Praktijkonderwijs Minimaal de helft van de leerlingen op praktijkscholen groeit op in relatieve armoede. Sommigen kunnen hun schoolspullen niet betalen. Het Jeugdeducatiefonds kan werkschoenen, schorten of fietsen voor ze bekostigen. Zo ook op De Bolster in Groningen. „Met dit geld kun je meteen verhelpen wat het functioneren op school in de weg staat.”
Abdulraham krijgt praktijkonderwijs op De Bolster, in Groningen.
Midden op het binnenplein van praktijkschool De Bolster in Groningen staat een witte aanhangwagen. Bruce (14) is druk bezig om scheppen uit de kar te laden. Overal kleven klonten aarde aan. „We zijn gisteren naar De Hortus geweest, een botanische tuin in Haren. Daar ben ik de hele dag wezen bladblazen.”
Terwijl Bruce ijverig het gereedschap sorteert, staat Rian Bous (38) te praten met een leerkracht. „Dat ging over een leerling”, zegt de stagecoördinator even later. „Gisteren werd hij op z’n versleten werkschoenen aangesproken. Vandaag was hij ze vergeten.” Ze denkt niet dat het toeval was. „Wij proberen verder te kijken dan het gedrag.”
Een mentor gaat met de leerling praten, om uit te vogelen of het ‘Van Pro naar Prof’-project van het Jeugdeducatiefonds wellicht uitkomst kan bieden. Praktijkscholen kunnen geld aanvragen bij deze stichting voor studenten, om financiële obstakels weg te nemen. Het Rijk financiert het project voor 1,8 miljoen euro, het fonds vult dat bedrag zelf aan tot 2,3 miljoen.
Het project – dat drie jaar geleden begon – wordt dit jaar uitgebreid. Waar vorig jaar 25 scholen meededen, doen dit jaar 140 van de 177 praktijkscholen door heel Nederland mee. Zo ook De Bolster, dit jaar voor de derde keer. Evenals alle andere scholen ontvangt ze 12.750 euro.
Van Pro naar Prof is speciaal gericht op praktijkscholen. Het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (COS) stelt dat minimaal de helft van de ongeveer 29.000 leerlingen op praktijkscholen opgroeit in relatieve armoede. Gevolg is dat sommigen op hun opleiding vastlopen omdat ze geld tekortkomen.
Zo vertelt Bous over een scholier die wegbleef van lessen vanwege een kapotte elektrische fiets. „Zij had een fysieke beperking en kon niet op een normale fiets. Het openbaar vervoer of de fiets repareren was te duur. Ze kreeg een fiets van ons. Sindsdien is ze weer op school.”
Dat veel leerlingen van praktijkscholen in armoede opgroeien, ziet ook Mariëlle Arnoldus – Van Pro naar Prof-projectleider. Ze komen uit gezinnen met lage inkomens, zegt ze. „Die hebben vaak financiële zorgen, ondanks dat de ouders veel werken. Waardoor de kinderen minder vaak worden voorgelezen, minder snel bijles krijgen. Ze hebben niet de kansen gekregen om alles eruit te halen wat erin zit.”
Met het geld van het project kunnen niet alleen benodigdheden voor deze leerlingen worden vergoed, maar ook, zo vertelt Bous, „merken we na drie jaar dat we veel beter zien waar de problemen vandaan komen”. Bijkomstig voordeel is dat „verborgen problemen veel sneller naar boven komen”.
Met een nat doekje maakt Bruce de binnenkant van de aanhangwagen schoon. Hij kent kinderen die van het project spullen krijgen, zoals een schort of een fiets. „Dat is goed. Dan komen ze niet te laat op school.” Zijn werkschoenen en overall betaalt Bruce zelf. „Ik heb op mijn overall mijn naam laten zetten. Ik raak nogal snel dingen kwijt.” Zonder de juiste spullen mogen de scholieren niet aan de slag. Bruce begrijpt dat wel: „Een schep op je voet kan zeer doen.”
De studenten gaan met de aanhangwagen naar een andere locatie, voor hovenierslessen. ”Soms gaan we naar mensen van wie de tuin d’r niet goed bijstaat”, vertelt Bruce. „Vorige keer moesten we bijvoorbeeld de tuin van een leraar opknappen.”
Bruce, leerling op De Bolster.
Een praktijkschool duurt gemiddeld vijf jaar en is voortgezet onderwijs voor leerlingen die lastig uit boeken leren, minimaal drie jaar leerachterstand hebben en een IQ tussen de 55 en 80. Ze krijgen veel praktijklessen.
Bruce vindt de praktijkschool fijn. „Ik had veel moeite met rekenen en taal. Dat was frustrerend”, vertelt hij, terwijl hij de laatste scheppen met water en een borsteltje schoonmaakt. En hij „vond het ook echt leuk” om tijdens de projecten met z’n handen te werken.
Dat is ook waarom Abdulraham (17) naar De Bolster ging. In de garage van de school verwijdert hij een autoband van een velg, om de onderdelen te controleren op beschadigingen. Later wil hij een eigen garage beginnen. Hij is vierdejaars en hoopt nog veel te leren uit de praktijk. „Op een stage leer je wat meer”, zegt hij, wijzend naar een motorblok in een groene auto. „Op mijn stage hebben we zo’n motor er laatst uitgetild.”
Sommige problemen blijven juist tot de stage onzichtbaar. Bous: „Een jongen was gestopt met z’n stage. Hij kwam een paar keer niet opdagen. Wat bleek: hij deelde noodgedwongen een fiets met zijn broertje.” Omdat hij voor de stage steeds ergens anders moest werken, werd dat een probleem. Van Pro naar Prof betaalde een nieuwe fiets en de jongen kon opnieuw op stage.
Rian Bous, stagecoördinator en mentor op De Bolster.
Dat bedrijven niet meer doen om leerlingen met weinig geld te ondersteunen, vindt Bous logisch. „We werken vaak samen met kleinere bedrijven en zijn allang blij dat die de tijd en ruimte voor onze leerlingen maken. Het is geen reguliere stage. Ze hebben iets meer tijd en begeleiding nodig.”
De pilot zou drie jaar duren. Dit is dus het laatste jaar dat scholen aanspraak kunnen maken op het Van Pro naar Prof-project. Maar Bous hoopt dat het wordt voortgezet: „Andere routes kosten tijd. Met dit geld kan je meteen verhelpen wat het functioneren op school in de weg staat.”
Projectleider Arnoldus wil dat de pilot blijft bestaan. Het Rijk, gemeenten en grotere bedrijven zouden daarin een grotere rol kunnen spelen. „Gemeenten zijn er verantwoordelijk voor dat deze studenten kunnen werken. Daarnaast zijn ze keihard nodig op de arbeidsmarkt. Als bedrijf moet je in het begin misschien iets meer investeren, maar uiteindelijk krijg je er heel goede medewerkers voor terug.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie