25 jaar 9/11 Vijfentwintig jaar geleden vonden de terreuraanslagen in de VS plaats. Zowel de aanloop naar 9/11 als de daaropvolgende ‘war on terror’ laten zich samenvatten als bittere ironie, schrijft Lotfi El Hamidi.
In maart 1992 verscheen in The New York Times een interview met Mohammed Najibullah, de president van Afghanistan, of wat er nog van het land over was. Jarenlang was hij een marionet van de Sovjets en daarmee de meest gehate man in Afghanistan. Na de terugtrekking en ineenstorting van de Sovjet-Unie viel Moskou weg als sponsor en werd Najibullah aan zijn lot overgelaten. Westerse landen wilden niets met hem te maken hebben, rebellen van de moedjahedien stonden aan de poorten van Kabul.
In een poging om zijn vege lijf te redden, waarschuwde hij in de Amerikaanse krant voor het oprukkende islamitisch fundamentalisme. Afghanistan zou volgens hem het „centrum voor terrorisme” worden en het „centrum van de wereldwijde drugssmokkel”. Het was aan dovemansoren gericht. Afghanistan werd een godvergeten plek (waar God overigens allesbehalve vergeten was). Een land dat de rest van de wereld meende te kunnen negeren. Een dure vergissing.
Lotfi El Hamidi is redacteur bij De Groene Amsterdammer, en was tussen 2023 en 2025 chef van de opinieredactie van NRC. Dit is een bewerking van zijn nieuwe voorwoord uit zijn boek Generatie 9/11 (Pluim), deze maand in herziene editie verschenen.
De woorden van Najibullah bleken profetisch, al maakte hij het zelf niet mee. Bij de verovering van Kabul door de Taliban in 1996 werd hij gevangengenomen, gemarteld en geëxecuteerd. Zijn verminkte lichaam hing samen met dat van zijn broer twee dagen aan een verkeerstoren in het centrum van de hoofdstad. „De hele twintigste eeuw hangt nu aan een touw in Kabul”, stond boven een huiveringwekkende reportage van romancier Denis Johnson in mannenblad Esquire, inclusief foto. Johnson zag op dat verkeersplein de losse eindjes van de Koude Oorlog, aan elkaar geknoopt door religieuze extremisten die nog maar net waren begonnen aan hun heilige oorlog.
Op 11 september 2001 vielen bij de terroristische aanvallen van Al-Qaida op de Verenigde Staten bijna drieduizend doden. Deze gebeurtenis werd meteen al een keerpunt in de geschiedenis genoemd. Vijfentwintig jaar later kun je moeilijk stellen dat het een overdrijving was. De ‘war on terror’, die de Amerikanen als vergelding begonnen, heeft ingrijpende consequenties gehad voor ‘onze’ bewegingsvrijheid, veiligheid, privacy, sociale cohesie. Kortom: ‘onze’ manier van leven.
Ik schrijf ‘onze’ tussen aanhalingstekens, want de gevolgen waren niet voor iedereen in de wereld evenredig. In het Westen waren het met name islamitische minderheden die institutioneel en maatschappelijk te maken kregen met wantrouwen, discriminatie en haatmisdrijven. Andere delen van de wereld kregen de volle laag van de Amerikaanse oorlogsmachine. Volgens een analyse van het Cost of War-project door de Amerikaanse Brown University vielen na 9/11 minstens 940.000 doden in onder meer Afghanistan, Irak, Jemen, Pakistan en Somalië.
Een duizelingwekkend aantal en tegelijkertijd een tragedie zonder gezicht. Westerlingen zijn gewend aan dergelijke bloedige statistieken, alsof ze nou eenmaal bij dat soort landen horen. Dezelfde westerlingen die nauwelijks konden geloven dat niet iedereen even geschokt reageerde op de aanslagen van 9/11. Wie op 12 september 2001 reacties ophaalde bij ‘gewone’ mensen in Latijns-Amerika, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië, kon overal hetzelfde sentiment optekenen: het machtige Amerikaanse imperium dat in de twintigste eeuw wereldwijd zoveel terreur uitoefende, kreeg een dreun terug. Het was, cru gezegd, Schadenfreude op niet eerder vertoonde schaal.
Twee maanden na de aanslagen schreef Orhan Pamuk in een essay in The New York Review of Books dat „de westerse wereld nauwelijks besef heeft van het overweldigende gevoel van vernedering dat ervaren wordt door de meerderheid van de wereldbevolking”. De Turkse schrijver wilde het antiwesterse sentiment niet goedpraten, hij wilde slechts begrijpen waar de diepgevoelde weerzin vandaan kwam. Het kwam erop neer dat met de aanslagen voor het Westen de geschiedenis, door liberalen na de val van de Berlijnse Muur triomfantelijk als voltooid beschouwd, terugkwam; voor de verworpenen der aarde was de geschiedenis nooit weggeweest.
Never forget, riepen de Amerikanen in koor na 9/11. Laten we inderdaad vooral niet vergeten hoe het zover kwam. Hoe de Amerikaanse veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski in 1980 aan de Pakistaans-Afghaanse grens de moedjahedien hoogstpersoonlijk toesprak met de letterlijke woorden „God staat aan jullie zijde”. Hoe president Ronald Reagan vervolgens samen met de Saoediërs en Pakistanen heimelijk het anticommunistische verzet steunde met miljarden dollars en wapentuig. Geld en wapens die in handen kwamen van een bont gezelschap van islamitische strijders, waaronder ook Arabische vrijwilligers die zich later zouden verzamelen onder de naam Al-Qaida. Het islamisme was voor de VS tijdens de Koude Oorlog een welkom bolwerk tegen het communisme.
Dat de jihadisten heel andere motieven hadden, werd door de Amerikanen onvoldoende onderkend of niet als een groot gevaar gezien. Toen Brzezinski in 1998 door een Franse journalist werd gevraagd of hij spijt had van zijn steun aan islamitische fundamentalisten, was zijn antwoord dat de val van de Sovjet-Unie het waard was.
Voor Al-Qaida waren de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten inwisselbare vijanden. De wrok tegen de Amerikanen was allicht groter dan die tegen de Russen vanwege de niet-aflatende steun aan Arabische dictaturen en de rugdekking aan het Israëlische bezettingsregime. Osama bin Laden, medeoprichter en leider van Al-Qaida, zou consequent de Palestijnse kwestie aanhalen als motief. In een videoboodschap in 2004, waar hij de aanslagen van 9/11 opeiste, maakte hij expliciet de koppeling tussen de door Israël gebombardeerde flattorens in Beiroet in de jaren tachtig en de instortende Twin Towers.
Een geheugensteuntje voor Joris Luyendijk die onlangs beweerde dat „als Gaza in de zee verdwijnt” er voor ons in het Westen niets verandert. De rekening zal vroeg of laat gepresenteerd worden. De geschiedenis slaat niemand over.
Natuurlijk zouden de Amerikanen na 9/11 wraak nemen. „Of je bent met ons, of je bent met de terroristen”, verklaarde president George W. Bush. Wie op dat moment tegen militair ingrijpen ageerde, werd verdacht gemaakt. Denk aan de Brits-Pakistaanse denker en anti-imperialist Tariq Ali, die na 9/11 waarschuwde voor de gevolgen van een westerse interventie in Afghanistan. De strijd tegen het terrorisme was volgens hem een ordinaire vergeldingsoorlog die verpakt werd als een humanitaire interventie. Toen de Amerikanen stelden dat hun oorlog ook bedoeld was om de vrouwen uit de klauwen van de Taliban te redden, spotte Ali dat zo’n bevrijdingsoorlog een primeur zou zijn in de wereldgeschiedenis.
Wie de verhitte debatten terugluistert tussen Tariq Ali en de polemische ‘verlichtingsdenker’ Christopher Hitchens, die zich onomwonden achter de ‘war on terror’ van Bush schaarde, kan niet anders dan concluderen dat Ali het al vroeg scherp zag. De Amerikaanse doelen gingen verder dan, in de woorden van Bush, „het opjagen en berechten” van terroristen. Het was pure machtszucht, de gelegenheid misbruiken om de wereld naar Amerikaanse hand te zetten. Het werd het tijdperk van massasurveillance, de ‘pre-emptive strike’, ontvoeringen en martelingen op geheime locaties, het vasthouden van verdachten zonder rechtsgang en liquidaties middels drones.
De post-9/11-dynamiek was dwingend, en niet alleen in geopolitiek opzicht. In de Verenigde Staten zelf, waar blind patriottisme hoogtij vierde, moesten moslims zich gedeisd houden. Pakistaanse taxichauffeurs plakten de Amerikaanse vlag op hun voorruit om niet in elkaar geslagen te worden. Moslima’s deden hun hoofddoek af vanwege de voortdurende scheldpartijen die zij moesten ondergaan. Tijdens nieuwsuitzendingen werd op de oorlogstrommel geslagen terwijl satirische tv-shows de draak staken met de islam. De eerste kruisraketten op Kabul moesten nog vallen.
De oorlog tegen het terrorisme bracht nog meer terreur voort, zoals voorspeld door critici als Ali. Vooral de leugenachtige oorlog tegen Irak in 2003 had verregaande repercussies voor zowel het Midden-Oosten als het Westen. Dit was geen ‘botsing van beschavingen’, zoals je destijds vaak kon horen en lezen, maar de uitholling van de beschaving. Toen al werd opgemerkt dat als je de uitspraken van Osama bin Laden, George Bush en de Israëlische premier Ariel Sharon door elkaar husselde, je geen flauw idee meer zou hebben van wie de woorden precies afkomstig waren.
President Bush introduceerde nog het jaarlijkse Iftaar dinner in het Witte Huis om Amerikaanse moslims gerust te stellen dat zij niet tot de vijand behoorden. Het was ook een manier om aan de rest van de Amerikaanse bevolking duidelijk te maken dat oorlogsgeweld bedoeld was voor de buitenwereld. Binnenslands moest de lieve vrede bewaard blijven. In Europa gebeurde het omgekeerde. De oorlogstaal keerde zich naar binnen. Termen als ‘vijfde colonne’ en ‘Trojaans paard’ waren schering en inslag, met als uitgangspunt dat niet elke moslim een terrorist is, maar elke terrorist wel een moslim. Die kwaadaardige verdachtmaking versterkte het al sluimerende sentiment onder een deel van de jonge moslims dat er voor hen in Europa geen plek was.
Een van de merkwaardigste neveneffecten van de ‘war on terror’ was dan ook dat niet de VS maar Europa het toneel werd van oplopende spanningen en bloedige terreuraanvallen. Europese hoofdsteden kregen te maken met zelfmoordaanslagen, uitgevoerd door zogeheten homegrown terrorists: veelal in Europa geboren moslims die in rap tempo radicaliseerden. Jonge moslims, niet zelden van goede komaf, die zich boos maakten om de westerse interventies in islamitische landen en ideologisch vatbaar werden voor het jihadistische gedachtegoed. Voor Al-Qaida en consorten waren deze jongeren laaghangend fruit. Maar het aantal moslims dat bereid was zich aan te sluiten was verwaarloosbaar.
Toenmalig burgemeester Job Cohen werd in de nasleep van de jihadistische moord op Theo van Gogh in Amsterdam verguisd vanwege al zijn ‘theedrinken’ in moskeeën en buurthuizen. Met Cohens kopjes thee werden overduidelijk meer harten en hoofden veroverd dan met alle hysterische oorlogstaal van rechtse houwdegens.
In Afghanistan waren alle theebladeren van de wereld niet genoeg om te voorkomen dat de Taliban steeds meer steun kregen van de Afghaanse bevolking. Westerse regeringen bleven de oorlog voor hun thuispubliek presenteren als een rechtvaardige strijd, waar militairen tussen de heldhaftige gevechten door meisjesscholen aan het bouwen waren. De kritische, satirische oorlogsfilm War Machine uit 2017, met Brad Pitt in de hoofdrol, toonde de absurde paradox van zoiets als gewapende hulpverlening.
De Amerikanen hadden zich in een ‘Russische’ positie gemanoeuvreerd, de ironie was weinig mensen ontgaan. Afghanistan zou de langstdurende oorlog in de Amerikaanse geschiedenis worden. In de laatste jaren vochten westerse soldaten en Taliban-strijders die de gebeurtenis waar het allemaal mee begonnen was niet eens bewust hadden meegemaakt.
Toen de Amerikanen en hun Afghaanse bondgenoten in 2001 op het punt stonden om Taliban-bolwerk Kandahar in te nemen, nam Frits Spits in zijn dagelijkse tongue-in-cheek taalrubriekje op de voorpagina van gratis dagblad Spits al een voorschot: ‘Val van Kandahar: kan d’haar eraf?’. Vijfentwintig jaar later lopen bebaarde delegatieleden van de Taliban door Brusselse wandelgangen om te onderhandelen over de terugname van Afghaanse asielzoekers. Voor wie zich nog afvraagt wat de tussenstand is van de eindeloze ‘war on terror’.