Vuelta a Espana Wielrenner Steven Kruijswijk (39) is in de Vuelta bezig aan de laatste kilometers van zijn carrière. Tussen de etappes door blikt hij terug op zeventien jaar in het profpeloton. „Ik zou mijn kinderen niet per se stimuleren om wielrenner te worden.”
Steven Kruijswijk bij de ploegenpresentatie voor de start van de Vuelta.
Zo’n 170.000 kilometer koers reed Steven Kruijswijk in zijn carrière, meer dan vier keer de wereld rond. Maar de startplek van zijn laatste wedstrijd bevindt zich op 150 meter van zijn huis.
Monaco is de woonplaats van talloze profrenners – en sinds tien jaar ook van Steven Kruijswijk. Hier begint op zaterdag 22 augustus de Vuelta a Espana, met een korte tijdrit. De startplek speelde „zeker” een rol bij de keuze voor zijn laatste wedstrijd, zegt hij over de telefoon vanuit het hotel waar hij verblijft met zijn team. „Toen het anderhalf jaar geleden bekend werd, had ik dat meteen in mijn hoofd.”
Na zeventien jaar vindt Kruijswijk (39), geboren in Nuenen (Brabant), het mooi geweest als beroepsrenner. Hij debuteerde in 2010: Lance Armstrong reed nog onbekommerd in het peloton, Jan Peter Balkenende was minister-president en de BlackBerry was op het hoogtepunt van z’n populariteit.
Kruijswijk geldt als een van de beste Nederlandse ronderenners van zijn generatie. Hoewel hij niet veel won, behaalde hij topvijf-plekken in alle grote rondes: vierde in de Vuelta en Giro, derde in de Tour de France. Er had zelfs nóg meer ingezeten, als hij op die noodlottige dag in de Giro van 2016 niet in gewonnen positie tegen een ijswand was geklapt – beelden waarmee hij voor altijd in het nationale sportgeheugen gegrift staat.
Kruijswijks team Visma-Lease a Bike eert hem bij zijn afscheid als ‘cultuurbewaker’. Dat is zeker niet overdreven: zijn hele carrière reed hij voor de ploeg en diens voorgangers. Hij bleef het team trouw tijdens de moeilijke jaren na het vertrek van hoofdsponsor Rabobank en deed als eerste renner van de ploeg serieus mee in het klassement van grote rondes. Iets wat sinds de successen van kopman Jonas Vingegaard – tweevoudig Tourwinnaar – een vanzelfsprekendheid lijkt, maar dat voor die tijd bepaald niet was.
Zijn beste jaren liggen alweer enige tijd achter hem. Toch fietste Kruijswijk – bijgenaamd ‘De Kleerhanger’, vanwege zijn brede schouders – bijna tot zijn veertigste door, in een dienende rol. „Op een gegeven moment werd de ploeg beter dan ikzelf”, vertelt hij vanuit Nice. „Toen kreeg ik de vraag: wil je in een wat meer ondersteunende rol rijden? Anders kun je beter naar een ploeg gaan waar je zelf voor de prijzen kunt rijden.”
Spijt van zijn beslissing om een stap te terug te doen heeft hij nooit gehad. „Ik kreeg als feedback dat ik met al mijn ervaring nog steeds van waarde was voor de ploeg. Ik voel zeker niet dat ik te lang ben doorgegaan.”
Tijdens zijn carrière voltrokken zich in de sport grote omwentelingen op het gebied van training, voeding en materiaal. Zonder morren schikte Kruijswijk zich in het regime van het moderne wielrennen: tot op de gram afgemeten voedsel, geïndividualiseerde trainingen, eindeloze hoogtestages. Ja, zegt hij, de sport „eist nóg meer van renners” dan toen hij begon. „Je moet je erin verdiepen en ertoe zetten. Het is heel gestructureerd en dat neemt de vrijheid die je vroeger had weg. Maar als je er niet in meegaat, loop je achterstand op.”
Kruijswijk voelt zich niet anders dan gebruikelijk, een dag voor de start van zijn laatste wedstrijd. Sinds hij niet meer voor het klassement rijdt beleeft hij de koers sowieso al „met iets minder persoonlijke nervositeit”. Waar hij morgen tijdens de proloog door de straten van Monaco vooral naar uitkijkt: zijn vrouw Sophie en zijn kinderen Perre (10) en Feline (7) langs het parcours.
Kruijswijk aan kop van het peloton in de vijfde etappe van de Vuelta.
Het gebeurde allemaal heel plotseling. Tijdens de derde etappe was regen voorspeld, dat wisten de renners van te voren. Maar op de voorlaatste klim van de dag, de Col de Mont-Louis in de Franse Pyreneeën, „kwam het ineens met bakken uit de hemel, in de vorm van hagel. En dat doet best wel pijn aan je armen, moet ik zeggen.”
Kruijswijk vertelt er een paar dagen later over, voorafgaand aan de start van een etappe in Alcossebre, halverwege Valencia en Barcelona. Toen de hagelbui in de Pyreneeën losbarstte, reed hij naast zijn Britse ploeggenoot Matthew Brennan. „Ik zei: we gaan stoppen en schuilen. Links zagen we een café. Daar hebben we onder het dakterras beschutting gezocht.”
De etappe werd kort daarna afgebroken, na een interventie van de patron van het peloton, rodetruidrager Tadej Pogacar. De beelden van kletsnatte en steenkoude renners die hun toevlucht zochten op de trappen van hotel Les Sorbiers op de Col de Mont-Louis, werden een hit op sociale media.
Zeven jaar geleden moest Kruijswijk ook al eens voortijdig een etappe afbreken, in de Tour de France. Modderstromen in de Franse Alpen hadden de afdaling van de Col de l’Iseran onbegaanbaar gemaakt; bovenop de berg werd de rit geneutraliseerd en ook de etappe van de volgende dag werd ingekort. Het was het slotweekend van de Tour. Kruijswijk, die derde stond, kreeg niet meer de kans om in de aanval te gaan en misschien nog een plekje op te schuiven op het podium.
In de Tour de France van 2019 werd Kruijswijk derde, het hoogtepunt in zijn loopbaan.
Die derde plek in de Tour vindt Kruijswijk de mooiste prestatie uit zijn carrière. „De laatste tien jaar hebben niet veel verschillende renners op het podium gestaan van de Tour”, zegt hij. „Dat ik mezelf daartussen heb gezet, daar ben ik heel trots op.”
Toch is het niet de Tour van 2019 die voor altijd verbonden zal blijven aan de carrière van Kruijswijk. Dat is de Giro van 2016. Hij reed in de roze trui, was op weg om als eerste Nederlandse renner in 36 jaar een grote ronde te winnen. En toen, twee etappes voor het einde, volgde een fataal moment van onoplettendheid. Terwijl Kruijswijk in de afdaling van de Colle dell’Agnello iets te eten wilde pakken, maakte hij een stuurfout, knalde vol in een sneeuwwand en duikelde over de kop. Hij stapte weer op maar verloor die dag bijna vijf minuten op de Italiaan Vincenzo Nibali, die de Giro won.
Die smak, zegt Kruijswijk, „blijft natuurlijk eeuwig zonde”. Heel veel tijd om de teleurstelling te verwerken heeft hij zichzelf nooit gegund. „Ik moest snel door, zeker in die tijd volgden de wedstrijden snel achter elkaar. En ik ben er ook niet de persoon naar om heel lang in zak en as te zitten, de hele tijd te denken: ‘wat áls?’”
Een jaar later won zijn generatiegenoot Tom Dumoulin wél de Giro – en verwierf daarmee eeuwige roem. „Toen dacht ik: ik had een jaar eerder kunnen zijn. Mooi voor hem, heel zuur voor mij. Maar je kunt er niets aan veranderen.”
Hij heeft het Giro-echec na tien jaar min of meer een plek kunnen geven, zegt Kruijswijk. „Ik ben best nuchter en kan het goed relativeren. Ik heb er niet veel moeite mee als mensen erover beginnen.” Het wakkerde bovendien „het verlangen” in hem aan om „iets tastbaars” te bereiken in zijn carrière, te bewijzen dat hij het podium wél kon halen. Wat lukte in de Tour de France van 2019.
Kruijswijk (in het roze) vlak voordat hij door een stuurfout op de ijswand klapt en de Giro van 2016 verliest.
Het was een vrij nerveuze finale, het ging tegen de zestig kilometer per uur. Kruijswijk zat er niet zo ver vandaan toen het gebeurde. „Ik zag meteen dat hij een van de slachtoffers was. Vrij snel daarna hoorde ik via mijn oortje dat Pogacar niet meer was opgestapt.”
Op de eerste rustdag, in Albacete, vertelt Kruijswijk over de gebeurtenis die het Vuelta-peloton twee dagen eerder heeft geschokt: de val van Tadej Pogacar. Vanuit het niets ging de klassementsleider – die vanaf dag één soeverein afstevende op de eindzege – tegen het asfalt, slachtoffer van een steen. Gebroken sleutelbeen, gebroken nekwervel, hersenschudding – einde Vuelta. De Spanjaard Enrique Mas rijdt nu in de rode trui.
Valpartijen, daar heeft Kruijswijk ook zijn deel van gehad. Hij brak zijn ribben, twee keer zijn bekken, twee keer zijn schouderblad en drie keer zijn sleutelbeen – en dat zijn alleen de ergste kwetsuren. Ontelbaar zijn de schaafwonden die hij opliep: aan zijn knieën, heupen, rug en ellebogen – de uitstekende delen die bij een val als eerste het asfalt raken. „Die schaafplekken blijf je altijd zien, dat trekt nooit helemaal weg. Op mijn heupen heb ik plekken waar ik in de loop der jaren meerdere keren op ben gevallen. Litteken op litteken, daar wordt het niet mooier van.”
In zijn rechterschouder zit een metalen plaatje met schroeven – souvenir van een rotsmak die hij vier jaar geleden maakte in de Tour de France. Van het schouderblad en sleutelbeen dat hij toen brak heeft hij nog steeds last. „En dat zal altijd wel een beetje blijven. Zeker bij lange ritten wordt die kant van mijn lichaam vaak stijf en krijg ik last van een zeurende pijn. Met mijn rechterarm iets uit mijn achterzakje pakken is lastiger dan met links.”
Kruijswijk brak zijn ribben, twee keer zijn bekken, twee keer zijn schouderblad en drie keer zijn sleutelbeen.
Het getekende lichaam waarmee hij straks zijn wielerpensioen ingaat, zegt Kruijswijk, is „de consequentie van een sport op snelheid waarin 180 renners meedoen en het aantal plekjes vooraan beperkt is”. Veiliger is het wielrennen er niet op geworden sinds zijn eerste profkoers. Door betere voeding, training en materiaal is het niveau van de renners fors omhoog gegaan – en daarmee ook de snelheid. „Iedereen weet: als je niet vooraan zit, doe je niet mee in de wedstrijd. Dus worden er meer risico’s genomen. Dan remmen jongens wat later.”
Er is, zegt Kruijswijk, sprake van een stapeling van oorzaken. Zo weet elke ploeg tegenwoordig precies hoe het parcours eruit ziet. „Waar we vroeger gewoon de borden volgden van de organisatie, zien we nu op onze fietscomputer dat er over drie kilometer een bocht aankomt, waarna de weg half zo breed wordt. Daar moeten we van voren zitten. Dan is het ellebogenwerk om niet achterop te raken.”
Wat ook veranderd is in die zeventien jaar: steeds meer obstakels op de openbare weg. Drempels, rotondes, middelgeleiders, noem maar op. „Ze proberen ze allemaal te markeren, maar als je daar met 180 man met 60 kilometer per uur op afrijdt en iemand ziet iets over het hoofd…” Maatregelen van wedstrijdorganisatoren – netten in afdalingen, safety zones in sprintetappes waardoor iedereen in de laatste kilometers dezelfde tijd krijgt – „helpen wel, maar lossen zeker niet alles op”.
Zijn zoon en dochter zou hij „niet per se stimuleren om wielrenner te worden”, zegt Kruijswijk. „Als ze zich tot de sport aangetrokken voelen, zou ik ze zeker steunen, maar ik zou het niet forceren.” Hij weet hoe gevaarlijk wielrennen is. „Mijn vrouw en ouders hebben vaak genoeg voor de televisie zitten hopen dat ik zonde schade uit een wedstrijd zou komen, en niet per se dat ik een goed resultaat zou boeken.”
De hitte tijdens zijn laatste Vuelta was extreem.
Kruijswijk belt vanuit Sevilla. Zo meteen stapt hij in de teambus naar de start van de zestiende etappe. De rustdag van gisteren, nummer twee, „voelde als verlichting na een intense week”, zegt hij. Er is niet alleen keihard gekoerst, het is ook ontzettend heet geweest in Zuid-Spanje – vrijwel iedere dag rond de veertig graden. Afgelopen zondag hebben de organisatoren de etappe met 80 kilometer ingekort, na druk van de renners. „Het is wel vaker warm, maar de afgelopen week was extreem.”
De Vuelta verloopt buitengewoon succesvol voor Visma-Lease a Bike: sprinter Matthew Brennan en alleskunner Wout van Aert hebben samen inmiddels vijf etappes gewonnen. Ze staan ook nog eens één en twee in het puntenklassement, met de nummer drie op forse afstand. Door die „goede flow” in de ploeg is Kruijswijk nog niet echt toegekomen aan aftellen naar zijn laatste koersdag. „Misschien daalt het besef pas volgende week in, als ik thuis zit: dat was het dan.”
Zijn hele carrière zat „de fiets in mijn achterhoofd”. Hij was altijd bezig met zijn voeding, zijn conditie, zijn slaap. Op vakantie met het gezin kon alleen in oktober, als het seizoen was afgelopen. Een avondje doorzakken? Alleen na grote rondes. Vanaf komende winter is dat allemaal voorbij, zegt hij. „De eerste wintersportvakantie is al geboekt.”
Hij heeft een plan voor de toekomst. Kruijswijk blijft in Monaco wonen en wil wielrenners (en andere topsporters) gaan helpen met investeringen en vermogensopbouw, voor na hun carrière. „Renners worden jonger prof, ze verdienen in korte tijd behoorlijke bedragen. Tegelijkertijd gaan de carrières van de nieuwe generatie korter duren, omdat de sport intensiever is geworden. Dus het is slim om daar vroeg mee aan de slag te gaan.”
Geen baan dus voor Kruijswijk als ploegleider, de geijkte weg voor veel renners die stoppen met koersen. Directeur sportif worden, zegt Kruijswijk, zou betekenen dat hij verder gaat in zijn oude levensritme: wekenlang van huis voor koersen en trainingskampen. Dat wil hij niet meer. „Ik vind fietsen heel leuk, maar dit hoofdstuk heb ik straks afgesloten. Het sportieve laat ik los. Zonder andere renners tekort te willen doen: in de wielerwereld blijven hangen is toch de veilige optie.”
Kruijswijk heeft de laatste tijdrit van zijn carrière achter de rug. 32,5 kilometer van El Puerto de Santa María naar Jerez de la Frontera, in de buurt van Cádiz. Terwijl Enric Mas een eindje verderop zijn Vuelta-zege praktisch zeker stelt met een uitstekende tijd, zit Kruijswijk samen met Matthew Brennan in de auto op weg naar het hotel.
Wat hij aan zeventien jaar wielrennen heeft overgehouden? Dat is best een lastige vraag, vindt Kruijswijk. Wat de sport hem in ieder geval heeft gegeven, zegt Kruijswijk, is hardheid. Al die keren dat hij na de zoveelste valpartij moest „doorzetten, relativeren en terugvechten”, hebben hem als mens zeker gevormd. Een paar keer was hij dicht bij stoppen, geen zin meer in de zoveelste revalidatie. Uiteindelijk ging hij altijd door. „Ik wilde niet op die manier mijn carrière afsluiten, maar zonder blessures.”
Zijn leven, zegt Kruijswijk, is nooit gaan samenvallen met het wielrennen. Natuurlijk, met zijn collega’s heeft hij in de loop der jaren een goede band opgebouwd. Sommigen, zoals Van Aert, zijn „meer dan collega’s” geworden. Zijn carrière heeft niet voor niets zo lang geduurd. „Maar mijn sociale leven buiten het wielrennen is groter dan binnen de ploeg.” De wielerwereld, zegt Kruijswijk, „is heel klein en bekrompen. Ik heb dat altijd bewust een beetje van elkaar gescheiden gehouden”.
Komende zondag, na de laatste etappe in Granada, gaat hij met zijn ploeg en familie „zeker het glas heffen” op zijn carrière. En ook op de resultaten trouwens: het aantal etappezeges staat inmiddels op zeven.