Nu de meeste pensioenfondsen zijn overgestapt op het nieuwe pensioensysteem, of dicht bij die overstap zitten, weten werknemers waar zij aan toe zijn. Hoewel? Zeker bij jongeren kunnen de verwachte pensioenbedragen enorm fluctueren.
In het beste geval komt je pensioen uit op vier keer je huidige salaris, in het slechtste geval op de helft. Zó ver kunnen de voorspellingen uiteenlopen voor jonge overheids- en onderwijsmedewerkers die bij het ABP zitten.
Op 1 januari gaat het pensioenfonds met 3,2 miljoen deelnemers over naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarna kunnen zij, net als deelnemers van pensioenfondsen die al zijn overgestapt – waaronder die voor zorgsector, techniek en bouw – elke maand online bekijken hoe het ermee staat. Zeker bij de jongere groep kunnen die bedragen elke keer behoorlijk schommelen.
Niet doen, is het bondige advies van Roelf van der Ploeg, die namens de vakbonden onderhandelde over de ABP-pensioenregeling. „Eén keer per jaar met een schuin oog naar die bedragen kijken, is wel genoeg. Zeker als je jong bent, zeggen die uitschieters heel erg weinig.”
Dat is wennen, want in het oude systeem hielden pensioenfondsen hun deelnemers vaste pensioenbedragen voor. Weliswaar bleken die in de praktijk niet altijd haalbaar – zo werden de pensioenen lang niet altijd verhoogd met de inflatie en soms zelf gekort. Maar in grote lijnen wist je wat je kreeg. In het nieuwe stelsel bouw je je eigen pensioenpotje op, waarbij alleen de betaalde pensioenpremie vaststaat en het afwachten is wat je na pensionering binnenkrijgt. Al klinkt dat onzekerder dan het is.
Dat zit zo. De heftige fluctuaties die werknemers op hun pensioenoverzichten kunnen aantreffen, doen zich alleen voor in uitzonderlijke situaties. Fondsen zijn verplicht die inschattingen te baseren op de economische scenario’s die De Nederlandsche Bank elk kwartaal opstelt. Naast de verwachte bedragen bij een goed, een slecht en een normaal toekomstscenario krijgen deelnemers ook inzicht in het pensioenpotje dat zij daadwerkelijk aan het opbouwen zijn. Daarin zitten de premiebetalingen, plus het beleggingsrendement dat ermee is behaald. Dit bedrag is volgens Van der Ploeg veel inzichtelijker.
Dat de pensioenverwachtingen vooral voor jongeren zo extreem kunnen zijn, komt doordat voor deze groep voortaan puur in aandelen wordt belegd. Die zijn risicovoller dan bijvoorbeeld obligaties. Maar het idee is dat zo op langere termijn meer rendement is te maken, en dat er met een groeiend kapitaal genoeg tijd is om tussentijdse dips in te lopen. Vanaf ongeveer 45 jaar verschuift het accent geleidelijk van aandelen naar veiliger beleggingen, zoals obligaties.
De precieze aanpak verschilt per pensioenfonds, aldus voorzitter Ger Jaarsma van koepelorganisatie de Pensioenfederatie, maar in het algemeen geldt dat de fondsen minder risico nemen naarmate deelnemers dichter bij hun pensioen komen. „Je wilt niet dat het, als iemand vlak voor zijn pensioen zit, net de verkeerde kant op gaat.”
Wat ook doorwerkt in de scenario’s is de door De Nederlandsche Bank vastgestelde risicovrije rente. Pensioenfondsen gebruiken die bij de berekening van toekomstige uitkeringen. Een hoge rente is gunstig, een lage rente levert minder op en is dus ongunstig. De pensioenfondsen dekken dit risico (grotendeels) af voor deelnemers vanaf een jaar of zestig, met verschillende soorten obligaties en financiële instrumenten als renteswaps.
Naarmate je ouder wordt, nemen de fluctuaties in de voorspelde pensioenbedragen dus af, dankzij veiliger beleggingen en afdekking van het renterisico. Zo zal een begin-zestiger bij het ABP naar verwachting nog hooguit zo’n 10 procent verschil in verwacht pensioen voorgeschoteld krijgen, in plaats van de uitschieters van honderden procenten die jonge deelnemers kunnen aantreffen op hun overzicht.
Daarbij gaat het om het bedrag dat je krijgt wanneer je net met pensioen gaat. Want ook na pensionering staat het maandbedrag nog niet helemaal vast. Het pensioenkapitaal blijft namelijk belegd, voor een deel ook in aandelen. Daardoor kan de pensioenuitkering nog omhoog, is het idee. Dat is nodig om de inflatie bij te houden. In sommige gevallen kunnen deelnemers er bij pensionering voor kiezen dit flexibele pensioen te verruilen voor een vaste uitkering via een verzekeraar. Een klein deel van de pensioenfondsen biedt deze mogelijkheid.
Omhoog is mooi. Maar wat je niet wilt, is dat het pensioen tijdens de uitkeringsfase lager uitpakt na een slecht beleggingsjaar. Voor deze situatie zijn twee ‘schokdempers’ bedacht, zegt Pensioenfederatie-voorzitter Jaarsma. Ten eerste worden de jaarlijkse beleggingsrendementen gespreid over meer jaren. Volgens de wet mag daarvoor tien jaar worden uitgetrokken, maar de meeste pensioenfondsen kiezen volgens Jaarsma voor drie jaar. Dit betekent dat wat je er als gepensioneerde in een bepaald jaar bij krijgt, het gemiddelde is van de voorgaande drie jaar. Een eventueel negatief beleggingsrendement wordt zo verzacht.
Daarnaast leggen pensioenfondsen reserves aan voor deze situatie: de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve. Hiermee worden voor gepensioneerden tegenvallers aangevuld. FNV-bestuurder Van der Ploeg noemt een voorbeeld van een zeventiger die zijn pensionering begon met een maandelijkse uitkering van 1.000 euro, een bedrag dat in de loop der jaren steeg tot 1.070 euro. „Zit het allemaal tegen en dreigt dit bedrag terug te lopen, dan vult het ABP het aan tot die 1.070 euro.”
Dan is elk risico op een lager pensioeninkomen dus geweken? Dat is wat al te stellig, zegt Jaarsma. „Met de reserves is veel op te vangen, maar de fondsen kunnen zo’n aanvulling natuurlijk niet voor 100 procent garanderen. Stel dat je meerdere slechte beleggingsjaren achter elkaar hebt, dan zou het kunnen dat de reserve niet meer zo vol zit en dat de pensioenen wat moeten dalen.”
Toezichthouder AFM waarschuwde dit jaar dat deze kans in extreme situaties „reëel” is, zeker als risicovol wordt doorbelegd tijdens de uitkeringsfase. Denk aan een langdurige crash op de financiële markten.
Zorgen die fluctuaties in verwachte pensioenen voor grote onzekerheid bij de deelnemers aan een pensioenfonds? Dat blijkt nogal mee te vallen, zegt Lisa Brüggen, hoogleraar financiële dienstverlening aan de Universiteit Maastricht, met een bijzondere leerstoel in pensioencommunicatie. Brüggen is ook directeur van kennisnetwerk Netspar, dat meermaals per jaar het vertrouwen en de emoties peilt van ongeveer twintigduizend deelnemers van tien pensioenfondsen.
Brüggen: „Mensen vinden die schommelingen natuurlijk wel een beetje spannend. Ze vinden het lastig te duiden aan welk pensioen ze moeten denken. Toch zie je dat ze gemiddeld genomen best positief zijn over het nieuwe stelsel.”
Die conclusie komt overeen met de bevindingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), dat wat breder het vertrouwen in het Nederlandse pensioenstelsel meet.
Toch vindt Brüggen dat sommige pensioenfondsen de consequenties van de nieuwe regeling wel wat duidelijker mogen uitleggen. „Zij kunnen explicieter maken welke keuzes ze hebben gemaakt. Kiezen ze tijdens de uitkeringsfase vooral voor behoud van koopkracht, met de risico’s die daarbij horen? Of leggen ze meer nadruk op zekerheid, met als consequentie een lager verwacht pensioen? Zo begrijpen deelnemers beter wat zij kunnen verwachten.”
Er zijn wel gezamenlijke pogingen gedaan, door pensioenfondsen, werkgevers en de overheid. Brüggen was zelf vanuit een adviesgroep betrokken bij de informatieve website pensioenduidelijkheid.nl. „Maar ik vraag me af hoeveel mensen deze site kennen. Het blijft lastig om met simpele duiding te komen zonder dat de nuance verloren gaat én om mensen ervoor te interesseren.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie