Voor haar vertalingen uit het Arabisch kreeg Djûke Poppinga deze week de belangrijkste vertaalprijs: de Martinus Nijhoffprijs. Na meer dan veertig jaar in het vak kan ze nog overvallen worden door paniek. Doet ze een Arabische roman genoeg recht in het Nederlands?
is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
Als student vond Djûke Poppinga (70), gerenommeerd vertaler van Arabische literatuur, het Arabisch eigenlijk helemaal niet leuk.
‘Toen ik van de middelbare school kwam wist ik bij god niet wat ik moest studeren, maar ik vond talen wel erg leuk. Ik dacht: laat ik iets geks doen. En dat werd Arabisch. Maar het kostte mij erg veel moeite om de taal onder de knie te krijgen, ik kreeg het alfabet maar niet in mijn hoofd.’
Inmiddels zijn we meer dan veertig jaar verder. Van worstelende student wist Poppinga uit te groeien tot docent Arabische taal en literatuur aan de Universiteit van Amsterdam (sinds 2022 met pensioen) en tot een van de belangrijkste vertalers van moderne en klassieke Arabische literatuur in Nederland. Ze vertaalde ruim zestig boeken, van onder meer Arabische giganten als de Egyptische Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez en de experimentele Syriër Khaled Khalifa.
Afgelopen juli werd Poppinga voor haar werk bekroond met de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff, de hoogste erkenning in vertalersland. Het was de eerste keer dat een vertaler van Arabische literatuur de prestigieuze prijs toegekend kreeg. ‘Een ambassadeur zonder weerga voor de Arabische literatuur in Nederland’, oordeelde de jury.
We spreken Poppinga begin augustus, een maand voor de officiële uitreiking van de prijs, die plaatsvond op vrijdag 11 september.
In een Amsterdams café vertelt ze over het prille begin van haar carrière, toen er nauwelijks belangstelling bestond voor de Arabische literatuur, de specifieke vertaaltechnische moeilijkheden van het Arabisch en hoe ze de toekomst van haar vak ziet.
‘Ik heb een Friese voor- en achternaam, maar ben geboren en getogen in Luxemburg, en opgegroeid in Brussel, waar mijn vader werkte op een Europese school. Pas op mijn 18de kwam ik naar Nederland, om Arabisch te studeren. Het werd gedoceerd als een soort dode taal, we lazen vooral oude teksten, aan spreekvaardigheid deden we nauwelijks.
‘Pas toen ik zelf naar de Arabische wereld ging, is mijn liefde voor de taal en cultuur echt begonnen. Ik bezocht eerst Tunesië, waar ik een taalopleiding deed van drie maanden. Daarna heb ik samen met mijn partner Richard (Richard van Leeuwen, eveneens vertaler Arabisch, red.) nog enkele jaren in Egypte en Syrië gewoond. Vooral in Syrië hebben we de taal goed geleerd.’
Tunesië, Egypte, Syrië: daar wordt niet overal hetzelfde soort Arabisch gesproken.
‘Nee, absoluut niet. Ik werd al heel snel geconfronteerd met de verschillende dialecten, en dat was maar goed ook, want als vertaler moet je je daar heel goed bewust van zijn.’
Bent u toen ook meteen begonnen met het vertalen van Arabische literatuur naar het Nederlands?
‘Niet direct. Dit was nog eind jaren zeventig, de belangstelling voor moderne Arabische literatuur, zelfs onder Nederlandse arabisten, was toen nihil. In Egypte ben ik toen maar iets voor mijzelf gaan vertalen, gewoon om te kijken of ik het vertaalwerk leuk zou vinden. Ik koos toen voor een novelle van Abdoel Hakiem Kasim, een van de belangrijkste Egyptische schrijvers. Het is nooit gepubliceerd en ligt nog altijd op de plank.’
Volgens Poppinga kwam de Nederlandse interesse in moderne Arabische literatuur in drie golven. Begin jaren tachtig werden vooral werken vertaald van Arabische feministen, aangekocht door kleine uitgeverijen zoals Het Wereldvenster, die zich met name richtten op cultureel-maatschappelijk relevante titels.
Poppinga werd samen met twee andere vertalers door Het Wereldvenster aangezocht voor de samenstelling en vertaling van een bundel verhalen van schrijfsters uit het Midden-Oosten, onder wie de Egyptische vrouwenactivist Nawal el Saadawi en de Marokkaanse Leila Abouzeid.
Een tweede golf kwam op in 1988, toen de Nobelprijs werd toegekend aan de Egyptenaar Nagieb Mahfoez, auteur van sociaal-realistische verhalen over de Egyptische samenleving in de 20ste eeuw. In Mahfoez’ kielzog was er plots ook belangstelling voor andere Arabische schrijvers, onder wie de Libanese schrijver Elias Khoury en zijn landgenote Hanaan as-Sjaikh.
De derde golf, die eind jaren negentig van de vorige eeuw opkwam, volgde uit de belangstelling voor het Israëlisch-Palestijns conflict. Vertaald werd onder meer het werk van dichter en schrijver Ghassan Kanafani, Emile Habiebi, Sahar Khalifa en de dichter en schrijver Mahmoud Darwish, de ongeëvenaarde gigant van de Palestijnse literatuur.
Bij elkaar openden deze bewegingen de weg voor een continue, tot op heden voortdurende stroom aan vertaalde Arabische literatuur. Belangrijk hierbij is ook de rol van uitgeverijen als De Geus, waar heel lang het streven was om minstens één Arabisch boek per jaar uit te geven. Ook de kleine uitgeverij Bulaaq, die in 2000 Sheherazades De vertellingen van Duizend-en-een-nacht uitbracht, is altijd een belangrijke leverancier van Arabische literatuur geweest.
Op het moment is uitgeverij Jurgen Maas het belangrijkste doorgeefluik van Arabische literatuur. Poppinga vertaalde voor Jurgen Maas onder meer het rauwe en magisch-realistische werk van de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun en de gevangenisromans van de Saoedisch-Iraakse schrijver Abdelrahman Munif.
U noemt drie momenten waarop de Nederlandse belangstelling voor Arabische literatuur toenam. Ik had verwacht dat u ook 11 september 2001 zou noemen, toen er in sommige kringen in de westerse wereld honger was naar meer kennis over de Arabisch-islamitische wereld.
‘Daar heb ik niets van gemerkt. Er ontstond eerder een soort terughoudendheid om werk uit dat deel van de wereld uit te geven. Ik denk dat in die jaren vanuit de Arabische wereld toch een soort apologie voor de terreuraanvallen werd verwacht. In de Arabische wereld zijn er bovendien helemaal geen romans geschreven over de aanslag, ik ken er in ieder geval geen een. Wel over de war on terror, trouwens, die het Westen begon in de Arabische wereld na 9/11.’
Hoe zou u de Arabische literatuur omschrijven?
‘De Arabische romanliteratuur is eigenlijk heel jong. Arabische poëzie is eeuwenoud, maar de romanvorm ontstond pas rond het begin van de 20ste eeuw en werd sterk gevormd door de woelige politieke situatie van dat moment. Het was de tijd van westers kolonialisme, onafhankelijkheidsstrijd, van opkomend nationalisme, de Palestijnse kwestie begon te spelen. Arabische romanschrijvers schreven toen heel realistisch om die werkelijkheid weer te geven. Daarbij leunden ze erg op westerse voorgangers zoals Charles Dickens, Honoré de Balzac en Tsjechov, die ook (sociaal)realistisch schreven.
‘Het beste voorbeeld is Nagieb Mahfoez. In het begin schreef hij vooral historische romans, later begon hij aan zijn beroemde Caïro-trilogie, over drie generaties van een Caïreense koopmansfamilie in een tijd van grote politieke en cultureel-maatschappelijke omwentelingen in Egypte. Mahfoez zei weleens: ‘Het liefst was ik doorgegaan met schrijven van historische romans, maar de werkelijkheid drong zich op.’ Datzelfde gold voor veel schrijvers van zijn generatie. Het is literatuur die dicht op de realiteit zit, zonder metaforen, zonder een stream of consciousness en dat soort moderne dingen.’
Is dat altijd zo gebleven?
‘Dat is gaan veranderen na de Zesdaagse Oorlog van 1967, toen de legers van Egypte, Syrië en Jordanië een pijnlijke nederlaag leden tegen het Israëlische leger. Toen is men gaan denken: we moeten onze eigen literatuur meer ontwikkelen, terugkeren naar onze eigen literaire bronnen en minder leunen op westerse literatuur. De vertellingen van Duizend-en-een-nacht was een van die bronnen waarop werd teruggegrepen, en de experimentele vorm van de raamvertelling die daarin wordt gehanteerd.
‘Die ontwikkeling heeft schrijvers opgeleverd als de Syriër Khaled Khalifa, mijn favoriete auteur uit de moderne Arabische literatuur. Hij overleed in 2023, op de veel te vroege leeftijd van 59 jaar. Hij schreef heel fragmentarisch, eigenlijk net zo gefragmenteerd als zijn land is, over een heel specifieke Syrische politieke context, waar de gemiddelde Nederlandse lezer weinig kennis van heeft. Dat maakt het vertalen van zijn werk uitdagend, maar ook erg leuk.’
Wat maakt Khaled Khalifa tot uw favoriete Arabische auteur?
‘Hij was een ontzettend vrije geest, en bovendien erg aardig, ik heb hem een keer mogen ontmoeten tijdens het literair festival Winternachten in Den Haag. Zijn werk gaat over het moderne Syrië, dat wordt verscheurd door politieke, religieuze en culturele spanningen. Maar zijn stijl was volstrekt anarchistisch en grammaticaal vreemd, dat maakte het vertalen enorm lastig. Soms dacht ik: wat staat hier nou?
‘Een van zijn bekendste werken is De poorten van het paradijs (2006), vertaald door Aafke Heuvink. Het boek gaat over een Syrische jonge vrouw die in een religieus fundamentalistisch gezin opgroeit en radicaliseert. Op een gegeven moment wordt ze gearresteerd en in de gevangenis ontmoet ze andere mensen, andere denkbeelden, en deradicaliseert ze langzaam. Als ze vrijkomt, verlaat ze Syrië en gaat studeren in Londen. In de Engelse vertaling van het boek zijn er wel wat rigoureuze ingrepen gedaan om het behapbaar te maken voor het Engelse leespubliek.’
Zoals?
‘Daar heeft de uitgever ervoor gekozen om het hele laatste hoofdstuk uit het boek weg te laten. Dat gaat over de tijd die het hoofdpersonage in Londen doorbrengt, waar ze zich helemaal niet gelukkig voelt. Ze is er depressief, leeft geïsoleerd en wordt ook gediscrimineerd. Het is eigenlijk een soort anti-plot. Ik denk dat de Amerikaanse uitgever dacht: laten we dat er maar uitlaten, dat willen we de lezer niet aandoen, en laten we het boek afsluiten met het moment dat ze eindelijk uit de Syrische gevangenis komt en naar Londen gaat om een nieuw leven op te bouwen.’
Volgens Poppinga zijn netjes afgehechte romans in de Arabische literatuur een zeldzaamheid. Het is geen plotgedreven literatuur, romans kunnen eindigen op een moment dat de westerse lezer juist een duidelijke pay-off verwacht. Poppinga verklaart dit uit de klassieke Arabische prozaliteratuur. Dat waren vaak korte, schelmachtige verhalen, bedoeld om een moraal of een schets van een samenleving over te brengen. Een grootse ontknoping ontbrak.
Een recent voorbeeld van dit soort plotloze literatuur is de roman Het boek van de verdwijning van de Palestijnse schrijfster Ibtisam Azem. Hoewel het in 2014 uitkwam, werd het pas afgelopen jaar uitgegeven door De Bezige Bij, in een vertaling van Poppinga.
Het boek gaat over de culturele en politieke onderdrukking van Palestijnen door de Israëlische staat. De roman opent op de dag dat plotseling alle Palestijnen uit Israël zijn verdwenen. Het gevolg is grote consternatie onder de Israëliërs. Waar zijn hun Palestijnse buren? Waar is de Palestijnse buschauffeur? Staat er iets verschrikkelijks te gebeuren?
De centrale personages zijn een Palestijnse en een Israëlische man. De Israëliër neemt het leven van de Palestijn over: hij gaat in het appartement van de Palestijn wonen, eigent zich zijn bezittingen toe en begint het dagboek van de Palestijn te lezen. Het boek eindigt met het opengeslagen dagboek.
‘Dat werkt enorm goed’, zegt Poppinga. ‘Er is geen plottwist als: en opeens komen alle Palestijnen weer terug. Nee, een open dagboek, en dat is het. Het klinkt onbevredigend, maar het werkt, het laat veel te raden en te denken over.’
Poppinga vertelt dat ze bij sommige vertaalklussen nog altijd overvallen kan worden door acute paniek, door het idee dat ze een Arabische roman niet helemaal recht zal doen in de Nederlandse vertaling. Tegelijkertijd is ze in de afgelopen jaren naar eigen zeggen ook ‘dapperder’ geworden, durft ze veel meer op haar eigen oordeel te vertrouwen.
‘Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat mijn kennis van het Arabisch beter is geworden, en ik beter bekend ben geraakt met de verschillende dialecten.’
Wat zijn zoal de vertaalkwesties waar u mee te maken heeft?
‘In oude Arabische teksten, zoals De Muqaddima van Ibn Khaldûn, ontbreken interpuncties. Dat maakt dat je bij het vertalen zelf moet uitzoeken waar een punt of komma moet staan in een zin. Tegenwoordig wordt er wel interpunctie gebruikt, maar die is vaak willekeurig en komt vaak niet overeen met de Nederlandse interpunctie.
‘Daarnaast wordt in Arabische romans ook snel van perspectief gewisseld, zelfs binnen een zin. En Arabische schrijvers hanteren vaak het ‘verbaal substantief’, een werkwoordsvorm die in het Nederlands heel stijf klinkt, zoals ‘het lopen’.
‘In een Arabische roman kan een zin staan als: ‘Hij vond het lopen heel vermoeiend.’ Dat is in de context van de Arabische taal erg logisch. Maar in het Nederlands klinkt dat vreemd. Dat vertaal je dan het beste door ervan te maken: ‘Hij vond het heel vermoeiend om te lopen.’’
Als mensen aan Arabische literatuur denken, dan stellen ze zich vaak een bombastische, bloemrijke stijl voor. Hoe gaat u daarmee om?
‘In het vertalersvak heb je wat je noemt ‘exotiserend’ en ‘naturaliserend’ vertalen. Bij exotiserend vertalen leg je de nadruk op het in onze oren bloemrijk klinkende origineel, en bij naturaliserend vertalen probeer je de tekst over te zetten in gangbaar Nederlands. Het gevaar van exotiserend vertalen is dat je het origineel op afstand plaatst, er iets grotesks van maakt, dat juist geweld doet aan het origineel.
‘Een voorbeeld: in het Arabisch heb je de groet ‘salam aleikum’, die letterlijk vertaald ‘vrede zij met jullie’ betekent. Dat is een gangbare groet, maar in een Nederlandse vertaling kan het al snel bombastisch klinken. Dus moet je kijken in welke context die groet klinkt. Gaat het bijvoorbeeld om een groep studenten die elkaar met ‘salam aleikum’ begroet, dan kun je daar beter ‘hoi’ of ‘hallo’ van maken. Dat doet meer recht aan het informele karakter van dat moment.’
Heeft u contact met de schrijvers tijdens het vertalen van hun werk?
‘Dat is een gevoelige kwestie. Als een schrijver nog in leven is, dan heb ik meestal wel contact met ze tijdens het vertaalproces. De meesten zijn erg coöperatief, die bemoeien zich niet al te inhoudelijk met de vertaling. Maar er zijn schrijvers die dat wel doen, en dat kan soms erg interessant zijn, maar ook verstorend, ze hebben immers geen kennis van het Nederlands.’
‘Soms zit een schrijver boven op zijn of haar tekst, kijkt hij als het ware over de schouder van de vertaler mee. Ik heb weleens meegemaakt dat iemand wilde dat ik de interpunctie van het Arabisch aanhield. Ik weigerde en zei dat het boek volstrekt onbegrijpelijk wordt als ik dat wel zou doen. Uiteindelijk heeft ze dat wel geaccepteerd.’
Hoe ziet u de toekomst van vertalers uit het Arabisch?
‘Toen ik begon waren we met maar heel weinig vertalers en was er nauwelijks een markt voor Arabische literatuur. De afgelopen twee jaar gaf ik cursussen aan de Vertalersvakschool en daar zag ik dat de situatie inmiddels helemaal anders was. Ik had zes tot zeven cursisten en die hadden het Arabisch echt heel goed onder de knie. Weliswaar waren ze al wat ouder, maar daar zaten genoeg mensen tussen van wie ik met een gerust hart kon zeggen: bij hen is het vertalen van Arabische literatuur in goede handen. Ik vond het erg fijn om te weten dat er mensen zijn die het stokje kunnen overnemen, want ik heb natuurlijk ook niet het eeuwige leven.’
1956 Geboren in Luxemburg.
1974-1985 Studie Arabische literatuur en letteren.
1984 Vertaling van de verhalenbundel De betovering verbroken.
1995 Vertaling van Het verhaal van Zahra door Hanaan as-Sjaikh.
1998 Vertaling van Begin en eind van Nagieb Mahfoez.
1999 Vertaling van Kinderen van Gabalawi van Nagieb Mahfoez (met Richard van Leeuwen).
2005 Samen met Richard van Leeuwen winnaar van de Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs.
2010 Vertaling van Poort van de zon van Elias Khoury.
2010-2022 Docent Arabische taal en literatuur aan de Universiteit van Amsterdam.
2015 Vertaling van Er zijn geen messen in de keukens van deze stad door Khaled Khalifa.
2023 Vertaling van Een klein detail van Adania Shibli.
2024 Vertaling van Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen van Ghayath Almadhoun.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant