In goed gedocumenteerde minibiografieën schetst Benjamin Moser de levens van Joden die het aandurfden kritiek te uiten op Israël. Dat werd ze zelden in dank afgenomen.
is politiek verslaggever van de Volkskrant. Hij was eerder vijf jaar correspondent in Israël en Palestina.
Toen de kladversie van zijn zionistische manifest De Jodenstaat af was, liet de 35-jarige journalist Theodor Herzl het aan een vriend lezen. Wat vond hij van zijn oproep aan de Europese Joden hun rug te rechten en zich met de oprichting van een eigen staat te beschermen tegen antisemitische haat en vervolging? Het kon hen verlossing brengen na tweeduizend jaar ballingschap, toch?
Na enige tijd begon de vriend te huilen. ‘Ik vond deze emotie heel natuurlijk, want hij was Joods’, herinnerde Herzl zich later. ‘Ik had tijdens het schrijven soms ook zelf gehuild.’
Maar tot zijn schrik waren het geen tranen van ontroering. ‘Hij dacht dat ik gek was geworden, en omdat hij mijn vriend was, trok hij zich mijn ongeluk bijzonder aan. Hij liep weg zonder nog een woord te zeggen. Na een slapeloze nacht drong hij erop aan de zaak op te geven, omdat iedereen me voor gek zou verslijten.’
Zo liep het niet. De Jodenstaat verscheen in 1896 en groeide uit tot een van de invloedrijkste politieke pamfletten van de moderne tijd. De Joodse staat kwam er in 1948: met op de vlag een davidster, een volkslied in de herleefde bijbelse taal Hebreeuws en in Jeruzalem een naar Herzl vernoemde berg.
De ideoloog van het zionisme en grondlegger van Israël is in de geschiedenisboeken bijgeschreven. De huilende vriend is vergeten.
De anekdote vat treffend samen wat de Amerikaanse historicus Benjamin Moser wil vertellen met zijn nieuwe boek Antizionisme – Een Joodse geschiedenis: het geluid van Joodse tegenstemmen is door de zionistische overwinnaars gesmoord.
Joden die nu kritiek hebben op de onderdrukking, verdrijving en genocide op de Palestijnen kost het daarom volgens hem veel moeite zich tegen Israël uit te spreken. In allerlei toonaarden wacht hun het verwijt dat ze hun volk verraden, ook in Nederland.
Ze hebben vaak het gevoel ‘de allereersten’ te zijn, schrijft Moser. ‘Met het schrijven van dit boek wil ik ervoor zorgen dat zulke mensen zich minder alleen voelen.’
Benjamin Moser, over een paar dagen 50, verwierf internationaal een groot publiek als biograaf van de Joods-Amerikaanse schrijver en essayist Susan Sontag (2019; bekroond met een Pulitzer) en van de Joods-Braziliaanse schrijver Clarice Lispector (2009), wier werk sindsdien in allerlei vertalingen een revival doormaakt.
Hij woont al jaren in Utrecht, samen met schrijver Arthur Japin. Antizionisme verschijnt daarom eerst in Nederlandse vertaling, twee weken voor het Engelse origineel uitkomt.
In vlot geschreven en origineel gedocumenteerde minibiografieën stelt hij twaalf Joodse antizionisten voor. Vier vrouwen en acht mannen. Het zijn schrijvers, rabbijnen, juristen, politici, kunstenaars en geleerden. Samen omvatten ze 150 jaar aan tegengeluid. Wie denkt dat demonstranten die ‘From the river to the sea, Palestine will be free’ scanderen simpelweg ‘de nuttige idioten van Hamas’ zijn, leest hier dat hun protest juist wortelt in de Joodse geschiedenis.
Tot de bekendere figuren die Moser opvoert behoort de Nederlandse schrijver Jacob Israël de Haan (1881-1924). Voor het Algemeen Handelsblad deed hij vanaf 1919 kritisch verslag van de pogingen een Joodse staat in Palestina te stichten. ‘Een Arabier wordt in een hotel in Tel Aviv even slecht ontvangen als een Jood in vele Duitse of Amerikaanse hotels’, zag hij. Uiteindelijk is hij door zionistische strijders in Jeruzalem vermoord.
Of de vermaarde Amerikaans-Duitse filosoof Hannah Arendt (1906-1975). Zij is verketterd om haar kritiek op de wijze waarop Israël in 1961 in Jeruzalem de nazi Adolf Eichmann vervolgde. Ze zag het als een door premier David Ben-Gurion opgezet ‘showproces’, bedoeld om Joden in de diaspora eraan te herinneren ‘dat het Jodendom ‘met zijn geestelijke scheppingen, ethische overtuigingen en Messiaanse aspiraties vierduizend jaar lang’ tegenover een ‘vijandige wereld’ had gestaan’.
De Israëlische regeringskrant Davar schreef over haar: ‘Zo’n rijkgeschakeerde mengeling met verderfelijke en kwaadaardige elementen ziet men vaker bij Joden als juffrouw Arendt.’
Haar boek Eichmann in Jeruzalem verscheen pas in 1999 in een Hebreeuwse vertaling, 36 jaar na de eerste publicatie.
Maar Moser haalt ook interessante onbekende stemmen naar voren, zoals die van de Egyptische communist Ahmad Sadiq Saad (1919-1988). Als student aan de universiteit van Caïro hoorde hij al in de jaren dertig tot zijn schrik hoe Arabieren alle Joden voor zionisten aanzagen. ‘Ik zei dat het judaïsme een religie is en geen politieke en koloniale beweging zoals het zionisme. Ik riep de studenten op met mij ‘Weg met het zionisme’ te roepen.’ Vlak voor de stichting van Israël analyseerde hij de toestand in Palestina in de klauwen van het kolonialisme (1947).
Of de Braziliaanse journalist Helena Salem (1948-1991). Bij toeval was zij in het Midden-Oosten tijdens de Jom Kipoeroorlog van 1973 en deed daarvan verslag voor Jornal do Brasil. Toen de oorlog tussen Israël, Egypte en Syrië voorbij was, bezocht ze Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon. Toen ‘begon ik voor het eerst echt te begrijpen dat daar de oorzaak van het hele probleem lag, bij dat volk dat bijna drie decennia lang verbannen was en stateloos moest afwachten wat komen ging’.
Haar reportages vielen niet goed bij Joden in Brazilië. Haar vader vroeg of ze over andere dingen wilde schrijven, want de Sefardische gemeente waartoe hij behoorde, wilde hem eruit gooien vanwege haar krantenverhalen.
‘Niemand was bereid me te vergeven’, ontdekte ze bij thuiskomst in 1974. ‘‘Joodse antisemiet’ luidde de beschuldiging meteen.’ Het hield haar niet tegen: drie jaar later publiceerde ze het boek Palestijnen, de nieuwe Joden (1977).
Vooral in Duitsland gaat het wegdrukken van kritische stemmen tegen Israël ver. Het museum Neue Nationalgalerie in Berlijn deed in 2024 alles om te voorkomen dat de Amerikaanse kunstenaar Nan Goldin (1953) zich voor de Palestijnen zou uitspreken bij de opening van haar overzichtstentoonstelling This Will Not End Well.
Het kon de subsidie van de Duitse overheid in gevaar brengen, klonk het dreigend, schrijft Moser in zijn aan Goldin gewijde slothoofdstuk.
Ze sprak toch, een toespraak met als refrein ‘Bent u bang dit te horen, Duitsland?’ Ze noemde vele voorbeelden van kunstenaars van wie er na 7 oktober 2023 optredens waren gecanceld. ‘Soms voor heel alledaagse dingen als het liken van een post op Instagram. Velen van hen zijn Palestijns, 20 procent is Joods.’
De uitreiking van de Hannah Arendt-prijs voor ‘politieke denkers’ aan de Amerikaans-Russische schrijver M. Gessen was een jaar eerder in Bremen bijvoorbeeld teruggebracht tot een overdracht in een klein zaaltje. Gessen had de Gazastrook namelijk vergeleken met ‘een Joods getto in een Oost-Europees land onder nazibezetting’. Niet als boze uitroep op sociale media, maar in een lang essay in The New Yorker, het tijdschrift waarin Hannah Arendt zelf zestig jaar eerder verslag deed van het Eichmann-proces.
Het laat zich raden welke reacties Benjamin Moser op Antizionisme kan verwachten uit kringen die Israël onvoorwaardelijk steunen. In zijn dankwoord neemt hij er vast een voorschot op: ‘Iedere Joodse persoon die zich inzet voor Palestina zal mensen kwijtraken.’
Filosoferen over alternatieven voor de staat Israël zoals we die nu kennen doet Moser nauwelijks. Hij wil vooral aantonen dat antizionisme een traditie van denken is waarvan de aanhangers zich inspannen ‘om een alternatieve visie op het Joodse leven naar voren te brengen, eentje die vrij is van racisme, nationalisme en militarisme’.
Het gangbaarste visioen is de eenstaatoplossing, waarbij Israël en de bezette Palestijnse gebieden samen een land vormen met gelijke rechten voor iedereen. Israël zou dan niet langer een Joodse staat zijn, maar wel een democratie voor al zijn inwoners.
De Joods-Britse historicus Tony Judt sprak zich daar in 2003 voor uit in het beroemde essay Israël: het alternatief in The New York Review of Books. ‘De keuze die het Midden-Oosten de komende jaren wacht is die tussen een etnisch gezuiverd Groter Israël of een geïntegreerde binationale staat van Joden en Arabieren, Israëli’s en Palestijnen.’
Afkeer was zijn deel: het literaire tijdschrift kreeg duizend boze brieven en het Amerikaanse blad The New Republic schrapte Judt van zijn auteurslijst.
Natuurlijk is zo’n toekomstbeeld tamelijk utopisch. Maar voor sceptici had Theodor Herzl een antwoord dat ook hier toepasbaar is: ‘Als je het wil, is het geen droom.’
De genocide in Gaza heeft Joden in de diaspora er al eerder toe aangezet hun afkeer van Israëls koers te delen: een jaar geleden verschenen Geweten van de Nederlandse schrijver Maurits de Bruijn en Being Jewish after the Destruction of Gaza van de Amerikaanse schrijver Peter Beinart. Antizionisme is daar een belangrijke aanvulling op, omdat Moser in zijn eigen worsteling nadrukkelijk terugkeert naar de oerteksten van het zionisme.
‘Als kind dacht ik dat het zionisme stond voor eensgezindheid’, schrijft Moser in de openhartige inleiding De Herzl van mijn grootvader. ‘Hoe anders had mijn leven eruit gezien als ik had geweten dat dit niet het geval was?’
Zijn jeugd in Houston, Texas, speelde zich af in een doorsnee liberaal Joods-Amerikaans gezin. Over zijn ouders: ‘Ze droegen het feminisme en de milieubeweging een warm hart toe. Ze waren tegen het voeren van imperialistische oorlogen. Toch waren ze zionisten. Ze waren beslist geen fanaten: ze hadden heel wat van de wereld gezien, maar nooit de moeite genomen om naar Israël te gaan. (…) Ze waren zionisten omdat iedereen in Amerika, voor zover ik tenminste wist, zionist was. Zeker als je Joods was, maar het gold ook voor anderen.’
Als twintiger ontmoette Moser voor het eerst iemand die het zionisme afwees. Het was schokkend. ‘Ik voelde de gekrenkte trots die zoveel Joden ervaren wanneer er van buiten de Joodse wereld kritiek op Israël wordt geleverd.’ Maar het intrigeerde hem ook en hij besloot op onderzoek uit te gaan.
In de boekenkast van zijn grootouders stond Zionistische geschriften van Theodor Herzl. De bloemlezing was gedrukt in Berlijn in 1905. ‘Een kloek blauw boek.’ De bron.
Het herinnerde aan de Duitse jeugd van zijn grootvader, die nog in Duitse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog had gevochten. Franz Egon had later de laatste letter van zijn achternaam Moses in een r veranderd om in Berlijn zijn Joodse afkomst minder te benadrukken. Maar het antisemitisme van de nazi’s kende geen rem. In 1935 bezocht hij Palestina, maar om onbekende redenen vestigde hij zich er niet.
Drie jaar later, in 1938, het jaar van de Kristallnacht, vluchtte hij naar de VS. Hij overleed er in 1959.
‘Het feit alleen al dat het boek er nog was, leek mijn begrip van de Joodse geschiedenis zo ongeveer samen te vatten’, schrijft Moser. ‘Het tekende een man wiens land zich tegen hem had gekeerd, en die was blijven vasthouden aan de droom die in dit boek werd beschreven.
‘Toen nog maar drie jaar na Hitlers nederlaag de staat Israël werd gesticht, was dit zo’n onwaarschijnlijke triomf, zo wonderbaarlijk, dat het bijna het monsterlijke offer van de zes miljoen leek te rechtvaardigen. Hitler bewees de juistheid van Herzls stelling dat de Joden in de landen van de niet-Joden nooit veilig konden zijn.’
Het kostte tijd om afscheid te nemen van deze samenvatting van de moderne Joodse geschiedenis. Ook al was Moser niet gehersenspoeld opgegroeid in een sekte, of in een dictatuur waarin dissident zijn levensgevaarlijk is. ‘Bijna iedere Joodse persoon die het zionisme afwijst, onder wie alle personen die in dit boek voorkomen, heeft een soortgelijke reis afgelegd’, schrijft hij. ‘Het is al moeilijk om een vreemde taal te leren, maar een moedertaal afleren is nog moeilijker – en het zionisme was voor mij zo’n moedertaal.’
Uiteindelijk duikt Moser in het alfabet van de taal. In de Zionistische geschriften stuitte Moser eerst op de autobiografische schets waarin Herzl zich niets aantrekt van zijn huilende vriend. Hij leest daarna De Jodenstaat, en het valt hem op hoe ‘onnadenkend’ Herzl is. ‘Gedachten die bij anderen – bij iedereen – zouden opkomen, komen bij hem niet op. Het lijkt geen boze opzet. Ze komen gewoon niet bij hem op.’
Als voorbeeld noemt hij de cruciale passage ‘Palestina of Argentinië’, die maar drie alinea’s beslaat en waarin Herzl wat algemene opmerkingen maakt over de keuze van de plek waar de Joodse staat moet komen.
Herzl schrijft: ‘Palestina is ons onvergetelijke historische thuisland. Alleen al van de naam zou een enorm pakkende oproep naar ons volk uitgaan om zich te verzamelen. Wanneer zijne majesteit de sultan ons Palestina zou geven, zouden wij ons ervoor kunnen inzetten heel de Turkse staatsfinanciën te regelen. Voor Europa zouden wij daar een onderdeel van de vestingwal tegen Azië zijn. Wij zouden een voorpost van de beschaving tegen de barbaarsheid vormen. Als neutrale staat zouden wij nauwe banden blijven onderhouden met heel Europa, dat ons voortbestaan zou moeten garanderen.’
De raciale clichés vallen hem op – Joden als financiers, Europeanen als brengers van beschaving, Aziaten als barbaren – maar Moser struikelt er vooral over dat Herzl niets opmerkt over de mensen die al in Palestina wonen. Ze doen er niet toe. ‘Althans niet hier; in zijn latere correspondentie beschrijft hij de Palestijnen als elementen die je kunt verwijderen, mensen die je kunt omkopen zodat ze hun woning en hun land verlaten.’
Achter in de blauwe bundel vindt hij ten slotte het heftige schotschrift Mauschel. Twintig maanden na de publicatie van De Jodenstaat opende Herzl, ondertekend met zijn Hebreeuwse voornamen Benjamin Ze’ev, er de aanval mee op zijn critici in Joodse kring. Het Duitse Mauschel is een kleinerende, antisemitische benaming voor een Jood, in zwang sinds de 17de eeuw.
Hoewel er meteen wat animo bestond voor zijn plan om na de vernederende ballingschap het heft in eigen hand te nemen, was lang niet iedereen meteen enthousiast geweest over Herzls visioen. Sommigen zagen het zionisme uit religieus oogpunt als een anti-Joodse beweging, die brak met de eeuwenoude leerstelling dat alleen God de terugkeer naar Jeruzalem kon bewerkstelligen.
Anderen vonden dat de burgerrechten die Europese landen na de Franse Revolutie aan Joden hadden gegeven nog uitzicht boden op integreren. Met het idee voor een eigen staat bevestigde Herzl volgens hen juist het antisemitische beeld dat Joden intriganten in Europa waren.
Nu zette hij zijn critici op hun plek. ‘Mauschel’, schrijft Herzl, ‘is een antizionist.’ Hij is ‘de vloek die de Joden achtervolgt’.
En: ‘We zijn een volk van sjacheraars en oplichters, omdat Mauschel woekert en streken uithaalt op de beurs. Mauschel is altijd het excuus geweest om ons aan te vallen.’
Niet iedereen die anders denkt is een ‘slechterik’, schrijft Herzl verderop. ‘De houding van een Jood die niet mee wil doen met de zionistische beweging spreekt eigenlijk voor zich: hij gaat aan de kant. Hij is zo geassimileerd dat het lot van de Joden hem niet langer bezighoudt. Hij is simpelweg geen zionist, maar hij is evenmin een antizionist. Hij blijft neutraal, afstandelijk.
‘Mauschel, aan de andere kant, is een antizionist, en dat laat hij op luide, weerzinwekkende manier merken. Mauschel sneert, snauwt, belastert en veroordeelt.’
Het stuk eindigt met een dreigement. ‘Het zionisme zou het voorbeeld van Willem Tell kunnen volgen. Wanneer Tell zich klaarmaakt om de appel van het hoofd van zijn zoon te schieten, houdt hij een tweede pijl paraat. Als het eerste schot doel mist, dient die andere pijl om wraak te nemen. Vrienden, de tweede pijl van het zionisme is bedoeld voor Mauschels borst.’
Theodor Herzl stierf in 1904 op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval. Met zijn medestanders had hij in korte tijd de organisaties opgericht die de basis gingen vormen voor de Joodse staat: het Zionistische Congres als een soort parlement, de Zionistische Bank als financiële instelling en het Joods Nationaal Fonds om geld te werven om grond in Palestina te kopen. Zijn opvolgers voerden zijn visioen uit.
Van zijn retoriek zijn tot vandaag de dag de echo’s te horen. ‘Wij verdedigen Europa’, zei premier Benjamin Netanyahu in april nog in een stille verwijzing naar De Jodenstaat tijdens een Holocaustherdenking. ‘Europa verliest controle over zijn identiteit, zijn waarden en zijn belofte om de beschaving te beschermen tegen barbarij.’
Als student was Benjamin Moser een tijd lang in de greep van de 19de-eeuwse Noorse schrijver Henrik Ibsen. Vaak zet in zijn toneelstukken een opduikend geheim uit het verleden van een personage alles op losse schroeven. Toen hij biografieën ging schrijven, moest hij eraan denken. ‘Ik was bang dat iemand die ik bewonderde, een persoon met wie ik me jaren ging bezighouden, een of andere ellendige misstap bleek te hebben begaan.’
Het gebeurde steeds niet. Tot hij na jaren Zionistische geschriften opensloeg en ‘het griezeleffect van Ibsen’ hem alsnog overkwam.
De huilende vriend van Theodor Herzl heette trouwens Friedrich Schiff. Hij was een collega in Parijs, correspondent voor het Berlijnse persagentschap Wolffs Telegraphisches Bureau.
Even was Herzl van slag geweest door zijn afwijzing. Maar toen een paar dagen later bleek dat Schiff bij het maken van de afrekening van hun telegrammen – ‘een zeer grote reeks uitgavenposten’ – niet goed had geteld en Herzl wel, geloofde hij weer in zichzelf en zette zijn plannen door.
Drie jaar later schrijft hij in zijn dagboek dat Schiff zich alsnog tot het zionisme heeft bekeerd. ‘Net als deze man, die dacht dat ik gek was, zullen alle anderen die me voor gek verklaarden tot inkeer komen. Nu ik eraan denk: hoe groot was de verantwoordelijkheid wel niet van hen die me tegen probeerden te houden. En hoe klein de straf die ze daarvoor krijgen.’
Zionistische Joden verwijten antizionistische Joden vaak dat ze aan zelfhaat lijden – een specifieke vorm van antisemitisme. Zij zien het afwijzen van de Joodse staat als het uitspreken van een doodvonnis: zonder Israël hebben de antisemieten vrij spel om het werk van Hitler af te maken. Als je dat niet begrijpt ben je blijkbaar levensmoe. Dan haat je jezelf.
Maar in het debat over de haken en ogen van het zionisme zijn al heel vroeg doel en middel met elkaar verward. Het doel was een veilig leven creëren voor Europese Joden op een continent waar antisemitisme steeds tot levensgevaar kan leiden. Het middel was de eigen staat. Alleen wie dat bekritiseerde, kreeg als verwijt het doel te bestrijden. Terwijl niets uit de gebundelde biografieën van Antizionisme erop wijst dat daarover verschil van mening bestaat. Het maakt het tot zo’n tragisch debat.
Benjamin Moser: Antizionisme – Een Joodse geschiedenis. Uit het Engels vertaald door Toon Dohmen. De Arbeiderspers; 448 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant