mensen nodig die de strijd aangaan. Voor besturen evenwichtige mensen met inhoudelijke kennis.

Maar dat verschil bestaat alleen in dromenland: lijsttrekker Jetten wordt premier Jetten. Ook voor hem hangt na 2025 de dreiging van chaos levensgroot in de lucht. De keuze voor een gammel minderheidskabinet bevestigt dit.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief Machtige Tijden

Elke zaterdag ontleedt Tom-Jan Meeus in zijn nieuwsbrief de politieke week - en laat zien wat bijna niemand ziet

Daarom hebben de op zich correcte analyses van Erlings en Kramer ook iets onheilspellends. Ze kloppen voor partijen. Maar ze kloppen niet voor het land. Het land heeft niets aan partijen die verkiezingen winnen omdat ze gevoelens van kiezers raken. Het land heeft pas iets aan partijen als ze de moed hebben vraagstukken op te lossen. En zich niet baseren op slogans of andere handigheid – maar op feiten.

De partijvorming deze eeuw laat zien dat fusiepartijen een gunstige uitzondering in deze sluimerende impasse zijn. De CU was in 2004 een fusie van twee kleine christelijke partijen en leverde in drie kabinetten negen jaar een bijdrage aan het bestuur. Pro werd in zekere media jaren getypeerd als een diep verdeelde bende. Daarna vielen de PVV en BBB uit elkaar. Nu gaat Pro, vooral dankzij VVD en D66, ruim op kop in de Peilingwijzer.

Het laat zien: fusies kunnen een antwoord op deze chaos zijn. Daarover zouden ook VVD, CDA, D66 en anderen kunnen doordenken. Ook omdat nu wel is aangetoond dat het gros van die nieuwe partijen de grilligheid van de politieke agenda vergroten en per saldo beter voor politici zijn dan voor het land.

Maar vooral: deze politieke cultuur zit te lang vast in een negatieve spiraal. Tien jaar geleden sprak ik in Los Angeles politiek strateeg Bob Shrum, jaren betrokken bij campagnes van de Kennedy’s en de Clintons. Hij zei: kiezers, waar ook ter wereld, verlangen in elke campagne naar vooruitgang. Dus als hij een debat of optreden bekijkt let hij maar op één ding: „Who owns hope?” Die houding – dat zou geen slecht begin zijn.

Opmerkingen, aanmerkingen, observaties, tips? Elke reactie is van harte welkom. Mail me – t.meeus@nrc.nl – of stuur een persoonlijk bericht op mijn LinkedIn.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next