Macro-economie Komende dinsdag presenteert de minderheidscoalitie van D66, VVD en CDA haar eerste begroting. Dat gebeurt in een tijd van grote economische onzekerheden. Aan de buitenkant glanst de Nederlandse economie, onder de oppervlakte erodeert ze. De paradox van de Nederlandse welvaart.
Vlnr: vicepremier Dilan Yesilgöz, minister Bart van den Brink en premier Rob Jetten. Het minderheidskabinet stelt wezenlijke beleidsveranderingen uit, onder druk van maatschappelijke onrust en door de politieke realiteit.
Bezuinigingen op de sociale zekerheid. Onhoudbare kosten van de vergrijzing. Achterblijvende productiviteitsgroei. Achterstallig onderhoud aan de infrastructuur. Handelsoorlog. China-shock. Energiecrisis. Stikstofslot.
De lijst met potentiële en actuele bedreigingen van de Nederlandse economie lijkt eindeloos. Tegelijkertijd is de werkloosheid nog steeds extreem laag, staat de staatsschuld op minder dan 45 procent van het bbp, krijgt de overheid het geld dat ze te besteden heeft niet eens uitgegeven en zitten de terrassen dag in dag uit vol.
Zie hier de twee gezichten van de Nederlandse economie.
Het Centraal Planbureau (CPB) publiceerde medio augustus de macro-economische ‘vangrails‘ waarbinnen de eerste begroting van het kabinet-Jetten komende dinsdag een plek moet zien te vinden. En anders dan je op basis van het publieke doemdenken zou verwachten, staat de Nederlandse economie er eigenlijk bijzonder goed voor.
Een aanhoudend sterke export, hogere uitgaven van de overheid en buffers van huishoudens houden de economische groei op peil, constateerde het CPB. De cijfers hierbij: de investeringen van bedrijven nemen dit jaar toe met 1,8 procent, en volgend jaar met 3,2 procent. De consumptie van huishoudens: een toename met 1,1 respectievelijk 0,9 procent. Consumptie van de overheid: 2 procent respectievelijk 1,5 procent erbij. Zelfs de export stijgt beide jaren met iets meer dan 2 procent.
Dat komt allemaal samen in een economische groei van 1,4 procent dit jaar en 1,2 procent in 2027. Dat lijkt wat magertjes, maar het wijkt niet af van de gemiddelde groei die de Nederlandse economie deze hele eeuw al doormaakt.
De vraag is natuurlijk: waarom lijkt het dan toch zo goed te gaan? Op het eerste gezicht vallen de hogere uitgaven aan defensie op. Nederland passeert de ‘oude’ NAVO-norm van 2 procent van het bruto binnenlands product, en dat komt door de miljarden euro’s die extra worden besteed. Maar het is de vraag of die de economie hier aanjagen. Een klein land als Nederland maakt lang niet alles zelf wat het nodig heeft, en dus vloeit een flink deel van het defensiegeld naar het buitenland, waar de plaatselijke industrie er wél van profiteert.
Het CPB schatte eind vorig jaar dat het aanjaageffect van defensiebestedingen op de economie in de buurt van nul ligt: één bestede defensie-euro leidt tot nul procent extra groei. Anders gezegd: defensie geeft miljarden uit zonder dat er in Nederland een uur extra voor wordt gewerkt. Maar veel empirische data zijn er nog niet, dus die schatting kan veranderen.
Veel van de economische weerbaarheid van Nederland lijkt, zoals het Planbureau al concludeert, terug te voeren op de consument. Economen van ABN Amro en De Nederlandsche Bank onderschrijven dat. Voorbeelden: van elke euro aan invaarbonus, de soms forse verhoging van pensioenuitkeringen bij de overgang van het oude naar het nieuwe pensioenstelsel, wordt 22 cent uitgegeven. Hogere energieprijzen op de wereldmarkt zijn nog nauwelijks merkbaar, omdat de Nederlandse consument zijn stroom- en gasprijzen in langlopende contracten heeft vastgelegd – een wijze les van na de Russische inval in Oekraïne van 2022. En meer elektrische auto’s betekent dat het Nederlandse wagenpark minder gevoelig is geworden voor duurdere benzine.
De woningprijzen blijven stijgen, en de bezitter van een huis besteedt een deel van de papieren winst daarop eveneens – het zogenoemde ‘vermogenseffect’. Al jaagt dat in principe de economie alleen extra aan wanneer de huizenprijzen sterker stijgen dan het jaar ervóór. Pas dan is er sprake van een éxtra impuls bovenop die van het jaar daarvoor. Maar het vermogenseffect zorgt sowieso wél voor een veilige psychologische buffer. Huishoudens beleggen, en hebben een paar knallende kwartalen achter de rug op een beurs die wereldwijd omhoog wordt gedreven door de boom in kunstmatige intelligentie. Ook daar zit een stevig vermogenseffect: een deel van de winst gaat naar extra consumptie.
Over de AI-boom gesproken: chipmachinefabrikant ASML doet het laaiend goed omdat de vraag naar complexe chips wereldwijd door het dak gaat, en daarmee ook de vraag naar machines die deze chips maken. Dat heeft ongekende gevolgen: economen van ING rekenden uit dat de miljarden aan extra omzet die ASML dit jaar verwacht, 0,2 à 0,3 procent groei opleveren voor de gehéle Nederlandse economie. Die groeit dit jaar met 1,4 procent, en zo is ASML in zijn eentje goed voor een vijfde van de verwachte economische groei in Nederland.
Dat is allemaal verheugend, maar het geeft ook te denken. Er hangt wel érg veel af van de chiphausse. Consumenten halen er beleggingswinst uit, de belangrijke Nederlandse chipindustrie vaart er wel bij. Maar blijft dat ook zo? De Nederlandse economie rust op de consument, die op zijn beurt niet rust op vermogenswinst uit huizen, beleggingswinst uit de beurs, de flinke pensioenbesparing. Het doet allemaal denken aan die vorige periode van rentenierschap: de achttiende eeuw, toen Nederland nog een tijd kon voortborduren op winsten uit de Gouden Eeuw, maar langzaam rentenierend in het slop raakte. Eerst overvloed, dan onbehagen, vrij naar historicus Simon Schama.
De huidige rijkdom van Nederland is dan ook geen gegeven. Schama opende zijn boek Overvloed en onbehagen (1988, over de ontstaansgeschiedenis van Nederland als natie) niet voor niets met de woorden van Johannes Calvijn, oervader van de Nederlandse zuinigheid. „Laten zij die overvloed hebben eraan denken dat ze zijn omgeven met doornen, en laten ze goed oppassen dat ze er niet door geprikt worden.”
En doornen zijn er te over, zowel rondom als binnen de Nederlandse economie. Deze week brachten economen van ING een analyse naar buiten waarin ze die risico’s op een rij zetten. Zij zien vooral een economie die te maken heeft met „een verzwakte basis onder het verdienvermogen”. De verrassend sterke groei die onder meer het CPB ziet, vinden de economen verraderlijk.
Overheidsbestedingen hebben tot nu toe voor een belangrijk deel de groei gestut, maar de euro’s zijn niet gestoken in versterking van het structurele groeivermogen van de economie. Met de miljarden werden vooral negatieve effecten opgevangen van economische schokken als de Oekraïne-oorlog en de crisis in het Midden-Oosten. „Wel korting op de energierekening en de brandstofaccijns, geen versterking van de infrastructuur”, aldus ING.
Daarbij staan wel voorwaarden voor duurzame groei onder druk: nog steeds is er een tekort aan arbeid in het bedrijfsleven, mede door de overheid. Zorg en onderwijs slokken (naast defensie) een groot deel van de beschikbare arbeidskrachten op, bedrijven moeten hard concurreren om personeel, waarvan het aanbod nauwelijks groeit. En investeringen in de groei worden beperkt door het stikstofslot, congestie op het elektriciteitsnet en haperende vergunningverlening. Geld voor verbetering van de infrastructuur levert werkgelegenheid en groei op, maar als dat geld naar reparaties gaat, is het effect toch anders dan bij investeringen in innovatie en structurele productiviteitsgroei.
Welvarend is Nederland dus nog steeds, maar de basis waarop die welvaart rust, brokkelt in rap tempo af. Dat kan nog een aantal jaren zo doorgaan, maar daarna is het gedaan met deze mate van overvloed.
Die analyse is de afgelopen jaren al vaker gemaakt. Op Europees niveau wezen de Italiaanse oud-premiers Letta en Draghi twee jaar geleden al op de regeldruk en het achterblijvende concurrentievermogen in de Unie. De Verenigde Staten en China gaan er met de buit vandoor, de Europese Unie dreigt verder af te glijden, met alle economische gevolgen van dien.
In Nederland bracht voormalig ASML-topman Peter Wennink eind vorig jaar een rapport uit met aanbevelingen voor de economie. Tot 2035 zou Nederland 151 miljard tot 187 miljard euro extra moeten investeren om zijn toekomstige welvaart te behouden, schreef hij. „Als we niets doen, moet Nederland binnen vijf jaar eigenlijk op alles bezuinigen.”
Zo bezien heeft de Nederlandse economie waarin de coalitie komende week haar eerste begroting presenteert iets van magisch realisme. Je ziet dingen die er niet (meer) zijn. Het glanst nog, maar onder dat laagje is de corrosie al volop bezig.
Het goede nieuws is wellicht: met die analyse in de hand kan gewerkt worden aan oplossingen. Dat vergt een heldere politieke visie op de toekomst van de economie. Er moeten antwoorden komen op grote vragen: waar wordt geld vrijgemaakt voor de broodnodige investeringen in toekomstige groei? Welke sectoren zullen de basis van de economie versterken, en welke juist niet? Hoe vergroot je de arbeidsproductiviteit structureel? Werkt de huidige belastingmix versterkend of juist verzwakkend voor de economie?
Het slechte nieuws is, zoals wel vaker, meer politiek dan economisch: de coalitie van D66, VVD en CDA lijkt vooralsnog meer met zichzelf en de respectieve achterbannen bezig dan met de redding van de economische fundamenten. Het kabinet stelt wezenlijke beleidsveranderingen uit, onder druk van maatschappelijke onrust en door de politieke realiteit waarmee dit minderheidskabinet te maken heeft.
Het enge aan de situatie is dat lastig is vast te stellen waar het kantelpunt van de economie precies ligt. Al kan de welvaart nog even duren, de kwetsbaarheid voor externaliteiten als een beurscrash, aanhoudend hoge energieprijzen of dalende huizenprijzen is groot.