Home

Rifka Lodeizens inzichten over relaties, redden en ruziemaken: ‘O! Je kunt gewoon zeggen waarmee je zit’

Van jongs af aan kon Rifka Lodeizen zich al goed inleven in anderen. Dat talent leverde de actrice, zonder een klassieke toneelopleiding te hebben genoten, drie Gouden Kalveren op. Maar in het echte leven probeert ze het nu wat te minderen. ‘Laatst dacht ik ineens: ik heb gewoon ruzie!’

is tv-maker, schrijver en journalist. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

Van jongs af aan kon Rifka Lodeizen zich al goed inleven in anderen. Dat talent leverde de actrice, zonder een klassieke toneelopleiding te hebben genoten, drie Gouden Kalveren op. Maar in het echte leven probeert ze het nu wat te minderen. ‘Laatst dacht ik ineens: ik heb gewoon ruzie!’

is tv-maker, schrijver en journalist. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

‘Ik ga wel even naar binnen om wat voor ons te bestellen’, biedt actrice Rifka Lodeizen (53) aan als blijkt dat er geen bedienend personeel op het terras loopt. Niet veel later komt ze terug, met een vriendelijke ober die ongevraagd toch graag met haar meeloopt om de bestelling op te nemen. Een vaardigheid die haar niet onbekend is.

Lodeizen werkte tijdens haar studie Nederlands in het Amsterdamse café Wildschut, tot ze daar op haar 24ste werd ontdekt door Eddy Terstall. De filmregisseur gaf haar een rol in zijn film Hufters & hofdames. Daarna volgden meerdere rollen in zijn films en die van anderen, waarmee ze uitgroeide tot een gewaardeerde actrice. In 2009 won ze een Gouden Kalf voor haar rol in Kan door huid heen, waarin ze een zwaar getraumatiseerde vrouw speelde. Drie jaar later volgde nog zo’n gouden beeldje voor haar rol als bedrogen vrouw in de NPO-serie Overspel. De derde ontving ze in 2019 voor haar rol als Astrid Holleeder in de Videoland-serie Judas.

Dertien jaar geleden begon ze naast het acteren ook als scenarioschrijver. Zo speelt ze niet alleen in de Videoland-serie Máxima, maar schrijft ze er ook aan mee. Sinds deze week is ze te zien in een van de acht hoofdrollen van de Netflix-serie De Eetclub, gebaseerd op de gelijknamige thriller van schrijver Saskia Noort.

Toen je je derde Gouden Kalf won, zei je in je speech: ‘Mensen hebben me vaak gevraagd of ik niet bang was om deze rol te spelen. Eerlijk gezegd ben ik altijd bang. Bang dat ik het niet kan, dat ik teleurstel. Het is gewoon doodeng om iets te maken, want het kan ook mislukken. Ik ben bang om te verliezen, maar ook om te winnen, want dan moet je hier staan.’

‘Ik geloof dat dat een universele angst is. Je wilt je werk goed doen. Maar bij mij speelt denk ik mee dat ik wel spannend werk heb gekozen. Er zijn veel meningen over hoe je het doet, en er hangen rare dingen aan. Er komen recensies en je gaat over een rode loper waar je opeens heel andere kleren aan moet en je haar ineens leuk zit. En de dag erna is alles weer gewoon. Acteren blijft ook iets tegennatuurlijks houden. Het is een soort expositie van jezelf, maar je bent het niet zelf. Het is doodeng, maar toch wil je het, terwijl het een totaal onzeker bestaan is.’

Ligt het alleen aan je werk of ben je sowieso angstig aangelegd? Ik las dat je rond je 20ste veel last had van angsten en dwanggedachten.

‘Rond mijn 20ste was dat wel sterker. Ik zal het geen depressie noemen, maar ik kwam in een soort gat terecht waarvan ik dacht: wat is dit? Ik was bijvoorbeeld heel bang dat mijn vader dood zou gaan. Nou, die angst is getackled, hij is dertien jaar geleden overleden. Ik was een speelbal van gevoelens die ik niet kon plaatsen. Ik ben toen in therapie gegaan. Een vriend zei: ‘Je moet in tweedegeneratietherapie.’ Daar kwam ik erachter dat mijn gevoelens sterk verbonden waren aan mijn voorgeschiedenis. Mijn vader was een oorlogsslachtoffer, hij was zwaar getraumatiseerd. Misschien ben ik daardoor wat gevoeliger afgestemd.’

Ik las dat jouw dochters je nog steeds als een bezorgde moeder typeren.

Lachend: ‘Dat vind ik zelf ook een beetje jammer. Ik weet niet zo goed waar dat in zit. Ik ben niet een curlingmoeder die elke hobbel voor haar kinderen probeert glad te strijken, ik geloof dat ze tegenslagen moeten meemaken om te kunnen groeien. Maar ik vind vooral het verkeer heftig, zeker in combinatie met alcohol. Ik heb de moeder van Tonio gespeeld (de zoon van A.F.Th. van der Heijden, die na een avond stappen op de fiets naar huis werd doodgereden, red.), en wat haar is overkomen is mijn ergste nachtmerrie.

‘Maar goed, die angst zit in je familiesysteem. Ik ben rond de dood van mijn vader daarom begonnen met familieopstellingen. Ik heb het niet per se voor mijn dochters gedaan, maar omdat ik er zelf last van had dat ik het mentale welzijn van anderen boven dat van mezelf stel. Ik geloof dat je trauma kunt omzetten in een kracht, dat is denk ik wat ik met mijn werk heb gedaan. Daarin kan ik mijn neiging om me altijd in te leven in anderen juist goed gebruiken. Maar in relaties liep ik er voortdurend tegenaan.’

Hoe hangt je neiging om andermans welzijn boven dat van jezelf te plaatsen samen met het oorlogsverleden van je vader?

‘Hoewel mijn vader een optimistische man en kunstenaar was, had hij zware periodes van diepe onzekerheid. Ik zag dat hij worstelde met het leven. Het was eigenlijk gezond geweest als ik als kind flink boos zou zijn geworden en hem kwalijk had genomen dat hij er niet voor me was. Maar dat deed ik niet, omdat ik dacht: hij heeft het zwaar, ik moet hem ontzien. Ik kan me ook ruzies herinneren tussen mijn ouders waarbij mijn moeder boos op mijn vader was en ik hem het slachtoffer vond. Ik dacht: je kunt niet boos op hem zijn, want papa is zielig. Terwijl ik nu goed begrijp dat mijn moeder boos was als hij weer eens niet thuiskwam omdat hij de kroeg gezelliger vond dan het gezinsleven. Dat is moeilijk voor een moeder van vier kinderen. En we waren ook arm. Dus ik werd een kind dat zijn ouders ontziet.’

Wat heeft je vader meegemaakt?

‘De moeder en stiefvader van mijn vader waren Joods en zaten in het verzet. Dat is een gevaarlijke combinatie. Ze werden verraden. Mijn vader en zijn zusje Rifka zaten op dat moment, om veilig te zijn, op een internaat in Ommen. Mijn vader wist toen nog niet dat de man die hij als zijn vader kende eigenlijk zijn stiefvader was, daar kwam hij pas jaren later achter. De regel was dat je nooit een blijk van herkenning mocht geven als je je ‘vader’ zag. Maar toen de Duitsers hem gevangennamen en hem naar het internaat brachten en voor de ogen van de kinderen begonnen te slaan, riep mijn toen 11-jarige vader in paniek toch ‘papa!’ Daardoor werden ook hij en zijn zusje opgepakt en met de trein naar Amsterdam gebracht, waarvandaan ze op transport zouden worden gesteld.

‘Mijn vaders stiefvader had met zijn vrouw afgesproken dat als een van hen werd opgepakt, de ander mee zou gaan. Dus zij heeft zich toen in Amsterdam bij hen gevoegd. Ze stortte zich op het stationsplein huilend aan de voeten van haar dochtertje Rifka en op dat moment zei haar man tegen mijn vader: ‘Frank, smeer ’m.’ Mijn vader is tussen de mensen doorgerend en is blijven rennen, rennen en rennen. Totdat hij in een tram tegen een vrouw aan is gaan staan, die in de verte op zijn moeder leek. Zij heeft gezegd: waar zal ik je naartoe brengen? Zo is hij bij een oom, en later zijn biologische vader terechtgekomen. Hij heeft zichzelf gered, maar dat bracht ook veel schuldgevoel met zich mee, en twijfel. Hij dacht: ‘Waarom ging mijn moeder bij mijn zusje huilen en niet bij mij, hield ze niet van mij?’

Je zat eerder al in therapie, wat kwam er voor nieuws in die familieopstellingen bovendrijven?

‘In die familieopstellingen werden meer onbewuste patronen en gevoelens aangesproken. Ik werd een keer opgesteld in andermans familieopstelling en diegene moest kiezen tussen het ene en het andere kind. Die verscheurdheid raakte me enorm. Daardoor besefte ik: dat heeft mijn oma ook moeten doen op het perron. Kies ik voor mijn zoon of mijn dochter? Een soort dilemma uit de film Sophie’s Choice. Daarin zat voor mij een wijze les. Ik kan veel dingen rationeel of psychologisch willen begrijpen, maar jezelf emotioneel snappen en luisteren naar de onderstromen die je bewegen, is echt iets anders. Door die familieopstellingen kwam ik erachter dat je niet kunt oordelen over mensen, je weet niet wat ze tot bepaald gedrag of bepaalde keuzes brengt. Ik ben er compassievoller en minder oordelend door geworden.’

Terwijl je al behoorlijk empathisch was, begreep ik van je dierbaren. Je goede vriendin en voormalig actrice Eva Duijvesteijn, die tegenwoordig familieopstellingen geeft waarbij jij geregeld helpt, noemde je ‘een parel in de mensheid’, omdat je zo invoelend bent.

‘O, echt? Schrijf dat alsjeblieft niet op haha. Dat is natuurlijk het gevaar als je liefste vrienden met jou gaan praten.’

De superlatieven vlogen me inderdaad om de oren. Je zus noemde je een ‘liefdesbron’. Ze vertelde dat jullie je hele leven nog nooit ruzie met elkaar hebben gehad.

‘Dat is waar.’

Je goede vriend en regisseur Boudewijn Koole zei dat je een ‘redderssyndroom’ hebt. Maar jij denkt: daarin kunnen nog wel wat stapjes worden gezet?

‘Ik denk dat ik zo ben geworden, en niet dat ik het per se was. Zo word je niet geboren, maar je wordt gevormd.’

Je vrienden hadden het eerder over een omgekeerde ontwikkeling die je hebt moeten maken, namelijk dat je juist iets minder de ander voorop moet stellen en meer aan jezelf moest leren denken.

‘Ja, dat klopt wel. Ik kan daar ver in gaan. Bij mij om de hoek lag een dakloze vrouw op een bankje. Het regende. Ik liep er langs en dacht: jeetje, zij heeft het moeilijk, misschien moet ik haar wat geven. Ik heb van alles thuis, dat is een kleine moeite. Ik had nog soep, deed het in een thermoskan en bracht het naar haar. Vervolgens was ik weer thuis en dacht: hmm, nu heeft ze alleen maar soep, misschien moet ik ook een thermoskan met koffie en een stuk chocola geven. Toen ik die bracht, schreeuwde ze: ‘Wat een verschrikkelijke soep was dat!’ Ze begon mij echt uit te schelden. Ik moest er ook wel om lachen, omdat het zo’n goed voorbeeld was van de grenzen niet kennen en er altijd toch net weer overheen gaan. Je kunt iets geven, maar niet te veel.

‘Later heb ik het nog eens gehad. Het vroor, er was een sneeuwstorm en op het plein waaraan ik woon lag een man onder een speeltoestel. Dus ik weer met koffie daarnaartoe. Hij lag te slapen. Een buurvrouw zei: ‘Koffie? Geef die man een biertje.’ Oké. Ik daar een biertje neergezet. Vervolgens bekeek ik de situatie vanuit mijn raam en het begon steeds meer te waaien. Die man vriest dood, dacht ik, dat kan niet. Ik gaf hem een deken, daarna een matras, ik kon echt niet stoppen. Ik moet het hele plein optrommelen, want er moet vanavond nog een zeil overheen, dacht ik, anders vriest hij dood vannacht. Er kwam iets in mij naar boven wat ik niet kon plaatsen. Ik moest gek genoeg ook steeds aan de oorlog denken. Mijn man zei: wat is er aan de hand met jou? Ik huilde: ik weet het niet, ik kan dit niet laten gebeuren!’

‘De volgende dag zat ik toevallig bij mijn psychotherapeut. Die zei: ‘Op het moment dat je jezelf niet kunt stoppen, betekent het dat je in een patroon zit. Dit heeft niets met die mensen buiten te maken, maar met jezelf.’ Dat hielp me. Voor het eerst zag ik in wat een trekkracht zulke situaties hebben, ik kon het echt niet laten. Ik voelde ook dat ik boos was op de andere bewoners van het plein. Waarom doet niemand iets?! Ik voelde een onredelijke woede. Toen dacht ik: o ja, hier klopt iets niet, hier zijn andere krachten in het spel. Ergens in mijn systeem gaat het over redden. Bij gevaar kun je mij altijd bellen: ik laat alles vallen en kom er meteen aan. En ik zit nu in een fase dat ik leer: blijf nog heel even zitten, Rif, misschien staat er iemand anders op.’

Boudewijn vertelde ontroerd dat toen zijn dochtertje niet meteen ademhaalde na haar geboorte en naar een speciaal ziekenhuis moest worden gebracht, jij daar al stond toen zij aankwamen.

‘Ja, het is wel een overlevingsmechanisme waarmee je vrienden maakt. Maar bij elke kracht hoort ook een zwakte. Ik moet echt opletten: waar zit de balans? Ik ben er te veel op geprogrammeerd om te kijken naar: hoe gaat het met de ander?

‘Pas toen ik met familieopstellingen begon, voelde ik me lichter dan ooit. Ik voelde me echt vrij om voor mezelf te kiezen. Ik moest ook wel, want ik ben uit een huwelijk gestapt. Dat is het ultieme voor jezelf kiezen. Ik vond het erg moeilijk om mijn eigen geluk boven dat van mijn man en mijn kinderen te stellen. Daar heb ik jaren over gedaan. Ik vind het best kwetsbaar om dat in de krant te zetten. Maar ik geloof wel in kwetsbaarheid, want wat moeten we anders, jongens? Een beetje poppenkast gaan spelen dat alles goed gaat?’

Wat voor ontwikkeling moest je doormaken?

‘Het begon met een fluisterstemmetje dat in mijn hoofd zei: ‘Dit is niet goed’; voor mij dan hè. Het was niet eens een slechte relatie, maar we groeiden uit elkaar. We waren allebei conflictmijders, dus we konden moeilijk vooruitkomen. Dat conflict mijden was ook fijn, daardoor was het altijd gezellig. Er was nooit ruzie. Maar uiteindelijk was het niet goed. Dat fluisterstemmetje werd luider en na een paar jaar was het echt één grote roep in mijn oor, de hele dag door. Ik kon niet anders dan ernaar luisteren. Maar de weegschaal sloeg de hele tijd uit naar: maar ja, dan ga ik hen verdriet doen.

‘Uiteindelijk ben ik speciaal hiervoor in therapie gegaan, en zijn we dat gaan onderzoeken. Die therapeut zat in eerste instantie op het spoor: maar zo is een relatie, dat ís nou eenmaal hard werken, je kunt niet alles uit je relatie willen halen. Na negen maanden kwamen we er samen achter wat ik moest doen. Het voelde alsof ik op een hoge duikplank was geklommen, het hekje beneden was al dicht, het waaide en het stormde, en ik moest alleen nog maar springen, maar ik durfde het niet. Ik heb daar lang gestaan. Uiteindelijk heb ik een datum geprikt en die in mijn agenda gezet. Die dag heb ik het hardop tegen mijn man gezegd. Super moeilijk was dat.’

Kwam het als een donderslag bij heldere hemel?

‘Ja en nee. Ik denk dat ik sowieso wel een beetje de klokkenluider in de relatie was. Ik was degene die af en toe zei: ‘Het gaat niet goed, we moeten er iets aan doen.’ En dan gingen we allebei ons best doen. Maar toen ik het op een gewone dinsdagmiddag ineens zei, was hij wel verrast. ‘Hoezo, wat is er nú?’

Na een lange stilte: ‘Ik wist niet dat een scheiding met zo veel angst gepaard gaat. Vooral het gevoel dat ik hen in de steek liet vond ik erg moeilijk. Misschien ligt daar dan toch het verband met die wegrennende vader die de rest achterliet.’

Je had het gevoel dat je de dader was?

‘Ja, precies.’

Werd je zo in eerste instantie ook gezien?

‘Helemaal niet. Nee, want hij is een erg leuke, lieve man. Een van de eerste dingen die hij zei was: ‘O, wat erg moet dat zijn geweest voor jou! Om hiermee rond te lopen.’

Jij gelijk twijfelen.

‘Hahaha. Helaas niet. Nee. Voor de kinderen was het ook een grote schok, want wij hadden dus nooit ruzie. Al hebben ze allebei een andere beleving, want de jongste was 12 en de oudste 18. Waarschijnlijk krijg ik daar nog wel een keer de rekening van.’

Denk je?

‘Ja, natuurlijk.’

Waarom ‘natuurlijk’?

‘Het scheidingsproces ging langzaam en dat maakte het een beetje vaag. We hebben echt wel een jaar over het scheiden gedaan, om de scheiding helemaal concreet te krijgen. Ik kan me voorstellen dat dat voor de kinderen verwarrend was. We zijn ook eerst nog in therapie gegaan, want mijn man zei: ‘Ik wil eigenlijk de boel nog redden.’ Dat was ook een inzicht voor mij. O, ja, dacht ik, ik ben het hele proces al doorgegaan in therapie, maar ik moet hem ook de kans geven om dat proces te doorlopen. Toen zijn we naar een therapeut gegaan die op zijn website had staan dat hij 100 procent slagingskans had. Die heeft echt nog zijn best gedaan. Tot mijn man op een gegeven moment tijdens een van die sessies zei: ‘O maar Rif, je wil echt niet meer?’ Toen zei ik: ‘Nee.’ Toen zijn we opgestaan en weggegaan. Toen was het helder.’

En wat waren je angsten?

‘Die gingen over mijn eigen geluk boven dat van anderen plaatsen. Er waren drie mensen die er veel verdriet van zouden krijgen, omdat ík me niet gelukkig voelde. Dat vond ik moeilijk. Ik was ook bang dat iedereen me zou verstoten of boos op me zou zijn, en dat ik ongelukkige kinderen zou krijgen.’

Had je ook financiële angsten? Zo van: ik heb een onzeker beroep, straks beland ik in de goot.

‘Ja, ook. En: hoe moet dat met het huis? Maar op een gegeven moment telt dat allemaal niet meer. Ik heb het echt wel hoog laten oplopen hoor, ik stond op die duikplank en je kunt daar niet blijven staan. Maar ik wilde ook niet springen, echt niet.’

In de serie De Eetclub sta je op een gegeven moment tegenover je man Ivo met wie je het over je relatie wilt hebben, waarop hij zegt: ‘Hou nou op met wroeten. We hebben het toch goed.’ ‘Jawel’, zeg jij dan, ‘maar ik ben niet tevreden. En ik ben toch ook iemand!’ Komt dat overeen met het gevoel wat jij toen had?

‘Het was niet een-op-een zoals in De Eetclub. Hanneke, het personage dat ik daarin speel, reageert heel primair. Zij legt alles meteen op tafel en schuwt geen confrontatie. Ik was daarin anders, ik ben een binnenvetter. Daarom vond ik die rol ook zo leuk om te spelen, al was het tegelijkertijd moeilijk. Ik kon me haar gevoel goed voorstellen, maar ik zou het nooit zo uitgillen als zij.’

Wat was het gevoel dat je kreeg waardoor je weg wilde?

‘De behoefte aan samen groeien. De verbinding raakt zoek als je jezelf allebei een andere kant op ontwikkelt, maar ook als je niet benoemt dat dat aan de hand is. En ik was daar niet zo sterk in. In vriendschappen ook niet, daarin ben ik ook een paar keer tegen de lamp gelopen omdat ik dingen niet uitsprak. Gek genoeg is zo’n rol als in De Eetclub echt een bevrijding, omdat Hanneke iemand is die alles op tafel gooit om de waarheid boven te krijgen. Alles. Soms hebben die rollen mij in die zin ook best wel gevoed.’

Komt het ook door die familieopstellingen dat jullie uit elkaar groeiden, in de zin dat jij een kant op ontwikkelde waarin hij misschien minder interesse had?

‘Ja, dat is een van de aspecten. Ik zocht meer verbinding dan we hadden. En verbinding zit ook in samen pijn onder ogen zien, samen meer begrip krijgen voor elkaar.’

Hoe voelde het toen je eindelijk van de duikplank sprong?

‘Heel verdrietig, omdat ik met veel verdriet van mijn dochters en mijn man te maken had, én een schok in de omgeving. Mijn schoonmoeder vond het ook erg moeilijk. Ik kan me nog herinneren dat ik in de auto stapte naar de filmset waarna ik voor het eerst niet meer thuis zou slapen en mijn hart was één grote scheurpartij, ik kon alleen maar huilen. Maar gek genoeg levert je grootste angst onder ogen zien en een keuze maken ook een goed gevoel op.’

Heb je ooit nog twijfels gehad over of je wel de goede keuze had gemaakt?

‘Nee. Als je het er zo op aan laat komen dan zijn er ook geen twijfels meer.’

Ben je toen een tijdje alleen gaan wonen?

‘Nee, we hebben bird nesting gedaan. Dat betekent dat de kinderen thuis blijven wonen en dat de ouders om beurten in- en uitvliegen. Voor ons was dat onrustig, maar de kinderen konden daardoor thuis blijven. Uiteindelijk is hij ergens anders gaan wonen en ben ik bij de kinderen in ons oude huis gebleven. We hebben gelukkig nergens in het proces ruzie gekregen over dat soort dingen. Dat we allebei conflictmijders zijn, werkte in ons voordeel. Die verstoting waar ik bang voor was, is nooit gebeurd. Dat ligt ook aan mijn ex, die had geen wrokgevoelens, die vond het alleen erg verdrietig. En dat was het ook. Ik vond het ook erg eenzaam. In de bird nesting-tijd ging ik steeds naar mijn atelier waar ik een bedje had neergezet.’

Is dat voor jezelf kiezen op liefdesgebied besmettelijk voor andere terreinen in je leven?

‘Nou, ik zou die vrouw misschien nog steeds wel soep brengen, maar geen koffie meer. Zo’n patroon krijg je nooit helemaal weg.’

Heb je nu een nieuwe liefde?

‘Ja.’

Sta je anders in die relatie?

‘Ja.’ Lachend: ‘Dit is dus een man die kan ruziemaken. Ik weet precies de eerste keer dat dat gebeurde. Mijn hart maakte een sprongetje. O! Ik heb ruzie!, dacht ik. Ik weet nu dat het bevrijdend is om ruzie te maken, als het op een veilige manier gebeurt en je het daarna goed kunt uitpraten. Je kunt gewoon zeggen waarmee je zit.

‘Maar ik neem mezelf natuurlijk mee, ik kwam erachter dat ik een enorme binnenvetter ben. Ik lijk open, maar ik heb een binnenste dat ik moeilijk laat zien. Dus het lag niet allemaal aan mijn ex-man, haha. Ik verbaas me dat ik nu degene ben die gesloten is, ik wist dat niet van mezelf.’

Kon je vol overgave voor deze nieuwe liefde gaan?

‘Zeker. Het was twee jaar nadat ik was gescheiden, dus het voelde niet als een harde overgang. We zijn door vrienden gekoppeld.’

Woon je met hem samen?

‘Nee, ik woon met mijn dochter. Mijn andere dochter woont op kamers. Kinderen boven alles, hè? Zo voelt het voor mij. Het lijkt me naar voor mijn dochter als er opeens iemand bij ons komt wonen. Dat ze bij mij woont, komt door de ruimte die mijn ex niet heeft en ik wel. Maar ze zien elkaar veel hoor. Hij woont in de buurt, dus we eten vaak samen.

‘Ik vind het heftig dat dit in de krant komt, maar ik geloof dat het goed is om over je transformaties te praten. Dat is precies waar mijn werk ook over gaat. De verhalen die ik schrijf en speel gaan allemaal over transformatie en je grootste angsten. Ik gebruik het de laatste tijd soms ook bij vrienden die ergens mee zitten. Dan zoom ik even uit en zeg ik: ‘Als jij een personage bent in een film, wat zou dan nu de volgende stap zijn?’ Je kunt verstrikt zitten in je eigen ellendetje en dan helpt dit om eruit te komen.

‘Ik denk dat mijn scheiding mij veel heeft opgeleverd aan kennis over mezelf, en daardoor over de mens. Ik had lang het beeld dat ik mijn man en kinderen het ravijn in stortte voor mijn eigen geluk. Op een gegeven moment heb ik dat omgedraaid. Ik dacht: misschien kan ik mijn dochters juist laten zien dat je altijd de mogelijkheid hebt om voor jezelf te kiezen. Wat ik zelf moeilijk vond, leef ik nu voor aan mijn kinderen.’

Lachend: ‘Ja, je probeert er ook maar een verhaal van te maken voor jezelf. Misschien probeer ik iets recht te praten wat krom is. Het is echt niet leuk als je ouders gaan scheiden. Maar ik weet uit eigen ervaring ook: je overleeft het wel. Er kleeft voor mij ook niet iets viezigs aan gescheiden zijn. Iemand zei lang geleden tegen mij: ‘O, ik dacht dat jij gescheiden was!’ ‘Nee, hoezo?’, vroeg ik. ‘Dat weet ik niet’, zei hij, ik vond het bij je passen!’ Misschien is dat wel zo, en past het bij me. Mijn vader is vanwege zijn trauma vijf keer gescheiden. Daarmee vergeleken hou ik het nog netjes, tot nu toe.’

16 oktober 1972 Geboren in Amsterdam.
1994 Studie Nederlandse taal- en letterkunde (niet afgemaakt). Naast haar studie volgde ze toneellessen op theaterschool De Trap.
1996 Doorbraak in Hufters & hofdames van Eddy Terstall.
1996-heden Rollen in circa veertig films en series, waaronder Rent a Friend, Simon, Baantjer, Overspel, La Holandesa, Publieke werken, Maud en Babs en Máxima.
2009 Gouden Kalf voor de film Kan door huid heen.
2012 Gouden Kalf voor tv-serie Overspel.
2016 Nominatie Gouden Kalf voor Tonio, diploma Script Academy.
2017 Nominatie Gouden Kalf voor Verdwijnen, schrijft scenario voor Kleine ijstijd.
2019 Gouden Kalf voor Judas.
2026: Te zien in de serie De Eetclub, vanaf 10 september te zien op Netflix.

Rifka Lodeizen woont samen met haar jongste dochter, haar oudste woont zelfstandig.

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Foto’s Paul Bellaart, haar en make-up Sandra Govers, styling Neda Farzanyar, locatie Studio Kalverliefde

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next