Home

In zijn slotakkoord schrijft Frans de Waal over de gevoelens van chimpansees, bonobo’s en andere dieren – en over de biologen die zulke emoties niet serieus wilden nemen

Primatologie Wetenschappers beschouwden dieren lange tijd als machines met simpele instincten. Die tijd is voorbij, schrijft Frans de Waal trots in zijn afscheidsboek, dat twee jaar na zijn overleden is verschenen.

Frans de Waal in 1979, in Burgers’ Zoo, Arnhem. In zijn handen houdt hij de baby-chimpansee Roosje, vlak voor haar adoptie door Kuif, een kinderloze vrouwelijke chimpansee. De Waal had tevoren Kuif geleerd om flesvoeding te geven, om deze adoptie mogelijk te maken.

Een afscheidsboek is het geworden, Mijn geestverwanten, het postuum verschenen boek van Frans de Waal (1948-2024), de invloedrijke Nederlandse primatoloog die al vanaf de jaren tachtig „de apen een beetje omhoog heeft gebracht, en, eh, de mensen een beetje naar beneden”, zoals hij het 12 jaar geleden zelf zei bij zijn afscheid als hoogleraar aan Emory University in Atlanta, Georgia.

Hij vertelt in zijn laatste boek over zijn jeugd, zijn fascinaties en zijn academische strijd voor een meer invoelende blik op dieren en hij bewijst eer aan zijn inspiratiebronnen en pionierende voorgangers. Maar het is óók en vooral een opgelucht verhaal geworden over de „intellectuele verlichting” die de wetenschap én de publieke opinie hebben doorgemaakt tijdens De Waals leven. Eindelijk is er erkenning van het innerlijk leven van dieren die echt geen machines zijn, zoals filosofen en behavioristen wel lang bleven beweren. Mede dankzij De Waals eigen werk, maar daar legt de triomferende primatoloog nauwelijks nadruk op.

De Waal maakt, in wat zijn slotakkoord is geworden, terecht tevreden de oogst op van die wetenschappelijke strijd. Het was wel een hárde strijd. De heersende opvatting in de wetenschap was tot ver in de huidige eeuw dat dieren moesten worden gezien als blinde machines, zonder gevoelens of inzichten, met hooguit simpele instincten. Maar die tijd is voorbij, schrijft De Waal trots: „Het is een bijna volledige ommezwaai geweest!” Nu wordt als biologisch feit aanvaard dat, in De Waals woorden, „morele gevoelens zoals empathie, sympathie, compassie en gerichte hulp aanwezig zijn bij veel soorten. Sociale dieren leven oprecht met elkaar mee, wat hen kan inspireren om zorg en hulp te bieden aan anderen die daaraan behoefte hebben. De vriendelijkheid die in ons is ingebouwd, helpt ons allemaal te overleven.”

Frans de Waal: Mijn geestverwanten. De erkenning van het innerlijke leven van dieren. (Minds I’ve met: from denying to embracing the inner lives of animals) Vert. Albert Witteveen. Atlas Contact, 384 blz. € 26,99

De Waal zelf typeert zijn boek als „deels een memoire over veranderende opvattingen in de afgelopen zestig jaar, deels een geschiedenis van de wetenschap en deels een ode aan de verbijsterende mentale vermogens die bij andere soorten zijn ontdekt”. En dat is het ook. Veel vaak miskende pioniers worden beschreven, zoals de lang vergeten Russische primatoloog Nadia Kohts (die begin vorige eeuw een chimpansee thuis opvoedde) en de Duitser Wolfgang Köhler (die in de dezelfde tijd apen liet uitvinden hoe ze al kratten stapelend een banaan konden pakken) maar ook Japanners als Satsue Mito (die in de jaren vijftig zag hoe makaken een eigen cultuur ontwikkelden) en Masanori Kohda (die het innerlijk leven van poetsvisjes blootlegde). En recentere beroemdheden als Desmond Morris (die als een van de eersten evolutietheorie op menselijk gedrag losliet), Jane Goodall (die in Gombe, Tanzania, zag hoe chimpansees in het wild werktuigen gebruikten) en het totaal ongelijksoortige Nobelprijs-duo Niko Tinbergen (beroemd door zijn meeuwenonderzoek) en Konrad Lorenz (de kauwen- en ganzenman, wiens nazi-verleden De Waal trouwens uitvoerig behandelt).

Natuurlijk vertelt De Waal ook over zijn eigen baanbrekende werk, waarin hij altijd hamerde op de complexiteit van het innerlijk leven van chimpansees, bonobo’s en andere dieren. Vanaf de observaties van het intens strategische chimpanseegedrag in het boek waarmee hij beroemd werd, Chimpanseepolitiek. Politiek, macht en seks bij mensapen (1982) en boeken als De Bonobo en de tien geboden. Moraal is ouder dan de mens (2013) tot aan zijn vorige boek over de enorme variëteit in man-vrouwgedrag bij mensapen én mensen Anders. Gender door de ogen van een primatoloog.

Interessant genoeg gaat De Waal – provocerend als altijd – ook in zijn laatste boek gelijk weer een stapje verder in zijn ‘een beetje naar beneden brengen van de mensen’, want en passant opent hij een ferme aanval op het altijd zo benadrukte belang van de grote mensenhersenen. „Ik ben ervan overtuigd dat de omvang van de hersenen ertoe doet, maar misschien niet zoveel als we denken.” Want waarom zouden anders volwassenen bij wie als kind de helft van hun hersenen verwijderd zijn (om epilepsie te bestrijden) „nog steeds een ‘opmerkelijk intacte cognitie’ kunnen hebben. Is dat niet raadselachtig?” Al vaker zette De Waal vraagtekens bij de verheerlijking van het menselijke zelfbewustzijn, maar nu verwoordt hij het weer mooi als hij zich afvraagt hoe bewust bijvoorbeeld ‘dankbaarheid’ is. Want „zowel chimpansees als mensen beschikken over mo­rele conventies die niet bewust hoeven te worden over­gebracht”.

Vroeger zouden dit soort opmerkingen dus een stroom van tegenwerpingen hebben opgeroepen. En dat debat zelf vond De Waal altijd wél leuk en nuttig – altijd strijdvaardig want „afkomstig uit een gezin met zes jongens”. „Onze wetenschap gedijt op concurrerende ideeën”, schrijft hij. „Vrijwel elke belangrijke ont­dekking wordt in eerste instantie betwist, leidt tot boze schreeuwpartijen op congressen, wordt afgewezen door uitgevers, en zorgt voor verdeeldheid onder academici.”

Frans de Waal tijdens een bezoek aan Amsterdam in 2018.

Het zijn vooral „de laatdunkende toon” en de „zelfgenoegzaamheid” van zijn academische tegenstanders die De Waal het meest lijken te hebben geërgerd en gekwetst. De Waal: „In dit tijdperk van ‘kille biologie’ vergeleek ik mijn le­ven met dat van een kikker in een wc die ik in Australië had gezien: hij leefde in een toiletpot en hield zich met zijn zuignaptenen vast tijdens de incidentele door men­sen veroorzaakte tsunami’s. Op dezelfde manier moest ik me steeds schrap zetten als er een populair boek over de menselijke evolutie verscheen” waarin ook weer iedere menselijke beschaving werd gereduceerd tot een dun laagje vernis en iedere empathie in essentie schijnheilig was. Zo ver naar beneden heeft De Waal de mens trouwens nooit gebracht.

De schijnheiligheid van de mens zit dan ook vooral in zijn taal, schrijft De Waal. „Als jongen keek ik zo aandachtig naar mensen dat mijn moeder het niet leuk vond dat ik haar intieme details van hun gedragingen vertelde. […] Ik let meer op lichaamstaal en spreektoon dan op wat er wordt gezegd. Ik vind het prettig om met dieren te werken die geen gebruik maken van het tweede communicatiekanaal, dat vol misleiding en manipulatie zit.”

De Waal beschrijft hoe hij door die eindeloze observaties van mens en dier zijn hele leven al ‘mede-dieren’ ervoer als levende wezens met een interessant innerlijk leven. Vanaf zijn vroege jeugd in Waalwijk was hij in de weer met zelf gevangen stekelbaarsjes en tamme kauwen en ratten. Hoe kun je ooit dierengedrag anders begrijpen? Ook het brein en lichaam bij dieren zijn „verfijnd uitgebalanceerde systemen vol interne terugkoppelingslussen: het is onmogelijk om hun werking terug te brengen tot een paar lineaire wetten. Hetzelfde principe geldt voor oceanen, bossen en andere ecosystemen. Daarom lopen simpele oplossin­gen bijna altijd uit op een ramp.”

Tijdens zijn diergedragstudie in Groningen, toen de latere primatoloog nog vooral vogels observeerde, genoot De Waal van het enthousiasme en de betrokkenheid van zijn medestudenten. „Telkens als ik hun naar hun dieren vroeg, begon­nen hun ogen te stralen”, schrijft hij meer dan vijftig jaar later. „Ze voelden zich diep met de dieren verbonden en spraken hun liefde uit voor elk detail van het leven, de eigenaardigheden en de gewoonten van hun diersoort.” Maar als het in die tijd van de kille biologie vervolgens over de wetenschap ging verdween bij die studenten de gevoeligheid als bij toverslag, tot verrassing van de jonge De Waal. „De dieren verloren hun ziel en veranderden in automaten, die blin­delings de wetten van de natuur volgden. De dieren voer­den stereotiepe bewegingspatronen uit, aangestuurd door ‘motivatiesystemen’ […] met een duizelingwekkende reeks vakjes en pijlen, waarbij elk vakje een specifieke neiging aangaf, zoals nestbouw, baltsgedrag of vlucht.” Toen De Waal aan zijn (door hem bewonderde) hoogleraar voorstelde om sommige van die vakjes door emoties te vervangen „verwaardigde hij zich niet om mij te antwoorden – hij trok alleen maar een intens walgend gezicht. Het was duidelijk dat ik een volkomen objectieve analyse besmette met ongegronde subjectiviteit.”

In die persoonlijke geschiedenis van de biologie wordt ook duidelijk hoe verweven de wetenschappelijke opvattingen over dieren zijn met die over de mens zelf. Want hoe rijker het innerlijk leven van aanvankelijk vooral de chimpansees bleek te zijn, des te harder werd er gezocht naar kenmerken die de mens tóch nog konden onderscheiden van de dieren. Een onverwacht effect van de nieuwe ontdekkingen. De Waal: „Hoe intelligent chimpansees ook mochten zijn, ze moesten nog steeds dommer zijn dan wij. Sommige wetenschap­pers maakten er hun levenswerk van om te laten zien wel­ke menselijke dingen chimpansees allemaal níét kunnen. De chimpansee is dan het arme broertje dat het niet bij kon houden.”

De laatste decennia publiceerde De Waal iedere drie à vier jaar een nieuw groot publieksboek – van Van nature goed (1996) tot Anders (2022). En aan dit laatste boek is hij tot op zijn sterfbed blijven werken, zo blijkt uit de introductie bij het boek. Drie naaste collega’s en leerlingen hebben samen met De Waals vrouw het werk uiteindelijk voltooid. De bulk van het boek is gelukkig van zijn eigen hand, dat is helder. En het was ook beter geweest als de mate van voltooiing door zijn collega’s van het zesde en vooral het zevende hoofdstuk óók helder was gebleven.

Dat zevende hoofdstuk over de steeds verdere uitbreiding van de kennis van dierlijke emoties en beleving is volgens de introductie helemaal geschreven door zijn leerlingen Peter Verbeek en Sarah Brosnan, maar wél in de ik-vorm. Dat is een vergissing, vrees ik. Zogenaamd is Frans de Waal aan het woord, maar je voelt al direct een verschil in stijl. De taal is ineens formeler, de kenmerkende bravoure is verdwenen en de zinnen worden langer en abstracter. Ongetwijfeld handelden de twee leerlingen in de geest van De Waal, ze overlegden met hem in de weken voor zijn dood. Maar ik lees het als een mislukte buikspreekvoorstelling. Waarom niet zelf het woord genomen, en gelijk nog wat eigen persoonlijke ervaringen met de betreurde primatoloog gedeeld? Dat had in een postuum boek echt niet misstaan.

In het slotwoord door De Waals weduwe Catherine Marin (zijn ‘favoriete primaat’) neemt zij wel zelf het woord, en dat stuk is ook direct het meest persoonlijk. Het is opgewekt van toon, maar je voelt het verlies dat ze lijdt. Marin vertelt over hun woonplekken, hun vrolijke etentjes met de academische collega’s, de dankbaarheid en inspiratie van zijn promovendi en vooral over Frans’ ontzag voor en plezier in alles wat leeft, van oude witte eiken, herten, vossen, cicades en mezen in hun grote tuin in Atlanta tot de olifanten, makaken, chimpansees en bonobo’s overal ter wereld. Een volbloed bioloog is heengegaan.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next