Home

Jurist en journalist Thijs van Veen was legendarisch eigenwijs en onverzettelijk als een blok beton

Biografie De prominente jurist en journalist Thijs van Veen raakte tamelijk snel in de vergetelheid. Zijn invloed op de ontwikkeling van naoorlogs Nederland is er niet minder om. Hij behoorde tot de generatie rechtskundigen die uit eigen ervaring weet wat detentie voor iemand betekent.

Thijs van Veen.

De biografie die Jaap de Hullu schreef over Thijs van Veen (1920-2006) laat zien wat een journalist aan het recht kan toevoegen – en een jurist aan de journalistiek, waarbij het boek ook duidelijk maakt dat Van Veen als hoogleraar in Groningen beter op z’n plaats was dan als hoofdredacteur. Als hoofdredacteur bleef hij te lang, vernieuwde te laat en voorkwam hij de neergang van zijn krant, Het Vrije Volk, niet. De strafrecht-nomenklatoera vond bij zijn emeritaat zijn enorme productie van artikelen, noten en commentaren juist ‘te journalistiek’ en te weinig diepzinnig. Grappig is dan weer dat hij z’n medewerkers aanspoorde niet ‘te lang te peinzen’ maar tijdig te gaan schrijven en vooral ‘zinnig’ te zijn. Niet al te theoretisch dus.

Jaap de Hullu: Strafrecht, journalistiek en sociaaldemocratie. Leven en werk van Thijs van Veen (1920-2006) W.J. S. Uitgevers, 376 blz. € 29,-

Van Veen was productief en veelzijdig. Hij zal de enige hoofdredacteur ooit zijn geweest die een preadvies voor de Nederlandse Juristen Vereniging naast z’n krantenwerk wist te schrijven. Die spagaat herhaalde hij niet toen hij naar de wetenschap overstak. Als hoogleraar refereerde hij nooit meer aan z’n journalistieke werk, dat teleurstellend afliep.

Eigenlijk is deze biografie een liber amicorum. Maar dan wel door een vriend, Jaap de Hullu, oud-raadsheer in de Hoge Raad en oud-promovendus van Van Veen. Twintig jaar na z’n dood is Van Veen in de vergetelheid geraakt, zoals dat gaat met juridische opinieleiders. Zijn zij tijdgevoeliger dan collega’s in ‘hardere’ vakken? Hun binding aan de altijd voortdenderende rechtsontwikkeling zou het verklaren.

Voor veel juristen is ‘Th. W. van Veen’ vooral de redacteur van de klassieke ‘Van Bemmelen’-studieboeken over formeel en materieel strafrecht. Overigens een klus die hem als oud-journalist als een handschoen paste. En ook veel royalty’s moet hebben opgebracht; zijn erfenis was ‘verrassend groot’, noteert De Hullu. Achter dergelijke boeken steekt immers een florerend verdienmodel – de nieuwste druk is een must, al was het maar uit examenvrees. Uitgevers en geleerden exploiteren zo de golf wetgeving en rechtspraak, de student betaalt.

De Van Bemmelen-reeks had profijt van zijn vlotte pen, schrijfdiscipline en neus voor actualiteit. Ze groeiden druk na druk uit tot de klassieke introductie in het strafrecht voor generaties juristen. En is daarmee invloedrijk, tot op de dag van vandaag.

Partijblad

De biografie neemt je mee naar de verzuiling, toen kranten politiek gebonden waren. Het Vrije Volk was officieel ‘partijblad’, met als journalistieke taak ‘vanuit sociaaldemocratisch perspectief’ het nieuws te brengen en de partijgenoten in het kabinet te steunen waar mogelijk. Dat de pers een kritische taak heeft werd wel onderschreven, maar zulke oppositie was vooral een taak voor andere kranten. Dat is nu ondenkbaar. De aanstelling van de hoofdredacteur van de destijds grootste krant van Nederland (220 journalisten), diende iedere twee jaar door het PvdA-congres te worden bevestigd. Kennelijk een hamerstuk, maar psychologisch disciplineerde het, schrijft de biograaf. Net als trouwens deelname aan het partijbestuur of de Kamerfractie, waar de politieke redacteuren ook toegang toe hadden. Op het congres diende de hoofdredacteur zich te verantwoorden. Had de krant wel voldoende aandacht besteed aan het fascisme in Portugal, om de perikelen in de afdeling Hardinxveld-Giesendam niet te vergeten?

Van Veen had tijdens de Tweede Wereldoorlog maanden in het ‘Oranjehotel’ (de Scheveningse strafgevangenis) vastgezeten en dook daarna onder. Daarmee behoorde hij tot de generatie naoorlogse juristen die wisten hoe detentie voelde. Wat bijdroeg aan een humaner en vooral terughoudend penitentiair beleid, ná de oorlog. Als hoofdredacteur was Van Veen PvdA-regent annex strafrechtjurist met vrij behoudende opvattingen over gezag en recht. Niet echt toegesneden op de rebellerende samenleving (en redactie) van toen. Typerend is zijn rol in de vakorganisatie, waar communistische (en dus antidemocratische) journalisten van De Waarheid controversieel waren. Van Veen was van de harde lijn: royeren, die lui zijn niet te vertrouwen. Hij kreeg zijn zin met een dito statutenwijziging, die vervolgens nooit werd gebruikt.

De Hullu schrijft vlot en aanstekelijk. Hij beperkt zich niet tot het archief, maar interviewde familie, vrienden en collega’s. Van Veen bleek ook dichter; ook dat werk wordt geanalyseerd. De juridische nalatenschap zet hij in een aantal paragrafen apart, om er niet-juristen niet mee lastig te vallen. De auteur is zijn oud-promotor toegedaan, maar blijft kritisch en nuchter. Hij graaft diep in de persoon en geschiedenis van zijn onderwerp. Hij beschrijft Van Veen als ‘maatschappelijk gericht’ – iemand die voortreffelijk kon analyseren en duiden. Maar van de Provo-rellen begreep hij niets. Als persoon was Van Veen een ‘blok beton’: hij kon hoekig zijn, was legendarisch eigenwijs, tegelijk niet boos te krijgen en had een slechte antenne voor wat mensen om hem heen bezighield. Monomaan op z’n werk gericht, net als veel mannen van zijn generatie. Wat ook consequenties had, vooral voor de band met zijn zoons.

Rol van de pers

Van Veen’s kernopvattingen zijn nu niet meer opzienbarend. Zijn dissertatie uit 1947 ging over ‘generale preventie’, ofwel de bredere inwerking van de straf op de maatschappij. De jurist-journalist Van Veen kende de pers een belangrijke rol toe. Hij was voorstander van het met volle naam en toenaam vermelden van verdachten in de krant ter afschrikking. Berichtgeving moest ‘norm handhavend’ zijn; dus geen verkapte bewondering voor daders. En ook compleet: behalve over het feit zelf, ook over de arrestatie en berechting. Alles feitelijk en sober. De rechtspraak zou zelf belangrijke vonnissen via ‘typografisch aantrekkelijke’ advertenties kunnen verspreiden, via eigen drukwerk of op perrons van treinstations. De rechter heeft immers een ‘plicht tot beïnvloeding van de samenleving’. Het strafrecht dus niet als het klassieke ‘uiterste redmiddel’ maar als instrument om de samenleving te beïnvloeden. Dat lijkt precies waar het strafrecht nu is beland.

Opmerkelijk zijn Van Veens opvattingen over het boetebeleid. Een mogelijkheid voor het OM zelf hoge boetes op te leggen, buiten de rechter om, achtte hij corrumperend. Als er al boetes en ‘afgepakt’ financieel voordeel op de rekening van de Staat terechtkwam, dan diende dat geld te worden ‘vernietigd’. De overheid behoort niet te profiteren van het wangedrag dat ze zelf bestrijdt. Dat idee viel op dorre bodem. Boetes worden al jaren alleen maar hoger, de Justitiebegroting steeds afhankelijker, het protest in de samenleving luider. Van Veen: ‘De boete is voor de overheid even gevaarlijk als [drugs; red.] voor een verslaafde’. Hear, hear.

Een constante was z’n overtuiging dat naarmate het aantal strafbepalingen groeit, de kans op willekeur groter wordt – en dus op ongelijkheid. Het resultaat is een ongeloofwaardige wet én dito overheid. Bij nieuwe strafbepalingen zou er meteen gekozen moeten worden welke dan tegelijk af te schaffen, vond hij. Van Veens kernopvatting was eenvoudig. De overheid moet handhaven, consequent en voldoende. Het primaire doel van straffen is het bevorderen van het gezag van de overheid. Wie wel met straf dreigt maar niet straft, verliest zijn gezag. Wie zal het ermee oneens durven zijn? En hoever is ‘justitie’ er nu niet van afgedwaald?

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next