De hel is weer terug van weggeweest - ook in de populaire cultuur. Maar wat de hel tussen alle brandende vakantieoorden tot oorlogsellende voorstelt, is intussen een lastig vraagstuk.
Een goede vriend haalt eind deze maand een skelet van zolder, plaatst het op de bagagedrager van zijn fiets om vervolgens in een duivelskostuum door Den Haag te peddelen. ‘Je moet er wel een beetje moeite voor doen’, zegt hij grijnzend. ‘Maar ik trek er veel aandacht mee.’
Met de oorsprong van Halloween heeft zijn verkleedpartij zo goed als niets te maken. Want ooit ging men de straat op, niet om vrees aan te jagen of mensen aan het lachen te maken. Nee, het was bittere ernst. Mensen gingen in lompen gekleed langs de huizen om zielencake (brood met krenten) te bedelen en vervolgens met die offergave de bevrijding van arme overledenen uit het vagevuur te versnellen.
Wie heeft het – behoudens orthodoxe christenen – nog over de duivel, de hel en het vagevuur? De hel is sinds de secularisatie in de jaren vijftig behoorlijk op zijn retour. Van jonge katholieken van 18 tot 34 jaar gelooft 74 procent nog in de hemel, maar de hel steekt daar met 29 procent bleekjes bij af. Onder 65-plussers scoort de hel met 10 procent nog slechter. Het merendeel van de gelovigen kijkt dus het liefst naar één kant van de medaille.
Over de auteurs
Paul Koopman is auteur van de roman De ontdekking van de hel. Jan Willem Wits is communicatie-adviseur en oud-woordvoerder van de Rooms-Katholieke kerk.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Terugkijkend moet het dieptepunt in het aanzien van de hel ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw gesitueerd worden. Kerkhistoricus Pieter Sierksma noteerde in juni 1996 opgetogen in Trouw dat de Anglicaanse Kerk de hel had afgeschaft en verruild voor een ‘eigentijdse kijk’. Hij doelde op het document Het mysterie van de verlossing, waarin afscheid werd genomen van het beeld van de hel als een martelkamer waar zondaars moesten lijden.
Die beslissing viel niet toevallig in een tijdvak dat werd gekenmerkt door westers optimisme. De Berlijnse muur was gevallen, democratieën hadden de wind in de rug en Francis Fukuyama had net het eind van de geschiedenis verkondigd – althans, zo werd dat begrepen. Wat moest je nog met de hel en de duivel in een wereld die hard op weg leek naar voortdurende voorspoed en vrede? Het traktaat van de Anglicaanse Kerk baarde – niet verrassend – amper opzien.
De hele duivelse santenkraam werd voor het eerst in eeuwen een religieuze winkeldochter. En daarmee viel een last van de schouders van veel gelovigen. Want was de hel niet eindeloos gebruikt om religieuzen onder de duim te houden? Al 200 jaar vóór Christus werd onder invloed van Perzische religies de Gehenna geïntroduceerd, een vuurpoel waarin de goddelozen na hun dood gestraft zouden worden. In de Middeleeuwen groeide dit inferno uit tot het machtsmiddel van de kerk om de bevolking in het gareel te houden. De hel als internationaal strafhof waar de zonden volgens Dante in negen specifieke kringen werden vergolden.
Weg ermee dus. Maar de hel is bezig met een comeback. De wereld ziet er inmiddels een stuk grimmiger uit. In Gaza worden een cultuur en een volk uitgewist, in Oekraïne vallen al bijna vijf jaar dagelijks Russische raketten op burgerdoelen, in Soedan moorden volkeren elkaar uit, om over al die andere brandhaarden in de wereld nog te zwijgen. De hel is ook terug in de vorm van een in zijn voegen krakend eco- en klimaatsysteem dat modderstromen door Nepalese valleien jaagt en Franse vakantieoorden in vlammen verzwelgt. Dan is er nog de mentale hel die samenhangt met ontworteling en vervreemding.
In het deze zomer verschenen boek Inferno beschrijft theoloog des vaderlands Arnold Huijgen dat de hel van het hiernamaals naar het hier en nu is verhuisd. Er is zoveel duisternis in de wereld dat het niet zo gek is dat de duivel op kousenvoetjes terugkeert in het religieuze en maatschappelijke discours. Huijgen wijst op populaire cultuuruitingen waarin de hel weer een rol krijgt toebedeeld, zoals de Netflix-dramaseries Squid Game en The Good Place.
Daarnaast is er het recent verschenen De dichter en de duivel van Lieke Marsman. In dit poëtisch essay koopt een dichter een huis en komt tot de ontdekking dat de berging toegang biedt tot een ondergrondse wereld waarin mensen in ruil voor kleine stukjes ziel hun zonden afkopen. De zielencake ontbreekt er nog maar aan. En Sterre Konijn toert door het land met haar voorstelling Via Inferno, waarin ze negen hellekringen muzikaal verkent.
‘De slimste truc die de duivel kan uithalen, is ons laten geloven dat hij niet bestaat’, schreef de Franse dichter Charles Baudelaire. Dat was Satan, als je de achter ons liggende decennia overziet, bijna gelukt. Ook de bestsellerauteur Pim van Lommel, die op basis van vele bijna-doodervaringen tot de theorie van ‘oneindig bewustzijn’ kwam, is er niet meer zo zeker van dat aan gene zijde altijd een gelukzalige ervaring wacht. Hij schat op basis van nieuw onderzoek dat tussen de 1 en 15 procent van de mensen met een hartstilstand een angstwekkende helle-ervaring heeft.
De hel is dus weer ‘hot’. Op FaithTok, een religieuze chatgroep op TikTok, wordt de hel onder jongeren intensief besproken. Theoloog Arnold Huijgen komt tot de slotsom dat de hel een nieuwe betekenis moet krijgen. ‘In ernst: ik denk dat het in deze tijd opnieuw nodig is om over de hel te preken’, zegt hij. ‘Niet dat we oude beelden over de hel, waarmee mensen vroeger bang werden gemaakt, zouden moeten overnemen.’
Wat de hel dan wel voorstelt, is intussen een lastig vraagstuk: ‘De theologie kan geen beschrijving bieden van de hel, juist omdat de hel het totale niets is. Het zwarte gat verslindt alles, ook de taal.’ Wat moeten we dan nu aan met dit alles verslindende zwarte gat? Misschien kunnen we daarvoor te rade gaan bij filosoof Hannah Arendt, die de berechting van Adolf Eichmann meemaakte, algemeen gezien als de belichaming van het kwaad. Arendt verbaasde zich over de alledaagsheid van dit nazi-kopstuk. Arendt verwachtte een monster aan te treffen, maar zag een angstaanjagend normale burger die bureaucratisch zorgvuldig zijn werk deed. Eichmann maakte de banaliteit van het kwaad zichtbaar, concludeerde zij.
Hoop én vrees voor het hiernamaals heeft gelovigen sinds mensenheugenis aangezet tot zelfreflectie. Dat zijn we in deze geseculariseerde tijd wat verleerd. We geloven gemakkelijker in samenzweringstheorieën dan in demonen. In onze digitale bubbels van bevestiging en instantbevrediging is er weinig aanleiding meer om kritisch na te denken over ons eigen handelen en na te gaan of ergens in de schemering een duiveltje verstopt zit. Het concept van duivel en hel kan ons helpen een completer beeld van de werkelijkheid te construeren. De hel heeft dan de functie van contrastvloeistof in een petrischaaltje. Dankzij die substantie kunnen laboranten virussen beter zien.
‘Taal over de hel helpt het monster te benoemen en het in het gezicht te kijken, met de hoop op een nieuwe toekomst’, aldus Huijgen. Volgens Arendt is de grootste bron van het kwaad niet inherente slechtheid, maar het onvermogen om na te denken over de gevolgen van onze daden. De hel, dat zijn de anderen, schreef Sartre. Arendt zou misschien zeggen: de hel, dat zijn we zelf.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant