In een polder bij Amsterdam werd een hoopgevend experiment gedaan met het telen van grote lisdodde. De rietsigaren zijn bruikbaar als isolatie, de planten zuiveren het water en houden CO2 vast.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
In de verte rijden over een landweggetje boeren op twee trekkers met omgekeerde Nederlandse vlag erop. Dichterbij staat een purperreiger op een struik en vliegen tussen de watersnippen twee steltkluten voorbij. Tientallen karpers krioelen door de modderige slootjes van de Burkmeer, bij Broek in Waterland, onder de rook van Amsterdam.
Ed Buijs, planoloog bij de gemeente Amsterdam, wijst over het stuk land tussen de vele slootjes. ‘Hier’, zegt hij, ‘kan overal nog lisdodde komen te staan.’ En daar verheugt hij zich op. Dit stukje boerenland van 53 hectare is uitermate geschikt gebleken voor een experiment met een relatief nieuw gewas. De grote lisdodde dus, bekend van de grote donkerbruine rietsigaren. Geteeld pal naast de Volgermeerpolder, een rietlandschap op een voormalige vuilnisbelt, waar zwaar giftig vuil ingepakt in folie onder het oppervlak ligt.
De vijf jaar van het experiment zijn nu verstreken, eind van dit jaar volgt een eindrapport. Over de resultaten kan Buijs kort zijn: die zijn hoopgevend. Althans: ‘Het doel was om de teelt van lisdodde ook financieel aantrekkelijk te maken voor boeren. Dat is nog niet gelukt. Maar de teelt zelf lukt redelijk goed en daarnaast levert die veel maatschappelijke voordelen op.’
Een van die prestaties is de verbeterde biodiversiteit. Sinds de lisdoddeteelt en de bijbehorende aanpassingen is het gebiedje ‘een magneet voor vogels’, zegt Buijs. ‘Een waarnemer meldde dit jaar veertig witgatjes. Ook is het een goed broedgebied geworden met bijvoorbeeld jaarlijks broedende zomertalingen en slobeenden. En al voor het tweede jaar steltkluten.’
Dat zagen we met eigen ogen. Torenvalkjes, wintertalingen, krakeenden, bruine kiekendieven en talloze meeuwen vliegen om de bezoekers heen. En schoot daar, tussen het riet, een snor weg?
Het is een mooie bijkomstigheid, maar dit experiment draait toch om de teelt. Waarom eigenlijk lisdodde? ‘Dit is een laaggelegen deel van de polder’, legt Buijs uit. ‘Het gebied is een drooggemalen meertje dat ligt op -4,7 NAP. Dan ben je dus aangewezen op zogeheten natte teelt en moet je een plant hebben die goed tegen het voedselrijke water kan dat hier staat. Het allerbeste zou dan veenmos zijn, want dat slaat de meeste CO2 op en neutraliseert het methaan in de bodem. Maar om diverse redenen kan dat hier niet. Dan kom je al snel bij riet terecht, maar aan riet kleeft een handelsprobleem: dat kun je goedkoper uit China halen dan dat je het uit eigen land oogst.’
En zo kwam de grote lisdodde in beeld. ‘De plant bloeit als een dolle. De rietsigaren produceren enorm veel zaad. Daar zit pluis omheen en dat is een ideale vervanger voor dons en kunstvezels. Een prachtig product voor de circulaire economie.’
De sigaren worden afgesneden, het pluis is bruikbaar als isolatiemateriaal in de bouw en als voering voor kleding. ‘In Londen maken ze er al dure merkkleding van’, weet Buijs.
Bijkomende voordelen, en minstens zo belangrijk: de teelt draagt bij aan een reductie van de uitstoot van broeikasgassen en stikstof. Ook verbetert de aanwezigheid van de plant de sponswerking van de bodem, waardoor water beter wordt vastgehouden. De plant reinigt bovendien dat water. En tot slot kan het gebiedje prima bijdragen aan de opslag van water voor drogere tijden, zegt Buijs. De plant maalt daar niet om: die houdt juist van ‘natte voeten’.
Buijs: ‘Er past ruim een half miljoen kuub water in dit gebied. Afgelopen zomer hadden we tweemaal een regenbui van 40 millimeter. Het water van zomerbuien wordt meestal afgevoerd naar zee, maar eigenlijk is dat niet wat we moeten doen. Als we het in deze polder hadden laten lopen, hadden we tweemaal een half miljoen kuub regenwater beschikbaar gehad. Dat komt neer op 2 meter water. We weten nog niet precies wat het effect daarvan zou zijn op de lisdodde, maar voorlopig schatten we in dat de plant ertegen moet kunnen.’
Last van droogte had dit laagveengebied afgelopen zomer dan ook niet. Terwijl het grootste deel van Nederland zuchtte onder droogte, was er in de Burkmeer niets aan de hand. Dat wil zeggen: er werd ‘gewoon’ water ingelaten afkomstig van de nabijgelegen ringvaart Broekermeer, die via het Noordhollandsch Kanaal weer in verbinding staat met het IJsselmeer. Buijs: ‘Uiteindelijk staat hier voor vrijwel 100 procent water uit de Rijn. Voor het veen is dat niet ideaal: we hebben liever regenwater.’
Dat inlaten is een fluitje van een cent: ‘Om het gebied liggen vele schuiven. Omdat het zo laag ligt, hoef je die alleen maar – met de hand – open te zetten en het water stroomt erin. Elders in het land zou dat alleen met zware pompen kunnen, maar die vergen beheerskosten en energie.’
Dat was betrekkelijk makkelijk scoren dus. Maar een voldoende hoog waterpeil is ook een levensvoorwaarde voor een laag veengebied als dit: zolang het peil hoog genoeg is, oxideert het veen veel minder en wordt er CO2 opgeslagen in plaats van uitgestoten.’
Niet dat alles van een leien dakje gaat in de lisdoddeteelt. Zo was er een probleem te overwinnen: ganzen. Die zitten in grote aantallen in de polders van Waterland, en erger: ze zijn dol op de wortels van de lisdodde.
Dat vergde slim schakelen, legt Buijs uit: ‘We laten de lisdodde zeer vroeg in het voorjaar ontkiemen. In die tijd van het jaar zitten ganzen nog liever op het gras van de boeren om ons heen. In de loop van het jaar wordt het gras minder eiwitrijk en eten ze liever lisdoddewortels. Maar door het vroege ontkiemen zijn de planten dan al zo groot dat het ganzen niet meer lukt ze los te trekken om bij de wortels te komen.’
Het project was niet het eigen idee van de planoloog. ‘Ik voer uit wat de gemeenteraad in 2018 had besloten’, zegt Buijs. Die had twee grote wensen: iets bedenken dat de bodemdaling in het inklinkende gebied met z’n 2 meter dikke veenlaag kon stoppen en tegelijk de biodiversiteit bevordert. Rietsigarenteelt werd de oplossing. Toen de gemeente Amsterdam jaren geleden een tender uitschreef voor het project, was er één inschrijving, door een boer die in Duitsland al met lisdodde werkte. En zo kon het project beginnen.
Zonder slag of stoot verliep de start niet. ‘De gebruiker, die hier tientallen paarden had staan, zat er tijdelijk, maar vond het toch vervelend dat hij weg moest.’
Bij de opening van het gebied als lisdoddeproject stonden boeren van omliggend land te protesteren met trekkers. Buijs: ‘Daar waren we wel door verrast, maar het is goed afgelopen. Natuurlijk vinden veeboeren het niet fijn dat ze hier niet meer hun mest mogen uitrijden. Die produceren ze veel, omdat ze hun vee bijvoeren met goedkoop eiwitrijk sojavoer uit Zuid-Amerika en Azië. Vooral de veevoerhandel wordt daar rijk van, maar de rest van het land mag de schade betalen.’
Nog steeds klinkt af en toe wat gemopper vanuit de lokale agrarische sector, ‘maar daar staat tegenover dat in de Vechtstreek een soortgelijk project loopt, waarin boeren juist zijn meegegaan’, zegt Buijs. Tegenstand is niet leuk, maar het hoort erbij, volgens de planoloog. ‘Zodra er verzet is, ben je op de goede weg. Het betekent dat je met een werkelijke transitie bezig bent en dat de vermeende tegenstander je serieus neemt en niet ziet als een hobbyprojectje.’
De tijd moet uitwijzen of de rietsigarenteelt kans van leven houdt. Voorlopig gaat die door in de Burkmeer. Het Amsterdamse gemeentebestuur beslist over de toekomst na 2031. Ed Buijs heeft er vertrouwen in: ‘Ik schat in dat biodiversiteit en droogtebestrijding belangrijker gaan worden en dat daarmee deze zogeheten natte teelten alleen maar aantrekkelijker gaan worden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant