Home

Gewichtigheid

Eindelijk, er is weer polemiek! Voor wie het gemist heeft: volgens Connie Palmen moeten vrouwen voor radicaal schrijverschap altijd het moederschap opgeven. Dat zei ze in de Volkskrant, naar aanleiding van haar nieuwe roman Johnnie Walker. Schrijvers Marijke Schermer en Lotte Houwink ten Cate reageerden in een opiniestuk: moeders kunnen wél schrijven. (Het stuk bevatte meer woorden, maar het kwam hierop neer.)

Ik vond het een saaie repliek. Natuurlijk kunnen vrouwen schrijven én moeder zijn, bijna niemand ontkent dat. Palmen was hier gewoon Palmen aan het zijn, dat wil zeggen: met veel aplomb stellingen aan het poneren die bij de kritische toeschouwer vragen oproepen, zoals: huh? Of: is dat wel zo? Het interview bevatte er nog meer:

„Elke vrouw kijkt naar zichzelf door de ogen van haar moeder.”

„Elke verslaving bestaat ook uit het terugverlangen naar het gezin, naar een vorm van verdwijnen.”

„Ik houd natuurlijk wel van kinderen. Wie dat niet doet, is een psychopaat.”

„Sentimentele mensen zijn wreed.”

In Buitenhof volgden er nog een paar.

„Dochters liegen beter over hun geluk dan zonen.”

„Alle gezinnen draaien om degene die het meeste lijdt.”

Iemand had ook een opiniestuk kunnen schrijven over niet-psychopathische kinderhaters, over niet-wrede sentimentaliteit, of over liegende zonen. Maar ja, waarom zou je dat doen.

Interessanter dan de inhoud van Palmens stellingen vond ik de stelligheid zélf. Die verraadt een bepaalde gewichtigheid, en een ernst, die mij vreemd is en die me ook niet aantrekt. Veel schrijvers en andere denkers, vooral filosofen, zijn er gek op.

Zelf houd ik van het tegenovergestelde: ironie, lichtheid, zelfspot, spel. Ik vind die superieur aan de zwaarte van Grote Schrijvers en Denkers. Deze zomer las ik een oude bundel van de Britse schrijver Geoff Dyer, getiteld Yoga For People Who Can’t Be Bothered To Do It. Dyer beschrijft daarin zijn dikwijls lethargische tripjes naar het buitenland. In New Orleans staart hij blowend naar de Mississippi, in Rome leeft hij „in the grand manner of writers”: „I basically did nothing all day.” Dit boek is 23 jaar oud, maar de lichte, ironische toon is een constante in Dyers oeuvre. „Ik wil hoe dan ook voorkomen dat ik een ernstig gezicht opzet”, zei hij begin dit jaar in De Groene Amsterdammer.

Een ander voorbeeld is Sander Kollaard, die in 2020, het jaar dat hij de Libris Literatuur Prijs won met Uit het leven van een hond, werd geïnterviewd in de Volkskrant. „Over het hondenboek kan ik eindeloos zwetsen”, zei hij. En: „Ik vind niet zo heel veel. Nou ja, ik vind wel veel, maar ik ben altijd bereid iets anders te vinden.” Ik ren dan meteen naar de boekwinkel.

Maar, dacht ik tijdens het lezen van Dyers bundel, wat nou als er alleen maar dit soort mensen waren? Niet alleen onder schrijvers en denkers, maar onder de hele bevolking. Zou de wereld daarvan opknappen, of zou het een flegmatische, twijfelachtige boel worden, waarin niemand ooit vol overtuiging iets verkondigt? En wie zou de posities innemen die nu veelal gevuld worden door weliswaar irritante maar ook gemotiveerde Gewichtige en Ernstige Mensen, van de politiek tot de VvE-besturen?

Ik stelde de vraag aan mijn vakantiegenoten, beiden speels en niet-gewichtig. We maakten een matrix met de assen ‘ernst – spel’ en ‘gewichtigheid – zelfrelativering’, en plaatsten mensen in de kwadranten. Een moeizame exercitie, want al snel stonden de assen zelf ter discussie: was het maken van een matrix niet speels en ernstig tegelijk, en bewees dat niet de onzinnigheid van die tegenstelling?

Aan het beantwoorden van de hoofdvraag kwamen we uiteindelijk niet toe. Daarvoor was een toewijding nodig die we deze zomeravond in Italië niet konden opbrengen. Of misschien kwam de ober tussendoor met zijn indrukwekkende aanbod aan spritzes.

Eenmaal terug van vakantie las ik Palmens boek en alles eromheen. In De Groene Amsterdammer worstelde Charlotte Remarque met dezelfde vragen als ik. Ze vond Palmen stoer en erudiet, maar haar „loden ernst” bevreemdde haar, net als Palmens „enorme zelfovertuiging en zelfmythologisering”. „Het ontbreekt haar personages aan twijfel, en twijfel maakt de mens. Toch?” JA!, riep ik in gedachten.

Toch irriteert Connie Palmen mij niet. Dat komt doordat ze origineel is. Zo beschrijft ze haar grootmoeder in het boek als een „potige, geestige dienstmeid” en als een „dragonder met een onverzettelijk gezicht en een strenge mond waarin zich in de hoeken zowel een snibbige heerszucht als een gevoel voor humor schuilhield”. Dat is heerlijk om te lezen, zeker in contrast met de dorre taal van AI-modellen. Maar bovenal is het origineel om als vrouwelijke schrijver in het ernstig/gewichtig-kwadrant te zitten. Ze volgde in haar leven „de codes van de mannen”, schrijft Palmen, en dat geldt ook hiervoor. Mannen genoeg die zich in pak laten fotograferen naast een opgezette vos; als vrouw blijf je de uitzondering.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next