Netcongestie De vergelijking tussen een drukke autoweg en het elektriciteitsnet gaat mank, schrijven Rutger van Bergem en Sander Renes. Meestal is er stroomcapaciteit genoeg voor iedereen.
Nederland staat voor een enorme infrastructuuropgave. Bruggen, wegen en spoor moeten worden onderhouden of vervangen. Dat gaat vele tientallen miljarden euro’s kosten. Ook moet het elektriciteitsnet worden uitgebreid om meer woningen en economische activiteit mogelijk te maken. De benodigde investeringen lopen tot 2040 op tot ongeveer 195 miljard euro. Als het gaat om zulke enorme bedragen, weet je dat niet alle projecten uitgevoerd kunnen worden. Dus moeten we ons afvragen hoe we, wanneer bijbouwen niet lukt, de bestaande capaciteit slimmer kunnen gebruiken.
Voor het elektriciteitsnet is de vraag belangrijker dan je zou denken. De publieke discussie doet immers vermoeden dat bijbouwen de enige optie is. We spreken vaak over ‘file op het stroomnet’. Als er file staat op de A4, helpt een extra rijstrook. Dus als het stroomnet vol zit, moet er meer koper de grond in.
Rutger van Bergem en Sander Renes zijn universitair docent aan de TU Delft.
Alleen werken elektriciteitsnetten anders dan wegen. Netcongestie betekent niet dat elektriciteit in een file staat. Het betekent dat op specifieke momenten meer transport wordt gevraagd dan het netwerk kan faciliteren. Dat heeft te maken met de technische grenzen die netbeheerders hanteren om te voorkomen dat kabels en transformatoren overbelast raken, wat schade aan het netwerk kan veroorzaken.
Die veiligheidsafspraken werken als een stoplicht voor nieuwe aansluitingen op het net – bij congestie staat dat licht op rood. De wachtrij staat dan niet op het netwerk maar op de oprit ervoor: nieuwe gebruikers belanden op een wachtlijst.
Zelfs als een kabel of transformator maar een paar uur per jaar tegen de veiligheidsgrens zit en de rest van het jaar veel minder wordt gebruikt, gaat het stoplicht op rood vanwege congestie. Een voorbeeld uit onze data laat dat goed zien. In een toeristisch gebied aan de Zeeuwse kust was een belangrijke technische schakel in het lokale elektriciteitsnetwerk rond Kerst enkele uren voor 95 procent belast. Er waren veel toeristen en iedereen was tegelijk aan het koken en de elektrische auto aan het opladen. Intussen was het vroeg donker, zodat zonnepanelen geen stroom konden opwekken.
Omdat de verwachting is dat deze kerstpiek verder groeit, kan deze korte piek voldoende reden zijn om geen nieuwe gebruikers toe te laten. Maar gedurende meer dan 90 procent van het jaar was meer dan de helft van de capaciteit nog beschikbaar. Dat is niet wat je je voorstelt bij een permanent capaciteitstekort.
Gelukkig heeft de Autoriteit Consument & Markt, die bepaalt wat wel en niet mag op de energiemarkt, sinds twee jaar ook flexibele aansluitingen mogelijk gemaakt. Traditionele aansluitingen geven een netgebruiker ook tijdens een piek recht op capaciteit. De nieuwe flexibele aansluitingen maken het mogelijk dat een gebruiker met de netbeheerder afspreekt dat hij alleen buiten piekmomenten stroom kan afnemen.
Denk bijvoorbeeld aan een nieuwe school die op de wachtlijst staat voor een aansluiting. Waarom zou die school niet gewoon open kunnen als het bestuur accepteert dat er tijdens de kerstpiek, als de school toch al vakantie heeft, een paar uur geen stroom uit het stopcontact komt?
De ACM stelde in juni vast dat netbeheerders nog onvoldoende flexibele contracten aanbieden. Bovendien hebben zij soms onvoldoende inzicht in het gebruik van hun eigen netten, waardoor ze lastig kunnen inschatten waar en wanneer flexibele contracten ruimte zouden vrijmaken. Dit gebrekkige inzicht zorgt er óók voor dat we niet weten in hoeverre uitbreiding van het Nederlandse stroomnetwerk nog nodig is, als we meer flexibele aansluitingen zouden gebruiken.
Daar ligt de volgende opgave. We hebben gedetailleerde data nodig over waar, wanneer en hoe lang het net tegen zijn grenzen loopt. Zonder die kennis maken we miljardenbeslissingen over uitbreiding van het stroomnetwerk, terwijl we weinig zicht hebben op alternatieven. Met zulke data kunnen we per locatie bepalen hoeveel capaciteit er buiten de piekuren beschikbaar is, en daarmee zien welke gebruikers die ruimte kunnen benutten – en ook waar netverzwaring de enige optie is.
Veel van de gegevens voor zo’n overzicht bestaan, maar ze worden niet altijd publiek gedeeld. Veiligheids- en privacyredenen spelen daarbij vaak een rol. Gelukkig komt meer informatie beschikbaar. Netbeheerder Liander publiceert bijvoorbeeld voor delen van zijn netwerk metingen per kwartier van hoe zwaar elektriciteitsstations, transformatoren en kabels worden belast. Dat is een goede eerste stap. Maar om de afweging tussen flexibiliteit en netverzwaring goed te kunnen maken, moeten de gebruiksdata gekoppeld worden aan cijfers over capaciteit, wachtrijen en verwachte belasting.
De filemetafoor heeft lang geholpen om netcongestie begrijpelijk te maken, maar loopt inmiddels zelf tegen zijn grenzen aan. De metafoor suggereert namelijk dat meer koper de oplossing is, maar niet elk vol stroomnet vraagt om meer koper. Om de metafoor te kunnen blijven gebruiken, moeten we hem dus preciezer maken. Soms moet de weg breder en soms is een slimmer afgesteld stoplicht genoeg.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie