Archeologie Jagers en verzamelaars op Sulawesi zogen mogelijk tot zo’n 25.000 jaar geleden al op een prehistorische toverbal: de betelnoot.
De betelnoot wordt ook vandaag de dag nog gebruikt als stimulerend middel.
Drugsgebruik genormaliseerd? Het regelmatig gebruik door mensen van bewustzijnveranderende middelen voert misschien verder terug dan gedacht. Uit nieuw onderzoek blijkt dat jagers en verzamelaars op het Indonesische eiland Sulawesi mogelijk tot wel 25.000 jaar geleden al geregeld zogen op de stimulerende betelnoot.
De archeologen schrijven deze week in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances over twee uitzonderlijk oude skeletten van jagers-verzamelaars uit Sulawesi. Het ene skelet dateert van 25.000 tot 16.000 jaar geleden, het andere van 7600 tot 6300 jaar terug.
Naast hun locatie delen de skeletten ook een opvallend slecht gebit: beiden hebben „mysterieuze” diepe, ronde groeven bij de kiezen. Na analyse bleken er ook sporen van de stof arecoline in het gebit te zitten, een stof die het zenuwstelsel beïnvloedt en te vinden is in betelnoten – een noot die ook nu nog veel gebruikt wordt in onder meer Zuidoost-Azië vanwege zijn (licht) stimulerende werking.
Hoewel kauwen tegenwoordig de norm is, denken de onderzoekers dat de arecoline in het gebit terechtkwam doordat de twee onderzochte skeletten bij leven langdurig op betelnoten zogen. Dat zou ook de diepe ronde groeven in het gebit verklaren. Hun vermoeden werd bevestigd nadat ze een betelnoot in een badje met nepspeeksel weekten: ook toen kwam de arecoline vrij.
Nooit werd zulk oud bewijs voor gebruik van bewustzijnveranderende middelen gevonden. De eerste bevindingen, schrijven de onderzoekers, dateren van rond de start van de landbouwrevolutie, zo’n 12.500 jaar terug, toen beginnende boeren in het Midden-Oosten graanbier dronken. Andere onderzoekers vonden bewijs voor de consumptie van hallucinerende cactussen in Peru, tienduizend jaar geleden. In 2023 vonden Spaanse onderzoekers hallucinogene stoffen in mensenharen op het eiland Menorca, wat voor het eerst sterk bewijs gaf voor ritueel gebruik van geestverruimende planten in de Bronstijd in Europa, zo’n drieduizend jaar terug.
Tegenwoordig hakken gebruikers de betelnoot – die eigenlijk geen noot is maar een steenvrucht – vaak in kleine blokjes. Vervolgens wordt z’n blokje ingepakt in een blad van de betelplant en gemixt met gebluste kalk en – afhankelijk per lokale traditie – aangevuld met kruidnagel of pruimtabak. Door de mix ontstaat de kenmerkende, kauwbare, rode pasta en neemt bovendien de stimulerende werking toe.
Hoewel relatief onbekend in westerse samenlevingen, schatten onderzoekers dat betelnoten na alcohol, coffeïne en nicotine de meest gebruikte psychoactieve substantie ter wereld zijn. In onder meer India en Indonesië kauwen mensen in grote getalen op de noot, vanwege het alerte, licht euforische gevoel dat het kan geven. Hoewel de stof ook de kans op mondkanker groter maakt, zou wereldwijd één op de tien mensen regelmatig kauwen op een betelnoot.
Van een extra stimulerende mix was bij de prehistorische gebruikers geen sprake, schrijven de onderzoekers. De tanden vertoonden immers, anders dan bij hedendaagse gebruikers, geen rode verkleuring. De prehistorische gebruikers moesten het doen met enkel de harde noot, waar ze als een soort snoeptoverbal of jaw breaker op zogen.
Als de historische gebruikers niet kauwden maar ‘slechts’ zogen, met als gevolg minder sterke werking: waarom was het gebruik van de noot dan toch zo hardnekkig dat dit voor steeds grotere gaten in het gebit zorgde, net zoals bij de crack- en fentanylgebruikers van vandaag de dag?
Adam Brumm, een van de onderzoekers, zoog bij wijze van experiment zelf op een betelnoot. De noot had een „bittere, samentrekkende” smaak vertelde hij aan The Guardian. Maar „het zorgde er ook voor dat mijn mond verdoofde”.
Daar ligt mogelijk een antwoord op de waarom-vraag. Het lijkt er op dat het zuigen op de noot simpelweg gold als pijnstiller tegen prehistorische kiespijn. Nadeel: door op de noot te zuigen werden de groeven in de tanden ook groter, wat weer voor meer kiespijn zorgde. Bij een van de skeletten was de slijtage zo groot dat de gevoelige ‘pulpakamer’ van de tand bloot kwam te liggen. „Erg pijnlijk”, schrijven de onderzoekers.
Het is daarmee mogelijk dat de twee jager-verzamelaars verwikkeld waren in een negatieve spiraal, denken de onderzoekers. Hoe meer zij op de noot zogen, hoe pijnlijker het gebit, hoe afhankelijker zij werden van de pijnstillende werking van de noot.
Daarmee is het niet alleen het slechte gebit dat deze twee historische drugsgebruikers verbindt met 21ste-eeuwse fentanyl- en crackgebruikers. Ze zaten, net zoals sommige pijnstillerverslaafden van nu, vast in een „pijnlijke ironie”: wie begint met verdoven komt er niet zomaar vanaf.