Home

Hella Jongerius: ‘Ik wil me blijven verwonderen. En me een beginner voelen. Dan ben ik op mijn best’

Hella Jongerius | industrieel ontwerper ‘Design icoon’ Hella Jongerius (63) werkt al meer dan dertig jaar met textiel. Ze ontwierp onder andere de Knitted Lamp voor Droog Design, de Polder Sofa voor Vitra en een nieuw interieur voor KLM en de VN-lounge in New York. Onlangs schonk ze haar ontwerparchief aan het TextielMuseum in Tilburg, dat een selectie toont in de tentoonstelling Hella Jongerius – Slimme handen.

Hella Jongerius in het Jongeriuslab.

Het lab van ontwerper Hella Jongerius is een explosie van materiaal en kleur. Stellages tot aan het plafond liggen vol met linten, touwen, ondefinieerbare materialen en potten in alle kleuren van de regenboog. In het Jongeriuslab – op een voormalig militair terrein aan de rand van het bos in Arnhem – wordt in elke kamer gewerkt. Vrouwen lopen de ruimtes in en uit, sommigen zitten gefocust op de grond, bezig met wat voor een onnozele leek op knutselen lijkt. En aan het eind van deze drukke gang, in een kamer die zowel werkkamer als opslag lijkt, zit Hella. Gekleed in een op het eerste gezicht saaie grijze trui, maar met op de linkerschouder een verrassing aan pailletten, even kleurrijk als de wandkasten achter haar. Je zou het niet denken, maar Jongerius is „160 dozen aan materiaal lichter”, zegt ze. „En dat lucht op.”

‘Design icoon’ Hella Jongerius (63) werkt al meer dan dertig jaar met textiel. Ze ontwierp onder andere de beroemde Knitted Lamp voor Droog Design, de Polder Sofa voor Vitra en een nieuw interieur voor KLM en de VN-lounge in New York. Onlangs schonk ze haar textiele ontwerparchief – archiefdozen met zo’n 4.000 schetsen, modellen en materiaalstalen – aan het TextielMuseum in Tilburg. Een selectie daarvan is van 31 oktober tot en met 4 april te zien in de tentoonstelling Hella Jongerius – Slimme handen.

De titel komt van Jongerius’ befaamde ‘dirty hands’-techniek, waarmee ze haar eigen onderzoekende manier van ontwerpen beschrijft. „Het zijn de dwalingen waar ik het meest van geniet”, zegt ze. „De mooie én de lelijke dingen die er ontstaan als je met je handen werkt. Totdat je de parels hebt gevonden.” Slimme handen toont deze ‘dwalingen’: van de eerste schets tot het uiteindelijke product. Zoals de weefstalen samen met de uiteindelijke stoffen die Jongerius ontwierp voor het Amerikaanse textielbedrijf Maharam. Stoffen die zowel kleurrijk als ingetogen ogen, strakke lijnen of rijen met stippen, met dan ineens een afwijkend accent.

Driedimensionale weeftechnieken

„Textiel vormt een rode draad in haar werk”, aldus het TextielMuseum. Maar alles nét even anders doen is dat ook. Jongerius ontwikkelde haar eigen kleurtinten, in plaats van kleuren te kiezen die voorhanden zijn. Ook bouwde ze haar eigen weefgetouwen, omdat met industriële weefmachines, „die alleen maar draaien om zo snel en zo veel mogelijk te produceren”, de mooiste weefconstructies verloren gaan. Haar geconcentreerde, serieuze blik licht even op als ze erover praat. Terwijl ze vroeger eigenlijk ver weg wilde blijven van textiel. Ze had geen zin in het cliché dat vrouwelijke ontwerpers met textiel werken en mannen zich bezighouden met industrieel ontwerp, zoals in de jaren 90 op de Design Academy in Eindhoven het geval was. Maar textiel trok toch. In 1993 studeerde ze af met opblaasbare textiele objecten. Tegenwoordig onderzoekt ze met driedimensionale weeftechnieken hoe textiel kan worden toegepast in de bouw.

Hella Jongerius in het Jongeriuslab.

En klopt het? Het ‘vrouwelijke imago’ van textiel als lief, zacht en vriendelijk om mee te werken?

„Nou, nee.”

Ze verslikt zich bijna in haar thee.

„Niet bepaald. Textiel is vooral heel technisch en ingewikkeld. Voordat je een lap stof hebt, zijn er al zo veel stappen die je moet doorlopen. Neem katoen of wol, dat zijn nog de eenvoudigste materialen. Eerst heb je de plant of het dier, dan moeten de vezels worden gesponnen en de draden geweven. Dat weven is een heel abstracte puzzel. Je moet nadenken over de constructie, de sterkte, de dikte, of een stof moet ademen. Daarna moet die nog worden afgewerkt en getest op slijtage, uv-bestendigheid en brandveiligheid. Bij al die stappen komen ook allerlei giftige stoffen kijken. Voor textiel moet je vooral heel wakker zijn. Elke stap roept weer nieuwe vragen op. Wat gebeurt er eigenlijk, wie doet wat en vooral: kan het ook beter of anders?”

Voor KLM ontwierp je het interieur voor de businessclass en economyclass. Hoe ingewikkeld was dat?

„Ik wist helemaal niets van de luchtvaart. Er zijn daar zo veel regels waar je je aan moet houden. Het textiel moest licht zijn, goed schoon te maken en extreem brandveilig zijn. Iedere kleine verandering, zoals het gebruik van een bepaalde lijm, moet opnieuw gecertificeerd worden. Ik kon sowieso niet al te gek doen, want je werkt in opdracht van een corporate bedrijf. Het was een nauw paadje waarop ik me kon bewegen. En dan ga ik de grenzen opzoeken. In het begin wilde ik bijvoorbeeld vooral meer luxe toevoegen, zoals wol in plaats van polyester op de stoelen en meer gebruik van kleur zodat de ruimte groter lijkt. Maar toen kwam ik een berg afgedankte stewardessenuniformen tegen die ik per se wilde gebruiken voor het tapijt. Eerst moesten alle knopen en ritsen eruit. Toen moesten we een spinnerij vinden die er garen van kon maken. Dat zijn de stippen in het tapijt geworden. Voor de rest van het tapijt wilde ik wol van dieren die geslacht zijn voor de vleesconsumptie. Dat zijn allemaal extra stappen waar eigenlijk niemand op zit te wachten.”

Jij wel?

„Ja, ik wel. Ik wil dat alles klopt.”

Hoe belangrijk is het dan bijvoorbeeld dat zo’n stip echt van garen uit een uniform komt? Waarom kan je niet gewoon een stip van ander materiaal maken?

„Omdat recyclen belangrijk is natuurlijk. Maar ook omdat een product een verhaal kan hebben. Zeker textiel. Textiel bestaat al zo lang, in zo veel verschillende culturen. In elke tijd of op elke plek zijn er weer andere manieren van weven, motieven of betekenissen. Het is een enorm archief waar je als ontwerper uit kan putten. En waar je zelf iets aan kan toevoegen. Daar voel ik me dan ook verantwoordelijk voor. Ik wil niet zomaar een productje afleveren. Ik verveel me daar overigens ook veel te snel voor. Het gaat mij om de complexe puzzel, het maakproces. Dat maakt voor mij het product. Het product ís het proces.”

En moeten mensen dat verhaal ook kunnen zien? Dat de stippen van stewardessenuniformen zijn gemaakt, de wandkleden voor IKEA door vrouwen in de Indiase deelstaat Uttar Pradesh zijn geweven, of dat achter een stof voor Maharam een Mexicaanse borduurtraditie schuilgaat?

„Ik ben geen dominee. Ik wil het verhaal niet in iemands gezicht drukken. Maar ik geloof wel dat als er iets in een ontwerp zit wat afwijkt, een kleine verrassing of imperfectie, zoals een knobbeltje of lusje in een stof, er dan een soort zuurstof in komt. Spullen kunnen zo veel informatielagen bevatten. Het ontwerp- en productieproces, de materialen, de culturen waarin ze worden gebruikt, maar ook de identiteit van de gebruiker. Denk aan je lievelings koffiemok, je favoriete stoel of spullen die je hebt geërfd. Ze zeggen iets over je leven. Ik wil een product zo rijk mogelijk maken. Hoe meer informatielagen, hoe langer we spullen bewaren. Daarom heb ik ook mijn eigen ontwerpen gebruikt voor nieuwe stofmotieven. Zoals mijn keramische vazen uit 1997. Niet heel commercieel misschien. Want wie wil er nou een bank met vazen erop? Maar het is zo veel leuker en betekenisvoller dan weer het zoveelste bloemetje ontwerpen.”

Toch heb je veel commercieel werk gedaan.

„Ik had het gevoel dat ik echt iets kon veranderen. Maar nu heeft iedereen het over authenticiteit en ambachtelijkheid. Het zijn holle marketingfrases geworden. Er worden zo veel oneerlijke verhalen over producten verteld. Alsof we allemaal debiel zijn. Ik geloof er niet meer in. Ik voeg nu liever iets toe door materiaalonderzoek en werk samen met musea. Ik wil me blijven verwonderen. En me een beginner voelen. Dan ben ik op mijn best.”

En het overdragen van je archief, is dat een soort van einde?

„Ik ben blij dat er goed voor gezorgd gaat worden. Ik hoop dat anderen er iets aan hebben en mijn open eindjes een begin kunnen worden van iets anders. Maar ik word er niet emotioneel van hoor, als ik mijn archief straks zie staan. Totaal niet.”

En dan toch:

„Ik zie geen spullen. Ik zie mensen met wie ik heb samengewerkt. Een tijd waarin mijn kinderen er nog niet waren of juist wel. Het is een beetje een bijna-doodervaring. Een leven in vijf minuten.”

De tentoonstelling Hella Jongerius – Slimme handen is van 31 oktober 2026 t/m 4 april 2027 te zien in het TextielMuseum in Tilburg. Info: textielmuseum.nl

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next