Onderzoeksjournalistiek De Nederlandse journalist Christiaan Triebert onderzoekt voor The New York Times hoe burgers omkomen bij luchtaanvallen. Hij weet waar hij het voor doet. „Het Pentagon gaf na ons onderzoek toe dat ze verkeerd zaten.”
Christiaan Triebert werd de afgelopen maanden ’s nachts soms bezocht door de Iraanse kinderen wier dood hij overdag had onderzocht.
Hij zegt het bijna terloops, in een glazen vergaderruimte op de redactievloer van The New York Times, in New York.
Triebert (35) werkt voor die krant als journalist bij het Visual Investigations team, hij doet openbronnenonderzoek en is gespecialiseerd in het analyseren en verifiëren van openbare informatie. De afgelopen maanden was hij een groot deel van de tijd bezig met onderzoek naar burgerslachtoffers die zijn gevallen bij de Amerikaanse en Israëlische luchtaanvallen op Iran. Hij onderzocht onder meer de aanval op een sporthal en een op een school, eind februari, waarbij 120 kinderen werden gedood.
Om tot dat aantal te komen had hij een lijst bijgehouden, met namen, leeftijden. Hij was op zoek gegaan naar foto’s en video’s van de kinderen toen ze nog in leven waren, en van dezelfde kinderen in een lijkzak, die soms open is, beelden van grafstenen. Om te kunnen vergelijken, om op te tellen, om te bewijzen.
En ’s nachts waren ze weer verschenen, zegt hij, in zijn dromen. Ze praatten tegen hem.
„Dat ik niet verder hoefde te zoeken, dat ze echt overleden zijn.”
Stilte, alleen het geluid van de ijsblokjes in de beker van Triebert, hij maakt er rondjes mee.
„En dan werd ik wakker en dacht ik: wat de fuck is dit, weet je. Dan viel ik weer in slaap, en dan kwam de volgende: ‘Ik ben ook dood, dat heb je toch wel gezien.”
Al in zijn studietijd maakte Christiaan Triebert een sport van geolocatie: hij deed mee aan zoekspelletjes op sociale media om aan de hand van een foto de locatie van iemand te achterhalen. Voor andere deelnemers werd het saai: hij won bijna altijd.
Triebert hield het niet bij gebbetjes.
„Ik ben opgegroeid naast de militaire vliegbasis in Leeuwarden. Nederland speelde zo’n grote rol in de bombardementen op vermeende doelwitten van Islamitische Staat in Irak en Syrië. Daar vielen veel burgerslachtoffers bij, Nederland was daar helemaal niet transparant over. Ik wilde daar iets mee, zo begon het voor mij.”
Zijn kwaliteiten werden eerst opgemerkt door Eliot Higgins, de oprichter van onderzoekscollectief Bellingcat, waar hij zijn carrière begon. En daarna dus door The New York Times, waar hij inmiddels zeven jaar werkt. In de gangen van het gebouw van de krant hangt ook zijn foto in de prijzengalerij. Twee producties waar hij aan meewerkte werden bekroond met de prestigieuze Pulitzer Prize.
„In al die tijd”, zegt Triebert, „zijn burgerslachtoffers de rode draad in mijn onderzoeken geweest.” Slachtoffers die omkwamen door luchtaanvallen in Irak en Syrië, daarna in Oekraïne, in Gaza. En nu dus in Iran. Hij onderzocht ook burgerslachtoffers die vielen door politiegeweld in de VS en, recenter, door de razzia’s van vreemdelingenpolitie ICE.
Een groot deel van zijn werk bestaat uit het kijken naar beelden waar de meeste mensen juist reflexmatig van weg willen kijken. Explosies, gewonden, doden die onder het puin vandaan gehaald worden. Gehuil, geschreeuw, paniek. En dat steeds opnieuw, nog een keer, vertraagd afspelen, terugspoelen, een screenshot maken.
„Door er heel klinisch mee om te gaan. In te zoomen: hier staat een minaret, die kan ik gebruiken om een video te lokaliseren. Door te luisteren of er iets niet klopt in het geluid, te kijken of er misschien in de beelden iets te zien is dat zou kunnen aantonen dat het AI-gegenereerd is.
„Het is voor iedereen anders, op mij heeft geluid veel invloed. Mensen die bijvoorbeeld helemaal overstuur zijn omdat hun baby onder het puin ligt, dat zit in veel materiaal dat we uit Gaza zien. Ik zet het geluid dan na de eerste keer uit, anders wordt het te veel, dan blijft het doorklinken in mijn hoofd.”
Het helpt hem, zegt Triebert, om zich na het werk lichamelijk in te spannen om te verwerken wat hij heeft gezien. Hij is een fietser. Hij is ook meer gaan lezen, fictie, en films gaan kijken. Hij heeft Instagram van zijn telefoon verwijderd, om niet ook in zijn vrije tijd geconfronteerd te worden met de oorlogsbeelden die daar rondgaan. „Maar uiteindelijk haalt het je gewoon in.”
„Ja, secundaire traumatisering. We krijgen hier individuele therapie, betaald door The New York Times, wat heel fijn is. Met therapeuten die gespecialiseerd zijn in trauma’s van journalisten en hulpverleners. En er is iedere maand groepstherapie met ons team.
„Toen ik hiermee begon, als student nog, onderzocht ik Westerse en Russische bombardementen in Irak en Syrië. Ik dacht dat het niets met me deed, ik hoefde er toch alleen naar te kijken. Achteraf denk ik: het heeft toch wel invloed op me gehad. Die dromen dus, die ik soms heb. Soms ook de gedachte: onze belastingcenten worden voor deze aanvallen gebruikt. En het lijkt alsof niemand er een fuck om geeft. Inmiddels heb ik door dat mijn werk ook als tegengif werkt. Ik kan iets bijdragen, als bijvoorbeeld een onderzoek over burgerdoden op tafel belandt bij de mensen die erover gaan bij het Pentagon.”
„Ik denk dat we van nature… Ik geloof wel in de goedheid van de mens, ondanks alles.”
„Tja, waarom? Ik zou het arrogant van mezelf vinden om te zeggen: zie eens hoe slecht de ánder is. Te makkelijk ook, we vergeten hoe snel wij als mensen mee kunnen gaan in iets. Ik denk dat we de verschrikkingen die we anderen elkaar aan zien doen uiteindelijk allemaal in ons hebben. Het leed dat we zien, wordt misschien wel veroorzaakt door mensen die moordlustig zijn. Maar ook door mensen die denken dat ze met iets goeds bezig zijn. Mensen zijn in hedendaagse oorlogen zo ver verwijderd van wie ze aanvallen, wie ze doden. Zo ver, dat ze kunnen zeggen: ik ben maar één stap in wat er gebeurt, ik heb alleen op een knop gedrukt, ik draag de verantwoordelijkheid niet. De banaliteit van het kwaad, om met Hannah Arendt te spreken.”
Triebert vertelt over een collega uit zijn team, die een tijd terug onderzoek deed naar een video uit Gaza. „De meeste beelden die je van daaruit ziet zijn van mensen die onder het puin vandaan worden getrokken, of die omgekomen zijn bij bombardementen. Wat je niet vaak ziet zijn mensen die op straat liggen omdat ze zijn doodgeschoten.” Dat was op deze video wel het geval, het waren een moeder, een vader en hun vier zonen. Ze hadden een witte vlag en een brancard mee, eerder op de dag hadden ze een ander familielid begraven.” Een witte vlag is in oorlogssituaties een manier om te laten zien dat je ongewapend bent.
Het team onderzocht satellietbeelden, online gedeelde beelden, interviewde mensen die erbij waren geweest. En één van de puzzelstukjes vonden ze op de sociale media van IDF-soldaten.
Triebert: „Dan zie je die perversiteit van de hedendaagse oorlog. Mensen vinden het tegenwoordig mooi om foto’s te maken met een analoge camera, die dan te digitaliseren en op Instagram te zetten, dat geeft een mooi effect. Zulke foto’s hadden Israëlische soldaten dus ook van zichzelf gemaakt, poserend in een ziekenhuis in Beit Lahia. Aan de hand van die foto’s wist mijn collega vast te stellen dat Israëlische snipers direct zicht hadden op de familie, toen ze werden doodgeschoten.”
„Het maakt me soms cynisch, neerslachtig ook wel. Het is steeds hetzelfde wat ik doe, en ja, dat is deprimerend. Ik ken inmiddels zoveel wapens, vliegtuigen, de impact die ze hebben.
„Ik vraag me weleens af”, diepe zucht, „wat doet het ertoe om één bombardement te onderzoeken terwijl er tegelijkertijd nog honderd bombardementen zijn waar nog honderden mensen bij omkomen.”
Stilte.
„Er komen burgers om die niks te maken hebben met conflicten. Die onschuldig zijn en die worden gedood. Ik denk dat het een belangrijke taak van de journalistiek is om te laten zien: dit is er gebeurd, dit wapen is gebruikt, dit is waarom het volgens het internationaal recht niet gebruikt zou mogen worden.
„Mijn werk is mijn uitlaatklep om met alle ellende in de wereld om te gaan. Zolang dat zo is, zal ik er mee blijven doorgaan. Ik zou niet weten waar ik anders heen moet met al mijn energie, met mijn frustratie en woede. Ik zou hier nu niet zitten als ik zou denken dat het helemaal geen zin heeft. Ik geloof in dit werk.”
„Toen de VS uit de Afghaanse hoofdstad Kabul vertrokken in 2021, hebben ze een gerichte aanslag uitgevoerd op een man, waarover het Pentagon zei dat het een righteous strike was. Hij zou een zelfmoordaanslag aan het plannen zijn geweest bij het vliegveld. Dat bleek, na onderzoek van ons, niet waar te zijn. Een week later werd ons onderzoek door het Pentagon geciteerd en gaven ze toe dat ze verkeerd zaten, dat ze iemand hadden gedood die er niets mee te maken had.
Dat is, denk ik, de grootste impact die we kunnen hebben: een U-turn van het Pentagon. Dit en vele andere onderzoeken hebben er bij het Pentagon toe geleid dat ze vonden dat er institutionele bescherming moest komen om herhaling te voorkomen, ze hebben de Civilian Protection Center of Excellence opgezet.”
„Woke, ja. ‘Stop the woke’, zegt hij. Als ze er bij het Pentagon minder aandacht aan willen besteden, maakt dat ons werk belangrijker. Ondanks alle talk van Hegseth, kan ons werk er toch voor zorgen dat er intern iets loskomt. We krijgen vaak genoeg berichten van ambtenaren die zeggen: keep up the good work, we need this.”
„Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik niet altijd op mijn hoede ben. Ik heb vroeger, als scholier, veel gelift en altijd gebruik gemaakt van de vriendelijkheid van mensen. Het heeft me geleerd om open te zijn tegenover iedereen die ik ontmoet. Maar dat kan niet meer, omdat er mensen in mijn omgeving geweest zijn die later bleken te werken voor een inlichtingendienst.”
Hij wil er, „om veiligheidsredenen”, niet over uitweiden. Wat hij er nog wel over wil zeggen: „Ik heb niet alleen de verantwoordelijkheid voor mezelf, maar ook voor de mensen met wie ik praat, het is mijn taak om hen te beschermen. Ik vertel niet uitgebreid aan anderen aan welke verhalen ik werk, ik laat mijn telefoon niet onbeheerd achter naast iemand die ik net heb leren kennen.
„Mijn therapeut noemt dit healthy paranoia. Je móét soms ook op je hoede zijn. Er zijn mensen die eropuit zijn om te achterhalen wie we spreken. Collega’s van mij zijn deze zomer vanwege hun werk gedagvaard door de regering-Trump. Daarbij wilden ze niet alleen hun telefoongegevens, maar ook die van hun familieleden onderzoeken. Dat is echt héél erg heftig.” De dagvaarding is uiteindelijk door het Amerikaanse ministerie van Justitie teruggetrokken nadat The New York Times een zaak was begonnen.
„Ik heb daar collega’s, The New York Times heeft er journalisten in dienst. Ik voel me soms schuldig, als ik contact met ze heb. Eerder dit jaar fietste mijn moeder, ze is 74, van Zuid-Frankrijk naar Nederland. Ik fietste een deel van de route met haar mee. In die tijd appte een Palestijnse collega me, waar ik mee bezig was. En dan twijfel ik of ik dat wel moet delen. Want het is pijnlijk hè: wij gaan via Luxemburg, België, een stukje door Duitsland. En hij kan geen kant op, er zijn zoveel mensen om hem heen dood.”
„Ja, en hij vond het natuurlijk mooi. Hij schreef: I’m so proud of your mom, what an amazing, strong woman. I hope I can show her Gaza sometime. En weet je, dat hoop ik ook.”
„Niet heel veel, wat er gebruikt wordt is makkelijk te filteren. We gebruiken ook nooit beeld alleen, het moet ondersteund worden door verklaringen, interviews, satellietbeelden. Op de redactie hebben we het hier recent over gehad. De angst is niet zozeer voor video’s waarin gebeurtenissen te zien zijn die nooit hebben plaatsgevonden. Riskanter is als elementen worden toegevoegd of juist weggehaald in een bestaande video van iets dat echt is gebeurd.
„In onze onderzoeken naar Iran staan video’s centraal waarin je wapens in beeld ziet komen die uiteindelijk inslaan. Die zijn authentiek, dat hebben we vast kunnen stellen. En aan de hand daarvan hebben we ook kunnen zien dat er een [Amerikaanse] Tomahawk is gebruikt en een Precision Strike Missile, een nieuw wapen dat nog niet getest was in een oorlogssituatie. Je zou AI de opdracht kunnen geven: hou alles hetzelfde, maar verander de Tomahawk in een Iraanse raket, die erop lijkt. Gaan we dát dan kunnen uitvogelen? Dat is waar wij bang voor zijn.”
Triebert laat op zijn laptop een filmpje zien dat gedeeld is onder zijn collega’s. Het zijn dronebeelden uit Oekraïne: groene bosjes, in beeld is iemand die lijkt op een Russische soldaat, wapperend met een Russische vlag. „Die dronevideo is echt, dus als je dat geolokaliseert en je bekijkt de satellietbeelden, dan is het er allemaal: die krater ligt er echt, die boom is omgevallen, dat klopt. Maar stond daar écht een man met een vlag? We kunnen het niet vaststellen. Alle tools die we testen helpen ons niet verder.”
„Ja en dit is iets wat we ongetwijfeld alleen maar meer gaan zien. Het gaat ons werk veel moeilijker maken.”
Christiaan Triebert (35) is onderzoeksjournalist, gespecialiseerd in openbronnenonderzoek. Hij studeerde onder meer aan de Universiteit Groningen (internationale betrekkingen en politieke filosofie) en King’s College in Londen. Triebert werkte voor onderzoekscollectief Bellingcat en maakt sinds 2019 deel uit van het Visual Investigations team bij The New York Times.