Wat hebben Hamas en het afslankmiddel Ozempic met elkaar gemeen? Voor beide geldt dat wervend erover schrijven juridische consequenties kan hebben. En in het geval van Ozempic trouwens al heeft. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd legde onlangs een aantal media absurd hoge boetes op omdat artikelen over dit afslankmiddel als wervend konden worden gezien.
De journalistiek reageerde ongelovig en verontwaardigd. Hoe kún je nou uit feitelijk juiste journalistieke artikelen over een geneesmiddel het motief afleiden om de lezer naar de winkel (of de huisarts) te laten hollen? Moet dan het hele domein ‘receptgeneesmiddel’ maar immuun zijn voor professionele journalistieke aandacht, anders dan in de taal van de bijsluiter? Wat de maatstaf van de pillenpolitie schijnt te zijn. En welk publiek belang wordt er gediend met het kaltstellen van de wetenschapsjournalistiek in dit domein? Mag de burger misschien zélf beslissen over welke informatie relevant is?
De regel is bewust streng, gezondheidsbelangen gaan boven alles, lees ik op de site van de Inspectie. De consument is kennelijk een kasplantje dat niet tegen „verkoop-bevorderende” informatie kan. Althans tegen informatie die de censor zo wenst op te vatten. Inderdaad, reclame maken doe je „al snel”, wordt erkend. Receptgeneesmiddelen zijn dus voor de journalistiek faliekant afgegrendeld, althans als het gaat om eenduidige informatie over de positieve werking ervan.
Dat wordt dus tikken met de rem erop: Ozempic voortaan met O. aanduiden. Of na ieder ‘positief’ element onmiddellijk een akelige bijwerking benadrukken, of die nou realistisch is of niet. Aanpassen aan de censor deed de pers tachtig jaar geleden voor het laatst. Wel de invasie op D-day vermelden, maar daarna vooral de Duitse reactie: „Bloedige offergang op Moskou’s bevel”. Mocht de lezer zelf uitmaken wat er waar was. Of ‘verkoop-bevorderend’. Ongelooflijk.
Vergeleken daarmee is het plan van het kabinet-Jetten om het „verregaand loven en prijzen” van gepleegde ernstige terreurdaden te verbieden, hooguit een rimpeling op een terrein waar al beperkingen gelden. Denk aan de al lang verboden laster (twee jaar cel), smaad (één jaar) en opruiing (drie jaar) – wat voegt een nieuw ‘uitingsdelict’ als het verheerlijkingsverbod (twee jaar) daaraan toe? Volgens de memorie van toelichting is het vooral bedoeld om onschuldige minderjarige zieltjes te beschermen tegen IS-onthoofdingsvideo’s en obscure radicale predikers.
De maatstaf ‘verregaand loven en prijzen’ van terreur is bovendien helderder dan ‘kan de verkoop bevorderen’, waar geneesmiddelpubliciteit op sneuvelt. ‘Loven en prijzen’ is een religieus begrip, ook wel gezien als de ‘hoogste vorm van bidden’ en overigens een bijbels cliché. Laaiend enthousiast zijn, de hemel inprijzen, (God) eer betonen. Loven en prijzen betekenen bovendien hetzelfde. Bij ‘verregaand’ stel ik me een evangelisch enthousiasme voor, een geloofsdrift, waarin zich iets overdadigs en buitensporigs manifesteert. Het is meer dan positief zijn, aanmoedigen of begrip tonen in tekst of beeld. Het is over the top enthousiast zijn, aanbidden, in vervoering ‘halleluja, prijs de Heer’ (of Hamas) roepen.
Andere EU-landen kennen dergelijke strafbepalingen ook, maar daar is ingrijpen door de overheid veel makkelijker dan hier voorgesteld. In Frankrijk is de maatstaf het ‘publiekelijk instemmen met’ terrorisme. In het Verenigd Koninkrijk gaat het om het opzettelijk aanmoedigen van anderen tot terrorisme, of (zelfs) het risico nemen dat jouw uiting dat tot gevolg heeft. Ongeveer de maatstaf van de Ozempic-casus dus.
In Denemarken is het verboden terroristische misdrijven te ‘vergoelijken’, wat nóg meer kan omvatten. Duitsland verbiedt goedkeurende uitlatingen over onder meer terroristische misdrijven. In Spanje is ‘publiekelijk prijzen’ of rechtvaardigen van terreurdaden verboden. De Deense wet heeft het ook over ‘publiekelijk vergoelijken’ van terreur en het ‘bevorderen van activiteiten’ van terreurgroeperingen. Boterzachte criteria dus, die behalve de uiting zelf, vooral ook de (mogelijke) gevolgen strafbaar stellen. Dat gaat vele malen verder dan het kabinet van plan lijkt.
Vooralsnog lijkt het mij nog vrij makkelijk om in Nederland het publieke debat onder die drempel van ‘verregaand loven en prijzen’ te voeren. En dus desgewenst neutraal, positief of constructief over terreurgroepen te mogen berichten. In ieder geval vele malen makkelijker dan het publiek ongehinderd mogen informeren over revolutionaire afslankmiddelen.
Waarmee niet gezegd is dat het Nederlandse ‘verheerlijkingsverbod’ daarmee ook onproblematisch is. Integendeel. Er is immers een onmiskenbare tendens in de politiek bij (radicaal)-rechts om actiegroepen te demoniseren en ingrijpen te bepleiten bij onwelgevallige demonstraties. Dat zo’n wetsvoorstel in deze context dan alarmbellen doet afgaan, is terecht. Ik moet ook nog maar zien wat er in praktijk terechtkomt van de volgende belofte uit de memorie van toelichting: dat „uitlatingen in een journalistieke of informatieve context, of die onderdeel zijn van satire of kunst, en als zodanig ook bijdragen aan het publieke debat, niet onder de voorgestelde strafbaarstelling vallen”.
Precies de vrijstelling die ik miste bij de regelgeving voor berichtgeving over receptgeneesmiddelen: ‘bijdragen aan het publieke debat’. Je kunt je ook afvragen of het verbod op ‘overdadig loven en prijzen’ wel iets toevoegt aan de eveneens verboden opruiing. Dat levert regelmatig nuttige strafzaken op tegen types die op sociale media anderen feitelijk tot terreur aansporen, dan wel tot het martelaarschap. Dan lijkt dit voorstel vooral een oplossing voor een probleem dat al lang bestreden wordt. En velen nodeloos intimideert die achter aanslagen de motieven willen onderzoeken of beschrijven, in beeld, geluid of tekst.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie