Home

Iedere burger zou jeuk moeten krijgen bij het woord ‘staatsnoodrecht’

Deze zomer had ik de kans me te verdiepen in de honderden brieven die mijn vader in 1949 en 1950 schreef als dienstplichtig militair vanuit Nederlands-Indië. Ik vond ze in de boedel van m’n moeder, keurig op volgorde met een lintje erom.

Ik zat meteen vol vragen: had hij ook echt moeten vechten, hoe keek hij naar Soekarno, naar Drees, naar kolonialisme? Hij overleed begin jaren negentig, toen de Muur net was gevallen. De liberale democratie had toen ‘gewonnen’. Nederlands-Indië was een voetnoot en dienstplicht een curiositeit. Op tijd rijk worden aan internet, dat was destijds de stemming. En genieten, dat vooral.

Inmiddels werft de staat grootschalig reservisten en gaan er miljarden naar nieuwe wapens. De opkomstplicht schemert door alles heen. Maxima en Amalia poseren al in uniform. In ‘49 was mijn vader nog een tweedejaarsstudent in Wageningen, die geen uitstel meer kreeg maar wel gevechtstraining. En op z’n 21ste de boot naar Indië moest nemen, samengepakt met veertienhonderd anderen. Slapen in een stinkend ruim en jezelf wassen met zeewater. Uiteindelijk loste hij geen schot. Maar in z’n brieven was alles spannend en onvoorspelbaar. Het leek er zelfs even op dat hij nog naar Nieuw-Guinea zou worden doorgestuurd, waar Nederland een rol wilde blijven spelen. Of zelfs naar Korea. Hij zat vol zorgen – had z’n relatie toekomst, zat die studie er nog in?

De dienstplicht in Indië was juridisch dubieus, zo wist ik nog uit een gesprek dat ik ooit voor de krant voerde met onderzoeker Stan Meuwese. Die concludeerde dat dienstplichtigen naar de koloniën sturen in de Grondwet van 1938 letterlijk was verboden. Maar de regering omzeilde dit art. 192 met een beroep op het staatsnoodrecht. De rekolonisatie van Indië was hoger staatsbelang. Tevoren ‘toestemming’ vragen aan burgers alvorens ze in uniform naar de overzeese gebiedsdelen te sturen, was niet nodig. Dit was dus een schandaal verpakt in een schandaal. Pas in 1947 legitimeerde de regering met een nieuwe wet alsnog de uitzending van dienstplichtigen.

De generatie van mijn ouders is dus langs autoritaire weg een koloniale oorlog in gezwendeld. Daarom zou iedere burger bij het woord ‘staatsnoodrecht’ jeuk moeten krijgen. Wat overigens tot aan het ministerschap van Asiel en Migratie van Marjolijn Faber (PVV) alleen in theorie nodig was. Juridisch bergt staatsnoodrecht het risico van de verschroeide aarde in zich. Grondrechten schorsen, parlementaire controle uitstellen, om te doen ‘wat nodig is’. Want het land staat in brand, stroomt onder, wordt onder de voet gelopen, digitaal verlamd, et cetera. Voor je het weet, verniel je datgene wat je wil beschermen.

Op zichzelf kan ik zo’n staatsrechtelijke noodknop begrijpen – mits het parlement achteraf controleert, het ingrijpen proportioneel is en tijdelijk. Rechtsstatelijk begrensd dus, uitgeoefend door een legitieme overheid mét constitutioneel besef.  

Daarom toch even een uitstap naar de nieuwe ‘Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten’. Die is in oorlogsstemming en schorst alvast belangrijke waarborgen voor degenen die als „opponenten” worden aangeduid. Nederland bevindt zich in een „grijze zone” lees ik daar, „het schemergebied tussen oorlog en vrede”, vooral in de cyberwereld. Slagvaardig, effectief en wendbaar, dat moeten de diensten worden. Dat betekent minder vaak toestemming hoeven vragen om te mogen afluisteren, observeren en data verzamelen. Grotere groepen burgers vrijwel ongehinderd langer digitaal mogen volgen, met minder controle en verantwoording. En jawel, mochten de nieuwe bevoegdheden tekortschieten, dan bevat de wet aparte artikelen over staatsnoodrecht.

Het wetsvoorstel werd vorige maand slecht ontvangen, met name door de instituten die nu toezicht houden op de diensten. Zij publiceerden een omvangrijke reactie met 48 bladzijden vol ernstige zorgen over de forse uitbreiding van bevoegdheden in combinatie met het afbouwen van controle. Terwijl dat andersom zou moeten: meer macht, dan ook meer controle. De nieuwe wet opereert met wat de toezichthouders op de diensten een ”breed opponentenregime” noemen. Personen of organisaties die de staat als vijandig beschouwt, kunnen zonder toestemming een jaar lang met alle bijzondere bevoegdheden van de diensten worden onderzocht.

De introductie van staatsnoodrecht leidt bij de toezichthouders tot de vraag of die „de democratische stresstest kan doorstaan”. Het is zo ruim geformuleerd dat toepassing ervan „onduidelijk” en „onvoorspelbaar” is. Wel kan het ‘relatief makkelijk’ ingezet worden, namelijk met een eenvoudig koninklijk besluit. Dit alles terwijl de nieuwe wet zélf „al een enorme mogelijkheid aan flexibiliteit” kent met spoedprocedures, tussendeurtjes en zelf mogen beslissen op de werkvloer.

De grootste zorg van deze experts is of „ook onder uitzonderlijke of veranderende politieke omstandigheden” de nieuwe wet „voldoende bescherming biedt tegen misbruik van de vergaande bevoegdheden”. En: „De voorgestelde regeling van het staatsnoodrecht maakt deze vraag nog pregnanter’.

Dit is codetaal. Hier wordt dus gewaarschuwd dat als onverhoopt radicaal rechts in de regeringsmacht mag delen, geheime diensten voor antidemocratische doelen misbruikt kunnen worden. Het toezicht is immers te zeer verzwakt. Dit is niet zomaar een ‘noot’ bij een wettekst, maar een alarmbel.

De eindconclusie van de toezichthouders luidt: de wet is „niet in balans, zowel op onderdelen als in het geheel”. Dat is me veel te braaf. Ik zou zeggen: dit gaat veel te ver, dus hier niet aan beginnen. Althans niet zo. Voor je het weet moet je een uniform aan. Of denken ze dat je een ‘opponent’ bent.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

De rechtsstaat

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next