Toen de Twin Towers instortten, werd politicoloog Francis Fukuyama het mikpunt van spot, met zijn theorie over het einde van de geschiedenis in een frictieloze wereld. Toch had hij best een punt.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Ook als je allang afgestudeerd bent, blijft het voelen alsof het nieuwe jaar begint in september. De vakanties zijn voorbij, je agenda vult zich weer. Je hebt frisse moed.
Het was de tweede dinsdag van de maand. Onbewolkt, ongeveer 18 graden in de ochtend. Mensen gingen naar hun werk, naar school. Laten we zeggen dat ze om half negen begonnen.
Hoelang was 11 september 2001 gewoon een dinsdag?
American Airlines-vlucht 11 raakte het World Trade Center om 8.46 uur. Er zijn genoeg nieuwsbeelden van New Yorkers die omhoogkijken – naar de rokende open mond, een gehavend gebit in het gezicht van de noordtoren van het WTC – en speculeren dat het een menselijke fout is, misschien iets meteorologisch.
Om 9.03 uur was het speculeren klaar. United Airlines-vlucht 175 boorde zich in het midden van de zuidtoren. Die avond al hingen New Yorkers tegen beter weten in foto’s op van familieleden. Aan lantaarnpalen, aan parkbankjes: heeft u mijn vermiste echtgenoot gezien?
Voor de rouwende mensen was de tijd bevroren, maar voor alle anderen was er het gevoel van een sprong vooruit. Dit was niet het begin van een nieuw collegejaar, maar de geboorte van een nieuwe wereld.
In The New Yorker schreef Susan Sontag een commentaar van drie alinea’s dat haar meer haatmails opleverde dan de rest van haar oeuvre bij elkaar. De VS moesten opnieuw nadenken over hun rol in de wereld, suggereerde ze. Direct na de aanslagen vulde de wezenloze retoriek van macht de lucht. De VS zouden laten zien hoe krachtig ze waren en dat baarde Sontag zorgen, want de president was niet de grootste strategische denker. ‘Wie twijfelt eraan dat Amerika sterk is? Maar dat is niet het enige dat Amerika moet zijn.’
‘Laten we samen rouwen’, schreef Sontag. ‘Maar laten we niet samen dom zijn.’
Er was één iemand die na 11 september voor dom werd versleten. En dat was in eerste instantie niet, zoals Sontag voorspelde, president George Bush.
Het was Francis Fukuyama, op dat moment hoogleraar aan de Johns Hopkins-universiteit, op de faculteit voor internationale studies in Washington D.C. Vanuit zijn werkkamer kon hij die dinsdag de rook boven het Pentagon zien opstijgen.
Fukuyama had Het einde van de geschiedenis geschreven, eerst als essay in het tijdschrift National Interest (in 1989), daarna als boek (in 1992). Zijn these werd gezien als de doctrine van de nieuwe wereldorde die na het ineenstorten van de Sovjet-Unie was ontstaan: de 21ste eeuw ging van start met het geloof dat de enige valide wereldmacht, de democratische, vrijemarktdenkende Verenigde Staten waren. De liberale democratie was zodoende het natuurlijke eindpunt voor de ontwikkeling van elke samenleving. We zouden richting een Pax Americana evolueren, rijk, vermogend, vrij. Globalisering zou regionale geschillen overstijgen, omdat landen over de hele wereld zoals de VS wilden worden.
Dit wereldbeeld stortte op 11 september samen met de torens in, en Fukuyama’s titel werd direct het mikpunt van spot. ‘De geschiedenis is terug van vakantie’, kopte The Wall Street Journal kort na de aanslagen.
En nog steeds is Fukuyama’s naam een sneltoets voor wie wil verwijzen naar een te optimistisch toekomstbeeld, waarin het Westen naïef dacht dat de rest van de wereld precies zoals het Westen zou willen worden.
Zoek zijn naam in databases van de kranten en je vindt maandelijks, zo niet wekelijks, verwijzingen naar hem in commentaren en columns en opiniestukken. Of je komt hem bijvoorbeeld tegen bij cabaretier Merijn Scholten, die voor de zomer lofrecensies kreeg voor zijn voorstelling Lemming, met daarin een hardcore-lied waarin hij Fukuyama affakkelt. Of zie de jarennegentigspecial van Volkskrant Magazine, dit voorjaar, waarin zijn these werd samengevat als ‘na het verdwijnen van de Muur en apartheid zal een verenigd Europa en een vrije markt niets dan eeuwigdurende democratie en economische voorspoed brengen. Voor nostalgie is geen tijd.’
De critici dragen hem zijn optimisme na als naïviteit. De geschiedenis kwam niet ten einde, dummy! 11 september! De Joegoslavië-oorlogen! Zet je roze bril af!
De kredietcrisis voegde hier een extra laag aan toe. Wat nou: de vrije markt maakt gelukkig? De vrije markt schept monsters!
Ik wil niet die guy zijn die nu zegt: ‘Al die mensen hebben Fukuyama’s boek niet gelezen (en ik wel!).’ Maar als je deze samenvattingen keer op keer tegenkomt, is het moeilijk iets anders te denken. Ze hebben het boek niet gelezen, of anders zijn ze het onderhand weer vergeten.
Want als je 25 jaar na 9/11 Fukuyama’s boek leest, denk je: hij had best een punt.
Om te beginnen? Nou, om te beginnen bedoelde hij met ‘geschiedenis’ niet: gebeurtenissen. Oorlogen. Verkiezingen. Technologische doorbraken. Rampen. 11 september stond in die zin volledig los van zijn these. Over de Koude Oorlog had hij het nauwelijks.
Fukuyama benaderde geschiedenis, in navolging van Hegel, als een filosofisch concept, dat een zekere ontwikkeling kende over de politieke systemen waarin mensen het beste konden samenleven. Alsof het evolutieleer was, waren sommige vormen afgevallen omdat ze onleefbaar bleken – het fascisme, en meer recent het communisme. Dat het liberalisme van Noord-Amerika en West-Europa overbleef, was geen toeval.
Nu verwijzen we graag naar Fukuyama als een profeet van het liberalisme en dan doelen we meestal op: de perfide zucht naar geld. Liberalisering, oftewel kapitalisme. We zien meteen de versplinterende marktwerking in de zorg voor ons. Dat is niet direct waar het hem om gaat. Fukuyama heeft het zeker ook over kapitalisme, maar veeleer bedoelt hij liberalisme als een bepaalde rechtsorde waarin het individu rechten bezit die niet kunnen worden aangetast door de overheid.
Meer dan om welvaart ging het hem om respect. Hegel merkte al op dat de mens ‘het verlangen van andere mensen verlangt’. Hij bezit eigenwaarde, hij kan niet leven met het uitblijven ervan. De mens is de enige levende soort die uit verlangen naar waardigheid zijn leven zal riskeren.
In zijn ideeëngeschiedenis legt Fukuyama uit dat je in cultuur, religie, werk, nationalisme, oorlog en zelfs seksualiteit erkenning kunt waarnemen als motor van de geschiedenis. En in geen enkel ander systeem is erkenning zo gegarandeerd als in de liberale democratie, schreef hij, vrij naar zijn inspiratiebron, de Frans-Russische filosoof Alexandre Kojève, die in de jaren dertig in Parijs doceerde. Kojève meende dat de winnaars in het gevecht om erkenning niet dominant zullen willen blijven over de verliezers. De winnaar zal namelijk als mens erkend willen worden, en die erkenning kan hij alleen ervaren als hij de verliezer op gelijkwaardige voet laat bestaan. Zo voedt vrijheid vrijheid.
Het liberalisme biedt die gelijkwaardige voet, zegt Fukuyama. Het biedt maximale bescherming tegenover maximale vrijheden, vastgelegd in een grondwet. Via verkiezingen praat de burger mee over zijn bestuur, en wordt hij gehoord – erkend. Via vrijheid van godsdienst, meningsuiting, vrijheid van kapitaal en economisch recht kan de mens zich verheffen en tonen aan de wereld.
Zo kwam hij anno 1992 tot de conclusie: ‘We kunnen ons nauwelijks een toekomst voorstellen die veel beter is dan de onze, of een toekomst die niet wezenlijk democratisch en kapitalistisch is. (…) We kunnen ons geen wereld indenken die wezenlijk verschilt van de huidige en tegelijk beter is.’
Dat is het eindpunt van de geschiedenis, met hoofdletter G.
Die zinnen wapperen nu als rode vlaggen in een stierenweide. Want overal zijn mensen aan het bedenken hoe we beter, eerlijker, vrijer kunnen samenleven. Wie probeert er in godsnaam niet iets beters te bedenken in deze zomer van vuurzeeën en droneaanvallen?
Is Fukuyama’s eindpunt geen gebrek aan verbeeldingskracht? Je zou graag ja willen zeggen. Maar drie decennia na zijn boek zijn er weliswaar tal van systemen die de liberale democratie beconcurreren (China, Rusland, Silicon Valley), maar die zijn niet democratisch en/of niet liberaal, en denken zeker niet in gelijke rechten en erkenning voor iedereen.
En natuurlijk kan Fukuyama geen ongelijk krijgen. Want hij deed geen voorspelling, hij schetste geen wetmatigheid die het eindpunt van onze ontwikkeling garandeert. De liberale democratie kan als een oude schoen uit elkaar vallen – maar voor zijn argument doet dat er niet toe. Het wees op wat voor hem het hoogwaterpunt is van een maatschappijvorm die de menselijke zucht naar erkenning belichaamt. Het waterpeil kan zakken, maar dat hoogste punt blijft staan.
Hij bedoelde het ook niet triomfantelijk. Een liberale democratie moet door democraten overeind gehouden worden, en hij stelt zelf de vraag of dat wel lukt, want aan het einde van de geschiedenis wacht de laatste mens.
Dit is de volledige titel van zijn boek – Het einde van de geschiedenis en de laatste mens – en de reden waarom je altijd moet opletten als iemand slechts over Het einde van de geschiedenis praat. De volledige titel bevat de clou van zijn betoog, en wie de hele titel niet kent, kent die clou niet.
Wie is de laatste mens? Je komt hem, denk ik, tegen in de pas verschenen, redelijk fascinerende essayroman van Michiel Lieuwma, De onverwachte verdwijning van ambiguïteit.
Eén keer valt de naam Fukuyama. Lieuwma schrijft: ‘De wereld is voltooid, schreef Fukuyama’, en volgens mij heeft Fukuyama dat nooit geschreven, en als hij dat wel heeft gedaan, dan leunde hij vast per ongeluk even onhandig op zijn toetsenbord en bedoelde hij het niet zo.
Maar of Lieuwma (1980) tot de laatste bladzijde van Fukuyama is gekomen of niet, zijn roman ademt de geest ervan. De roman bestaat uit de overwegingen van een man die in bad ligt en zijn jeugdjaren heroverweegt, en alle cultuur en filosofen voorbij laat komen die zijn wereldbeeld kleurden.
De wereld van zijn jeugd, dat waren de jaren negentig. In zijn geval in Helmond Brouwhuis, waar hij de groenvoorzieningen voor zich ziet, de wandelwegen voor moeders met kleine kinderen, de autoweg die er ‘op zijn minst aanstootgevende wijze’ doorkronkelt. Zielloosheid: ‘Er lopen geen echte mensen over straat, er is geen werkelijke interesse in elkaar.’
Lieuwma schrijft: ‘Een dikke man koopt op zondag zijn pakje sigaretten in de plaatselijke friettent en meer gebeurt er eigenlijk niet. Het duurt altijd even voordat je ziet dat het verval niet blijkt uit wat er is, maar wat eraan ontbreekt.’
Deze cultuurkritiek is koud, een beetje puberaal hard, maar in zekere zin wil de verteller vasthouden aan zijn puberale helden. Lieuwma’s boek behoort tot de romantiek: tegenover dit Vinex-leven voert hij Richey Edwards op, de tekstschrijver en tweede gitarist van de Welshe socialistische rockband The Manic Street Preachers. Edwards is voor hem de Wereldziel, die zich verzette tegen de commercialisering van de cultuur in de jaren negentig.
Hij kerfde ‘4real’ in zijn arm, toen een journalist hem vroeg of hij niet ook een dertien-in-een-dozijnpopsensatie was. Op zijn 27ste verdween hij; zijn auto werd gevonden bij een brug.
Maar de verteller waant zich niet verheven boven de dikke man die dat pakje sigaretten koopt. In een onverwacht ontroerend beeld beschrijft hij hoe hij in een bioscoop werkt als Piglet’s Big Movie draait, een kinderfilm uit het Winnie de Poeh-universum. Het was na Nine Eleven, schrijft hij, en hoewel hij inmiddels volwassen was, keek hij dagelijks even mee naar Piglet. Speciaal om één scène: Winnie valt in het water, vlak bij een gevaarlijke waterval. Zijn dierenvriendjes pakken elkaars handen beet om een slinger te maken en hem vanaf de kant terug te trekken, maar ze kunnen net niet bij Winnie komen, ze missen nog een heel klein stukje… En dan, met een hoopvol muziekje, zien we twee kleine pootjes over de armen springen. ‘Wie is daar om te bewijzen dat hij het laatste noodzakelijke kleine schakeltje vormt van deze reddingsactie?’
Het is Knorretje.
Telkens schoot de verteller vol: hoorde hij er maar net zo bij als Knorretje, voelde hij zich maar net zo noodzakelijk.
Hoe zou Francis Fukuyama naar Knorretje kijken?
Want de lethargie die Lieuwma beschrijft, is niet te missen in het slotdeel van Het einde van de geschiedenis en de laatste mens.
Voor mij is dit het interessantste deel van het boek, met de grootste voorspellende waarde. Fukuyama springt hierin naar Nietzsche. Van hem is de term ‘de laatste mens’, maar in feite kom je hem al tegen bij Marx, bij Tocqueville, bij Hegel en zelfs bij Socrates. De laatste mens is de burger die woont aan de vlakke horizon van het einde van de geschiedenis. Hij is zich bewust van zijn luxepositie: de goede strijd is gestreden, hij blikt terug op de geschiedenis en vindt het maar gekte dat mensen ooit de wapens grepen over ‘of de mensen christen of moslim, protestant of katholiek, Duits of Frans moesten zijn’. Iedereen kan het nu zelf bepalen, iedereen kan rijk worden, heeft stemrecht. Vrede omringt hem, en zo daalt een deken van passiviteit over hem neer.
In Zo sprak Zarathoestra noemt Nietzsche de laatste mens ‘de zegevierende slaaf’, want de welvaart is als een gouden kooi. De laatste mens heeft geen reden meer zich te verheffen. Fukuyama citeert Nietzsche: ‘Men arbeidt nog, want arbeid is een vermaak. Maar men zorgt, dat het vermaak niet aangrijpt. (…) Wie wil nog regeren? Wie wil nog gehoorzamen? Beide zijn te bezwaarlijk. Geen herder en éne kudde! Ieder wil hetzelfde, ieder is gelijk.’
Zo is de laatste mens – ook een typische jarennegentigterm – een beetje een couchpotato. Hij zit op de bank en hij zapt. Je kunt hem heel goed op de wereld van vandaag projecteren: hij bestelt alles bij Thuisbezorgd. De laatste mens gaat in TikTok-rijen staan want hij krijgt liever van een influencer te horen wat hij leuk moet vinden dan het zelf te ontdekken. Hij weet dat hij zich zorgen zou moeten maken over de heerszucht van Big Tech, maar kan niet zonder zijn telefoon. Hij weet dat het klimaat naar de knoppen gaat, maar wil wel op vliegvakantie – en in zijn eentje maakt hij toch niet het verschil.
De laatste mens stemt, want dat is bedoeling, maar hij moet er niet aan denken om lid te worden van een politieke partij, en wat? Te flyeren in de weekenden voor de verkiezingen?
Fukuyama ziet hem voor zich in de succesvolle liberale democratie van de VS, waar ‘de plichten van het burgerschap minimaal’ zijn, en het land en de staat zo reusachtig dat hij nooit zal denken dat hij meester is over de gebeurtenissen in dat land. Daar legt hij zich bij neer.
Of niet? Hier schuift politicologie op naar psychologie. Fukuyama weet dat de mens geen dier is (‘Een hond ligt het liefst de hele dag in de zon te slapen, als hij maar eten krijgt’) en dus niet in harmonie met louter passiviteit kan leven. En zo voorspelt hij in zijn slotalinea’s: ‘Bestaat het gevaar dat we wel gelukkig zullen zijn maar op een bepaalde manier toch ontevreden met onszelf en daarom de wereld weer de geschiedenis in zullen sleuren, met alle oorlogen, onrechtvaardigheden en revoluties van dien?’
Zoals gezegd: Fukuyama steekt geen jubelverhaal af.
In zijn deze week verschenen memoires, In the Realm of the Last Man, wil Fukuyama zijn focus op die crisis van de laatste mens leggen.
Eerst dit: In the Realm of the Last Man is een aangenaam saai boek. Aangenaam, omdat je al lezende steeds denkt: had ik mijn zaakjes maar zo op orde. Lunchte ik maar zo lekker. Het is een leven van aanstellingen aan topuniversiteiten, uitnodigingen voor congressen over de hele wereld, brainstormsessies met diplomaten en staatslui.
Niet dat hij daar met zichtbaar plezier over schrijft. Over elk onderwerp hanteert hij een water-onder-de-brugachtige toon. Persoonlijke crises gaat hij uit de weg, of misschien heeft hij ze überhaupt nooit als crises ervaren. Zijn vader was duidelijk het type dat onmogelijk liefde of trots voor zijn kinderen kon uitdrukken, maar daar gaat hij amper op in. In 2003 was hij aanvankelijk een groot voorstander van de Irakoorlog, maar toen hij de unilaterale, hegemoniale grootspraak van de falende Bush-regering aanhoorde, keerde hij zich ervan af. Dat kostte hem vrienden, maar soit.
Hij bouwt graag computers. Zijn dochter is ook hoogleraar. Zijn vrouw noemt hij één keer, in het voorbijgaan. Zijn grote hobby is meubelmaken, vertelt hij. Van een omgewaaide walnotenboom in zijn tuin zaagde hij met een kettingzaagmolen dikke planken, die hij twee jaar liet drogen, voordat hij er twee Pembroke-tafeltjes van maakte.
Het zou me niet verbazen als hij soms met een glas wijn bij de planken ging zitten, en een avondje tevreden toekeek hoe ze lagen te drogen.
Een tevreden laatste mens dus.
Maar dan is hij de uitzondering. Fukuyama ziet overal politiek extremisme, aan rechter- en linkerzijde, hij ziet de populistische revoltes en ziet ze als uitwas van het einde van de geschiedenis. Omdat het liberalisme respect evenredig verdeelde, kennen we een ongekende welvaart en vrede. Maar het probleem is dat veel mensen niet willen dat respect evenredig wordt verdeeld; ze willen superieur zijn. Ze willen meer respect dan anderen krijgen.
Fukuyama haalt een van zijn voorbeelden aan, de politiek filosoof Leo Strauss, die stelde dat liberale maatschappijen ernaar streven ‘niet-veroordelend’ te zijn. Verschillende meningen en waarden kunnen naast elkaar bestaan. Maar, zei Strauss, veroordelen is wat ons menselijk maakt. En dus zoeken sommige mensen iets om zich tegen af te zetten, iets om tegen te vechten – omdat de laatste mens zijn niet genoeg is.
Fukuyama: ‘Dit is het defect van liberalisme: sommige mensen willen hun leven op het spel zetten.’
Zo verklaart Fukuyama populisten in de VS en Europa: als mensen niet kunnen vechten voor wat juist is, dan zullen ze vechten voor wat onjuist is. En zo keren ze zich tegen instituten, tegen democratie, tegen hun eigen welvaart.
Eigenlijk is dit een interne tegenstrijdigheid; de wal keert het schip, de geschiedenis kan niet eindigen, want het einde roept een tegenreactie op.
Onherroepelijk kom je in Het einde van de geschiedenis en de laatste mens onhoudbare dingen tegen. In elk hoofdstuk. Fukuyama schrijft nog met het vermoeden dat Japan een wereldspeler zal worden, hij denkt dat technologie onze grootste vriend zal blijken en ziet de Europese Unie als saai maar stabiel. Hij kan zich niet voorstellen dat dictaturen meerdere generaties meegaan, hij is nogal laconiek over sociale klasse en gelooft dat een functionerende economie ongelijkheid ongedaan maakt.
Dan kun je zeggen: slecht gezien. Maar er zit, heb ik altijd het gevoel gehad, in al die columns en opiniestukken een specifiek venijn in de manier waarop hij wordt afgebrand. Dat venijn zegt meer over ons dan over hem.
Het doet denken aan de hardheid waarmee een topsporter die het op de Spelen laat afweten wordt neergesabeld. Het bijt, als een mooie belofte niet uitkomt.
Stiekem geloofden heel veel mensen in het einde van de geschiedenis. Het was ook mooi om in te geloven, toch, als je eerlijk bent, dat het Westen helemaal geramd zat?
Bleek niet waar te zijn. En dus schieten we opnieuw en opnieuw de boodschapper van de onvolbrachte belofte neer. Gelukkig heeft Fukuyama zijn Pembroke-tafeltjes nog.
Francis Fukuyama: In the Realm of the Last Man. Profile; 286 pagina’s; € 19,95.
Michiel Lieuwma: De onverwachte verdwijning van ambiguïteit. Ezo Wolf; 202 pagina’s; € 23,95.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant