Politiek De komende week wordt de machtsverhouding tussen de coalitie en oppositie getest tijdens Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen. Getalsmatig is de oppositie oppermachtig en staat de coalitie zwak. Maar in werkelijkheid is Den Haag „een ingewikkeld web aan machtsrelaties geworden”.
Jesse Klaver (Pro) en Geert Wilders (PVV) tijdens het wekelijkse vragenuur in de Tweede Kamer op 12 Mei 2026.
Elke coalitie creëert haar eigen oppositie. Partijen die niet meedoen aan een kabinet moeten met elkaar tegenwicht bieden. En op papier is de macht van de oppositie groter dan ooit. Het kabinet-Jetten (D66, VVD, CDA) heeft geen meerderheid in de Eerste of Tweede Kamer, de oppositie kan alles wegstemmen. Of zelfs het kabinet naar huis sturen.
De komende week, met Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen, het belangrijkste politieke debat van het jaar, wordt de grote test voor deze machtsbalans. Het kabinet presenteert de begroting voor het komende jaar, en zal voor de verdeling van het geld steun bij elkaar moeten bedelen bij een onwillige, hier en daar ronduit chagrijnige oppositie. Het worden dus spannende dagen in Den Haag, want zonder steun voor de Rijksbegroting heeft het kabinet geen bestaansrecht.
Maar hoeveel macht heeft de oppositie écht? Vraag het Kamerleden uit de oppositie en het antwoord is meestal dat het wel meevalt met die macht. Natuurlijk staat de coalitie wankel, maar dat betekent niet dat de oppositie daar gebruik van kan maken. Fractievoorzitter Mirjam Bikker (ChristenUnie, drie zetels) voelt bijvoorbeeld „frustratie” over haar rol. „Ik vind het moeilijk oppositie te voeren, omdat ik ook dingen wil bereiken en het kabinet daar ook bij nodig heb. Maar ik weet niet wat ik aan ze heb, het is lastig om meerderheden te vinden.”
Laurens Dassen (Volt, één zetel) had gehoopt dat hij als oppositie-Kamerlid met de coalitiepartijen kon samenwerken. „Maar ik zie iets anders gebeuren: een heel kleine coalitie vervreemdt zich van de oppositie en gooit alle luiken dicht op het moment dat ze moeten samenwerken.”
De afgelopen weken hoopte de oppositie iets te zeggen te krijgen bij het maken van een begroting. Aan het begin van de zomer waren de meeste partijen al op gesprek geweest bij de premier en vicepremiers. Na het zomerreces begonnen de gesprekken opnieuw, en dachten ze dat ze serieuze gesprekspartners waren. Maar wat ze niet wisten, was dat de coalitie intern verdeeld was over de vraag met welke oppositiepartijen onderhandeld moest worden. De VVD had grote bezwaren tegen samenwerking over links, met Pro. Uiteindelijk bereikte het kabinet met niemand een afspraak, behalve met zichzelf. De steun voor de begrotingen van alle departementen zal dus nog veroverd moeten worden.
Laurens Dassen keek, ter voorbereiding op de Algemene Politieke Beschouwingen, het eerste debat terug dat Rob Jetten als premier had met de Tweede Kamer, in februari. Zes keer had Jetten het in zijn regeringsverklaring over ‘samenwerking’. Hij zou werken met „oog voor diepgewortelde opvattingen van andere partijen, omdat democratie meer moet zijn dan de helft plus één”.
Maar van die verzoenende woorden heeft Dassen weinig gemerkt, zegt hij. „We komen echt wel met voorstellen. Maar ik vraag me steeds af: waar zit de ruimte? Wanneer mogen we meepraten? Er is geen plan om met de oppositie samen te werken. Daar zijn ze zelf nog niet over uit.”
Kati Piri, vicefractievoorzitter van Pro (twintig zetels), zegt dat haar partij vanuit de oppositie „mathematisch gezien” meer te zeggen heeft dan wanneer het een coalitiepartij was geweest. „Dan waren we er één van vier geweest, en hadden we maar voor een kwart onze zin gekregen. Nu heeft het kabinet twee keuzes: linksom of rechtsom.”
Het deed bij Pro pijn dat de partij door verzet van de VVD niet deel mocht nemen aan de coalitie van Jetten, al zegt Piri dat de partij zich er inmiddels overheen heeft gezet. „Na de verkiezingen verloren we de partijleider [Frans Timmermans], daarna werden we op een niet erg nette manier buiten de coalitie gehouden, en toen het kabinet aantrad, zagen we dat de achterban erg verdeeld was. De helft vond dat we constructief moesten zijn, de andere helft vond van niet.”
Pro-leider Jesse Klaver maakte eind januari in een toespraak aan partijleden duidelijk hoe hij zijn rol als oppositieleider zag. „Vaak wordt gezegd: laat het ze lekker uitzoeken”, zei hij. „Vrienden, dat gaat wij niet doen. Wij kiezen voor een verantwoordelijke oppositie.”
Pro leverde deze zomer bijvoorbeeld steun aan de stikstofplannen van de coalitie, op voorwaarde dat ze niet afgezwakt zouden worden. Maar, zegt Kati Piri: „Je kan van ons niet verlangen dat we iets opgeven wat voor ons fundamenteel is.” Daarom steunt Pro voorgenomen bezuinigingen op de sociale zekerheid niet, en trekt de partij hierin op met de vakbeweging.
Maar net als bij Pro is het overgrote deel van de oppositie min of meer constructief, zowel op links als op (uiterst) rechts. Daar maakt bijvoorbeeld Joost Eerdmans (JA21, negen zetels) het kabinet keer op keer duidelijk dat hij graag wil meepraten, en dat er afspraken te maken zijn. Hetzelfde geldt voor de SGP en BBB. De Groep Markuszower wil het ook graag, maar de coalitiepartijen houden afstand na uitspraken van Gidi Markuszower over „maximaal geweld” tegen Palestijnse vluchtelingen. Dat wil zeggen: samenwerken kan, zolang het niet ‘structureel’ is. Met de PVV en FVD wordt vrijwel niet samengewerkt.
Wat de rol van de oppositie deze keer zo lastig maakt, is dat het kabinet-Jetten centrumrechts is. Dat betekent dat de oppositie van links én rechts komt. Dat maakt de situatie heel anders dan tijdens het (uiterst) rechtse kabinet-Schoof (PVV, VVD, NSC en BBB). Dat verenigde de oppositie. De partijleiders van D66, CDA, ChristenUnie en Volt begonnen zelfs een gezamenlijke strategie te voeren, die ze afstemden in de appgroep Het Interruptietreintje. Het idee: een Kamerlid mag maar een beperkt aantal keer vragen stellen aan iemand van het kabinet. Maar als de partijen gezamenlijk optrekken en elkaar aflossen, een treintje in Haags jargon, dan kunnen ze elkaar helpen.
Het groepje is uit elkaar gevallen, alleen al omdat twee partijen zelf zijn gaan regeren. Maar het is waar, zeggen Kamerleden uit de oppositie: ze zijn veel minder verenigd dan onder Schoof. Wat in het belang van Geert Wilders is, is meestal niet in het belang van Jesse Klaver. En er is wel degelijk overleg, maar van echte afstemming is geen sprake.
Het is daarom de vraag of de oppositie zo machtig is, zegt politicoloog Matthijs Rooduijn, werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). „De coalitie kan die twee blokken tegen elkaar uitspelen. Pro kan bij het ene onderwerp cruciaal zijn. JA21 en de SGP weer bij het andere. Macht is deze regeerperiode vluchtiger en minder stabiel.”
Rooduijn geeft eerstejaars studenten aan de UvA college over macht. Hij vertelt ze dat macht altijd relationeel is: je hebt het nooit zomaar alleen, het zit altijd in een relatie met anderen. Vertaald naar Den Haag, zegt Rooduijn: op dit moment heeft geen enkele partij of coalitie van partijen duidelijk de meeste macht. „Den Haag is een ingewikkeld web aan machtsrelaties geworden.”
Dat zit volgens hem zo: „In de eerste plaats zit er een minderheidscoalitie, waar ook nog eens een scheur in zit, met D66 aan de ene kant en de VVD aan de andere kant. Zij denken fundamenteel anders over samenwerking met de oppositie. Dan is de oppositie ook nog eens verdeeld. Tussen links en rechts, maar ook tussen de constructieve partijen en de partijen waar niet mee wordt samengewerkt.”
Wat oppositiepartijen in het politieke midden ook bezighoudt, is dat dit kabinet eigenlijk niet mag mislukken. Het kabinet-Jetten hoort óók bij het midden, zeggen ze, ondanks de houding van de VVD. Als het snel valt, zal uiterst rechts profiteren. Kati Piri zegt: „Bij mijn weten is helemaal niemand bezig met een motie van wantrouwen tegen het kabinet. Mensen zijn het echt spuugzat dat ze in Den Haag elke keer met elkaar overhoop liggen en dat er weer verkiezingen zijn. Dat is het laatste dat we willen.”