Intergenerationeel trauma Jaap Goudsmit, die beroemd werd als aidsonderzoeker, schreef zo’n twintig boeken over medische onderwerpen. In een nieuw persoonlijk boek vraagt hij zich af: ben ik geworden wie ik ben door de Holocaust, of doordat ik mijn vader niet kende? „De Holocaust excuseert alles. Voor de mensen die het hebben meegemaakt dan.”
In 2020 begon u na te denken over hoe u verder moest in uw leven. U werkte al een paar jaar als hoogleraar aan Harvard, de top.
„Ja.”
„Klopt, op dat moment al 49 jaar met dezelfde vrouw.”
„Ja…”
„Natuurlijk dacht ik: hier klopt iets niet. Maar ik weet niet hoe jij in elkaar zit. Ik vind dingen die ik niet begrijp verreweg het interessantst.”
Leer mij mijn vader kennen, het nieuwe boek van Jaap Goudsmit (Amsterdam, 1951), zit vol momenten waarop je als lezer denkt: hoe is het mogelijk? Bijvoorbeeld wanneer de viroloog schrijft dat hij opgroeide zonder vader, maar zich tot de dood van zijn moeder in 2017 nooit echt afvroeg wat voor iemand die vader was. Een vader, die hij af en toe wel tegenkwam in het Academisch Medisch Centrum waar ze allebei werkten, maar die hij nooit ‘pa’ of ‘pap‘ noemde maar ‘Rob’. Hoe is het mogelijk, denk je ook als Goudsmit zijn promotieonderzoek omschrijft als „een aanfluiting”.
„Je raakt een pijnlijk punt”, zegt hij in de werkkamer bovenin in zijn huis in Amsterdam. „Ik dacht ook: waarom gedraag ik me zoals ik me gedraag? Waarom is het nooit genoeg en blijf ik altijd maar doorwerken? Ik gedraag mij soms ook gek. Dat zegt mijn vrouw ook.”
„Ik heb bijvoorbeeld de ziekelijke neiging om overal veel te vroeg te willen zijn. Het probleem waarmee ik worstel, door het hele boek, is dat ik het te makkelijk vind om de Holocaust overal de schuld van te geven. Komt het dan door die ontbrekende vader, vraag ik me af. En hoe verhouden die twee zich tot elkaar?”
Hij groeide op aan het Vondelpark in Amsterdam. Nog voordat hij een jaar was, gingen zijn ouders uit elkaar. Zijn moeder, actrice Hedda Ly Postma, had in de Tweede Wereldoorlog haar beide grootouders verloren. Zijn vader Rob was allebei zijn ouders kwijtgeraakt. Allemaal waren ze gestorven in Auschwitz. De vader van Rob, die ook Jaap heette en arts was, had besloten niet onder te duiken. Hij had zo lang mogelijk voor zijn patiënten gezorgd, tot hij werd opgepakt, maar wel veilige adressen geregeld voor zijn drie zoons.
Het jodendom speelde nooit een grote rol in het leven van Jaap Goudsmit. De familieleden van zowel zijn vader als zijn moeder waren niet-religieuze Joden. „Diamantbewerkers en dokters, en ze zaten allemaal bij de sociaal-democraten”, zegt hij. In zijn boek vertelt hij dat hij als jongen wel lid wordt van de Joodse socialistisch-zionistische jeugdbeweging Ichoed Haboniem: „Ik ben één keer naar een bijeenkomst geweest en daar werd een quiz gedaan waarbij de vraag werd gesteld: hoeveel sinaasappels voert Israël jaarlijks uit? Alle kinderen wisten het, behalve ik. En ik wist genoeg, vanaf dat moment wilde ik best Joods zijn maar geen Jood worden. De lat lag te hoog, mijn achterstand was te groot, ik zag Israël geen moment als het beloofde land.”
In Leer mij mijn vader kennen legt Goudsmit de dokterscarrières van zijn grootvader, vader en zichzelf naast elkaar. Grootvader Jaap Goudsmit (1895-1945) was algemeen internist met een brede wetenschappelijke belangstelling. Zijn onderzoek richtte zich onder meer op bloedziekten (hematologie) en vitamines. Zijn carrière werd gefnuikt na een affaire met een hoofdzuster. Na de oorlog werd onderzoek dat hij deed met Sally de Jong, de broer van historicus Loe de Jong die de oorlog ook niet overleefde, postuum gepubliceerd. Kleinzoon Jaap denkt dat zijn grootvader het in zich had gehad om het te schoppen tot hoogleraar.
Zijn vader Rob Goudsmit (1926-2023) werd wel hoogleraar, in Amsterdam. Ook hij specialiseerde zich in bloedziekten. Hij had meer kunnen bereiken, denkt Jaap Goudsmit, maar werd geremd doordat „de oorlog in zijn hoofd zat”. „Ik ben ervan overtuigd dat hij in staat was geweest om briljant onderzoek te doen, maar hij wilde coûte que coûte niet opvallen, wat hem keer op keer dwong zo dicht mogelijk bij de middelmaat te presteren.”
Zelf wist Jaap Goudsmit de middelmaat ruimschoots te ontstijgen, al was hij in 1990 op een negatieve manier voorpaginanieuws. Goudsmit dacht samen met hoogleraar organische chemie Hans Buck een behandeling voor hiv te hebben gevonden, op een moment dat de aidspandemie wild om zich heen sloeg. Het NOS-journaal presenteerde de ontdekking alsof ze in Stockholm al klaarstonden om de Nobelprijs uit te reiken. Kort daarna bleek dat Goudsmit onzorgvuldig – „roekeloos” zegt hij nu zelf – was geweest in het uitvoeren van zijn proeven. Het tijdschrift Science noemde hem in 1993 niettemin een van de belangrijkste aidsonderzoekers van dat moment.
Na een uitstap naar het bedrijfsleven (hij maakte onder meer vaccins voor Johnson & Johnson) keerde Goudsmit in 2016 terug naar de academie. Hij werd hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam én Harvard. De Amerikanen hebben zijn aanstelling onlangs verlengd maar wel laten weten dat hij zijn cursus over vaccins op dit moment niet mag geven. „Zelfcensuur”, zegt Goudsmit. „Harvard heeft veel subsidies verloren sinds Trump president is, en vaccins zijn op dit moment niet zo populair in de VS.” Volgend jaar geeft hij de cursus aan de National University of Singapore, ook een topinstituut.
„Dat kwam door mijn oom Joop, de oudere broer van mijn vader. Met hem had ik ook lange tijd geen contact. We begonnen regelmatig af te spreken en elke keer nam hij oude foto’s mee. Ik had van vroeger alleen herinneringen aan mijn moeder, niet aan mijn vader. Dat bleek dus niet te kloppen. Oom Joop nam bijvoorbeeld een foto mee waarop ik, heel comfortabel, op schoot zit bij de tweede vrouw van mijn vader. Ik bleek ook bij de promotie van mijn vader te zijn geweest. Terwijl ik toch niet zo heel klein was, zes of zeven, had ik daar helemaal geen herinnering aan. Ik had verdrongen dat ik regelmatig optrok met de familie Goudsmit. Ik dacht: wat is hier gebeurd? Dit boek is voortgekomen uit een zoektocht naar wat ik verloren had.”
„Nou ja, ik herinnerde het me allemaal niet. Mijn ouders gingen eigenlijk direct na mijn geboorte uit elkaar. Ik ben opgegroeid in de context van mijn moeder, die behoorlijk dominant was. Ze had buitengewoon veel relaties, vooral met acteurs. Het was niet de leukste jeugd. Mijn vader speelde geen rol, al kwam ik hem later wel regelmatig tegen in het AMC.”
„Het is ook allemaal verbazingwekkend! Ik kan niet anders zeggen dan dat mijn vader nooit een rol speelde. Blijkbaar kan ik goed compartimentaliseren. Blijkbaar is dat een eigenschap die ik heb meegenomen uit die jeugd.”
„Hoe neem je belangrijke beslissingen in je leven? Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Het banale antwoord is dat mijn beste vriend op dat moment medicijnen ging studeren. Bovendien ging de hele familie altijd geneeskunde studeren. Dat paste in de Joodse traditie. Je werd arts of jurist – vrije beroepen die zekerheid boden. Zelfs als een middelmatige arts of jurist kon je altijd in je levensonderhoud voorzien.
„Het is natuurlijk allemaal achteraf redeneren. Maar de grootste rol bij mijn beslissing om arts te worden speelde de tweede man van mijn grootmoeder, Henk van der Linde, die patholoog-anatoom in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis was. Hij was een voorbeeld, ik hield van die man. Doordat mijn moeder vooral met zichzelf bezig was, ben ik voor mijn gevoel helemaal opgevoed door mijn grootmoeder van moederszijde. Zij was de stabiele factor in mijn leven, waar ik na schooltijd naartoe ging. Mijn grootouders woonden eerst in het huis hier om de hoek waar ik later met mijn moeder ben gaan wonen. Toen ik een jaar of twaalf was, haalde ik mijn grootvader in het weekend op in het OLVG. Dan reden we naar Loosdrecht, waar ze inmiddels waren gaan wonen, om te varen op hun motorboot. Die mensen hebben me gered uit de gekte.”
„Dat was een definiërend moment. Ik kwam lijkbleek thuis. Mijn vrouw, met wie ik toen al was, vroeg: ‘Wat is er aan de hand?’ Ik dacht: als ik mij niet kan distantiëren van een patiënt, dan moet ik dit niet doen. Eigenlijk wilde ik me specialiseren in neurologie, want dat was mijn beste vak. Ik ben nog gaan praten met een hoogleraar neurologie in Rotterdam over een opleidingsplaats voor neuroloog die mij was aangeboden in Amsterdam. Die raadde mij dat ten sterkste af, ingefluisterd door mijn mentor in Amsterdam. Die zag wel dat ik ergens anders talent voor had. Hij stuurde me naar Amerika om me te bekwamen in wetenschappelijk onderzoek naar infectieziekten.
„Later, in het AMC, had ik nog zo’n ervaring. Begin jaren tachtig lag het daar vol met aidspatiënten. Op de intensive care lag een patiënt die niet wist of hij hiv-positief of negatief was – positief stond toen nog gelijk aan een doodvonnis. Ik vroeg hem of hij de uitslag wilde weten. „Natuurlijk”, zei hij. Toen heb ik hem verteld dat hij positief was. Hij sprong bijna uit het raam. Later heb ik wel geleerd hoe je het moet inkleden als je een onaangenaam bericht geeft. Op dat moment dacht ik: ik heb een goede keuze gemaakt, ik ben niet zo geschikt als dokter.”
In het AMC komt Jaap Goudsmit zijn vader weleens tegen. Eén keer moeten ze samen naar een vergadering. Een andere keer staan ze samen in de lift. Maar tot een echt gesprek komt het niet, al helemaal niet over de oorlog.
In 2020 is Goudsmit te gast in Zomergasten. „Leren overleven volgens de wetenschappelijke methode”, is het thema dat hij kiest. Na ruim twee uur vraagt Janine Abbring wat hij ervan vindt dat zijn vader nooit naar hem heeft omgekeken. „Jammer”, antwoordt hij.
Zijn vader leeft dan nog. Goudsmit belooft in de uitzending contact met hem op te nemen. Dat doet hij door een brief te schrijven, waar hij maanden aan werkt en die hij eerst laat lezen door zijn vrouw en drie dochters. Het is een lange brief met veel vragen. Werd Jaap Goudsmit naar zijn grootvader genoemd om een vacuüm te vullen? Wanneer zag Rob zijn vader voor het laatst? En waarover hadden ze het toen? Het is een invoelende brief, zonder verwijten. Goudsmit bedankt zijn vader. „Het kan niet anders dat ik mijn hersens van jou heb. En die hersens hebben mij het leven bezorgd dat ik heb kunnen leiden tot op de dag van vandaag. Een grotere gift bestaat er niet.”
Het komt tot een ontmoeting. „Als iemand me zo’n lange brief schrijft dan vind ik dat ik die beantwoorden moet”, zegt Rob Goudsmit tegen zijn zoon. Hij beantwoordt een aantal vragen van Jaap. Na drie kwartier maakt hij duidelijk dat het gesprek lang genoeg heeft geduurd.
In 2023 krijgt Rob Goudsmit een hersenbloeding. Jaap Goudsmit hoort het twee weken later: zijn halfbroers hebben zijn telefoonnummer niet. Daarna hebben Rob en Jaap opnieuw enkele ontmoetingen. Jaap, die inmiddels zelf grootvader is geworden, stelt zijn kleinzoon (die Jaap als tweede voornaam heeft) voor aan zijn vader. En Rob zegt tegen zijn zoon dat hij „een goede dokter” is – een emotioneel moment voor Jaap. Enkele maanden na zijn hersenbloeding overlijdt Rob op 96-jarige leeftijd. Bij de begrafenis van zijn vader mag Jaap, tot zijn verrassing, op de eerste rij zitten.
Enkele jaren eerder is een van Goudsmits dochters getrouwd met een Canadees die uit Marokko komt. De avond voor het huwelijk bieden de ouders van de verloofde een diner aan in de tuin van de synagoge van Florence. „Ik wist niet dat Joden zo vrolijk konden zijn”, schrijft Goudsmit daarover.
„Er was een enorme vrolijkheid en enthousiasme. Er werd de hele avond gezongen. Ik kende die kant van het jodendom niet. Deze nieuwe familieleden hadden de hele Holocaust niet meegemaakt.”
„Ja, voor jou is dat misschien genoeg, maar voor mij niet. Mijn dochters, die alle drie heel creatief zijn, zeggen ook: pap, waarom heb je altijd zoveel houvast nodig. Houvast zit voor mij in feiten. En dat heeft, denk ik, te maken met iets waar veel mensen wier familie door de nazi’s grotendeels is uitgeroeid, last van hebben: de behoefte er te mogen zijn. Ik wil heel graag bewijzen dat ik er mag zijn.”
„Ik geloof heilig dat je het meest geconcentreerd nadenkt als je schrijft. Daarom zit ik altijd te schrijven. Als ik op tv iets zie waar ik iets van vind, dan begin ik te schrijven. En ik vind: als je schrijft, moet je eerlijk zijn.”
„Wie heeft wie laten zitten? Dat is een van de vragen die ik probeer te beantwoorden. Ik had al die jaren ook geen contact gezocht.”
„Ja, maar mijn vader had de oorlog meegemaakt. In mijn ogen excuseert de Holocaust alles. Voor de mensen die het hebben meegemaakt dan, niet voor mij. Nee, dat is niet consequent. Maar een mens is niet altijd consequent.”
„Ja, dat denk ik. Ik denk dat ik niet was geworden wie ik ben geworden als ik bij hem was opgegroeid.”
„Ja, dat denk ik. Mijn vader is nooit zo dichtbij gekomen dat ik het gewicht van twee oorlogsgeneraties op me voelde drukken.
„Maar ik heb nog niet de kans gehad daarover te praten met mijn halfbroers. Hopelijk gaan we dat nog doen.”
„Vorige maand heb ik in een vol Parkpaviljoen mijn verjaardag gevierd. Daar waren veel mensen bij die de afgelopen decennia belangrijk voor mij waren. En er was één tafel met iedereen van de familie Goudsmit die nog leeft, onder wie mijn drie halfbroers. Dat was uniek, voor het éérst was de familie compleet. En dat was mogelijk door dit boek. Door het proces van het maken van dit boek.”
Jaap Goudsmit (1951) is de zoon van documentairemaker Hedda Ly Postma en hoogleraar hematologie Rob Goudsmit. Hij groeide op in Amsterdam, waar hij nog steeds woont met zijn vrouw.
Goudsmit kreeg vooral bekendheid als aids-en grieponderzoeker. Goudsmit is emeritus hoogleraar bij het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam en sinds 2016 hoogleraar epidemiologie en infectieziekten aan Harvard in de VS.
Goudsmit werkte ook lange tijd in het bedrijfsleven, bij Crucell, Johnson & Johnson en Leyden Labs. Hij schreef ruim twintig boeken, onder meer over aids, corona en griep.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie