Maartje Wortel en Thomas Heerma van Voss Ze schreven een verhaal over de liefde tussen twee jonge mannen vanuit hun eigen perspectief. Het leverde een heel apart boek op. „Het loopt door elkaar, want we hebben elkaars stukken ook permanent aangepast.”
Thomas Heerma van Voss en Maartje Wortel
Het begon met een vonkje. Ze kenden elkaar al jaren, waren elkaar een beetje uit het oog verloren, maar kwamen elkaar weer tegen en begonnen te mailen. Mails die lange lappen tekst werden, verhalen met gekke wendingen erin, gefantaseerde dingen ook. Waardoor er zich ineens een verhaal begon te vormen, iets van hen samen. Daaruit ontstond het idee dat dit iets zou kunnen worden, dat het de moeite waard was, dat ze dit wilden.
Thomas Heerma van Voss en Maartje Wortel: Tetris. Das Mag, 132 blz. € 21,50
De ontstaansgeschiedenis van Tetris is als die van een liefdesrelatie, maar dan net anders. Maar er zijn zeker parallellen. Misschien is dat ook wel waarom de novelle van Thomas Heerma van Voss (1990) en Maartje Wortel (1982) zo geworden is als hij is. Het is een verhaal over twee jonge mannen die met elkaar een liefdesrelatie beginnen en niet precies weten hoe dat werkt, hoe ze moeten omgaan met elkaars verschillende persoonlijkheden. Maar ze willen het laten werken.
Maar hoe? Liefde is een deel van jezelf achterwege laten, aldus een van de twee hoofdpersonages. Wie Tetris leest en ook eerder werk van de auteurs kent, ziet de twee zielen in de novelle. Die horen bij de twee perspectieven in het boek, in afwisselende hoofdstukken van de twee personages. Mads is een wiskundeleraar die zo in het oeuvre van Thomas Heerma van Voss past, Tibor is een ontwerper van theaterdecors die niemand anders dan Maartje Wortel als geestelijk moeder had kunnen hebben.
Ja, zo zit het ongevéér, vertellen de twee, aan een tafeltje precies in het midden van een Amsterdams café. Ze verdeelden de scènes, Maartje schreef de stukken van Tibor en Thomas die van Mads. Maar?
Thomas: „Het loopt door elkaar, want we hebben elkaars stukken ook permanent aangepast. Ik zou van veel zinnen niet precies kunnen zeggen door wie ze geschreven zijn.”
Maartje: „Uiteindelijk zijn ‘mijn’ stukken maar 60 procent van mij en voor 40 procent van Thomas, denk ik. En andersom. Ik heb bij hem vooral veel weggehaald, geschrapt, en als ik het nodig vond maakte ik het levendiger, een grapje erin. Hij vond mij dan weer te slordig, dus hij heeft mijn stukken veel netter en preciezer gemaakt. Je ziet wel welk personage van wie komt, maar de tekst is ook een eenheid, doordat we zo in elkaars stukken hebben lopen klooien.”
Maartje: „Het begon echt met het enthousiasme dat me in eerste instantie in beweging kreeg. Ik dacht: dan kan je helemaal wild gaan. Dit is een veilige manier om iets heel raars te maken. Toen we het idee kregen dachten we al aan de blokjes van Tetris en wilden we elk stuk weer een ander soort vorm geven, die dan toch in elkaar pasten.”
Thomas: „Wat heel lastig bleek. Het was al een experiment om iets samen te doen, en om dan stilistisch ook nog allemaal zijstraten in te slaan…”
Maartje: „Het is wel echt geworden wat het moest worden, doordat het verhaal van die personages zelf om deze vorm vroeg. Dat klinkt zweverig, dat de vorm zichzelf dicteert, maar dat is wel hoe je iets samen kunt maken. Doordat je met elkaar overlegt: wat past het beste?”
Thomas: „Ik was ook gewoon nieuwsgierig wat er zou gebeuren: gaan we dit volbrengen? Als je schrijft probeer je steeds zelf opgeworpen grenzen te beslechten, dus ik wilde wel weten: waar leidt het mij naartoe als er iemand anders op papier steeds tegen me aan praat? Bovendien ben ik geïnteresseerd in hoe collega’s schrijven. Je ziet doorgaans alleen het resultaat ervan, maar nooit hoe iemand het nou eigenlijk doet. We hebben dit helemaal in elkaars bijzijn geschreven, dus nu konden we het zien.”
Thomas: „Heel inzichtelijk en leerzaam. Maartje schrijft bijvoorbeeld heel snel, intimiderend snel. We waren drie dagen in een huisje op de Veluwe en dan stond Maartje een ei te bakken, liep een rondje door de tuin, gaf de planten water en schreef tussendoor, naar mijn idee, drie woorden in een opschrijfboekje. Al die tijd zat ik geconcentreerd te typen aan driehonderd woorden, en dan zei ze: nou, ik heb duizend woorden. Ik snapte er helemaal niets van. En ook de snelheid waarmee ze scènes helemaal kon omgooien. Mijn neiging is om in te zoomen, wat deels handig is maar soms ook echt een gebrek, dan staarde ik me blind op een synoniem om een woord maar niet te hoeven herhalen en dan zei jij: ‘Die hele pagina kan eruit.’ Die vrijheid en snelheid in denken, en die gebruiken voor een verhaal, dat had ik nog nooit zo gezien.”
Maartje: „Ik kon echt per komma of woord zien wat er in Thomas’ hoofd gebeurde, dat was echt bijzonder en waardevol. Beetje een rare link misschien, maar ik zit sinds kort bij een personal trainer, om te leren ademen – ja, ik adem natuurlijk gewoon, maar die trainer zei tegen me: het ontbreekt je aan controle en concentratie. Toen realiseerde ik me dat ik dat van Thomas heb geleerd. Ik ben veel wilder en jij gerichter, jij gaat overal met een luizenkam doorheen, en soms werd ik daar gek van, omdat het mijn manier niet is. Maar misschien vind ik te snel dat iets goed is, en dan kwam jij met: ‘Ik snap hier geen reet van.’”
Thomas: „Ja. Omdat het iets van ons samen was, voelde het nooit alsof Maartje aan iets kwam dat echt van mij was, uit mijn eigen leven. We keken puur naar de tekst.”
Maartje: „Het kwam vrij snel enigszins van ons af te staan. Ik zei weleens tegen mijn vriendin: ‘Thomas gaat echt heel goed met mij om’, wat misschien gek klinkt, maar als ik met mij zou moeten samenwerken, zou ik waarschijnlijk best gauw denken: zoek het uit. Maar hij blijft rustig en zegt gewoon tegen me: ‘Niet zo tetteren.’ Omdat je een boek schrijft met elkaar, en ik neem een boek schrijven heel serieus, accepteerde ik dat en kwam ik even rustig zitten. Daardoor heb ik in mijn persoonlijk leven misschien ook wel een beetje geleerd: niet altijd zo irritant overal doorheen banjeren, maar even naar de ander luisteren.”
Thomas: „Dat tetteren zei ik één keer hè, het was geen terugkerende slagzin in ons schrijfproces. Maar het is waar dat het mij heel erg afleidde als jij tussendoor tegen mij sprak. Waarbij ik dan wel wil benadrukken dat het getetter, of gepraat, ook vaak iets bij me activeerde. Je hebt veel gevoel voor het absurde, voor gekke details, wat mij aan lucht en levendigheid hielp.”
Maartje: „Oh, leuke vraag. Ik denk dat het niet werkt tussen hen omdat het niet kán werken, zoals je formulering al zegt. Het was ook gewoon ons uitgangspunt, twee mensen die allebei anders omgaan met een liefdesrelatie. Tibor zoekt de hele tijd verbinding, wil graag dicht bij de ander komen, terwijl Mads afwachtender is: we zullen nog wel even zien.”
Thomas: „Heb je het nu over onze personages of over ons?”
Maartje: „Allebei, denk ik.”
Maartje Wortel en Thomas Heerma van Voss
Thomas: „Ik denk dat ze aanvankelijk ook juist vallen voor de tegenstelling tussen hen. Maar waarom het niet werkt… gek om daar antwoord op te geven omdat we ze zelf hebben bedacht – maar we geven ook geen eenduidige verklaring. Het heeft met de angstigheid en geremdheid van Mads te maken, tegenover de overgave van Tibor.”
Thomas: „Gaandeweg steeds minder, zou ik zeggen. Het werden echt personages in een verhaal van ons samen, waardoor ze steeds verder van ons af kwamen te staan.”
Maartje: „Die uitspraak van Tibor, dat liefde een deel van jezelf achterwege laten is, zou ik nooit op persoonlijke titel doen, ik heb een heel fijne relatie waarin er juist ruimte is voor alles van onszelf. Maar het gaat wel op voor Mads en Tibor, die het gevoel hebben altijd iets te moeten inleveren en nooit helemaal zichzelf kunnen zijn. We vonden het interessant om te schrijven over een homoseksuele of queer relatie versus de wens om een ‘normale’, heteronormatieve relatie te hebben, huisje-boompje-beestje. Het kan veiligheid bieden om zo’n relatie op te bouwen zoals iedereen het doet, samen een huis te kopen et cetera, maar veel gay mannen verafschuwen dat ook, omdat ze juist de kans en het voorrecht hebben om daarvan af te wijken. Dat moet je dan wel durven. Vooral Mads worstelt daarmee: wat denkt iedereen van me? Dat speelt een grote rol in zijn beslissingen.”
Thomas: „Zo’n queer-element voelt al snel alsof je er punten mee wilt scoren, wanneer je als schrijvers allebei zelf geen gay man bent en zegt: dit speelt nu. Tegelijkertijd hadden we echt niet een van de twee door een vrouw kunnen vervangen.”
Maartje: „Het queer-thema was geen uitgangspunt voor ons, maar wel iets wat erin moest zitten –omdat het erover moest gaan dat de ideeën die we hebben over de liefde dus vaak de ideeën van anderen zijn. Dat vind ik wel verdrietig, dat die blik van de buitenwereld belangrijker wordt dan wat iemand zelf wil of verlangt.”
Maartje: „Maar evengoed zouden wij echt nooit een liefdesrelatie kunnen hebben, echt nóóit. Sorry. Los van dat ik gewoon op vrouwen val en jij niet op mij, denk ik: we zouden aan dezelfde dingen ten onder gaan als de personages.”
Thomas: „Jij zou exploderen, ik denk dat je het niet uit zou houden met deze toch vrij stille… trom.”
Maartje: „Nou, ik weet dat eigenlijk niet. We zullen er nooit achter komen.”
Maartje: „Ja, die controle en concentratie van Thomas zijn wel goed voor me, want je ziet dat dit echt een boekje is geworden, een goed uit te geven boek, bedoel ik. Niet wild. Op een gegeven moment zit je als schrijver in die mal, van: dit is wat een boek is. Soms heb ik zin om daar uit te breken, maar als je erin zit, is dat best moeilijk. Net als in een relatie.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie