Gustav Mahler De Mahler Academy speelt in Amsterdam de ‘Negende Symfonie’, de heilige graal uit Gustav Mahlers werk – zoals je het stuk nog nooit hebt gehoord. In het Italiaanse Toblach vond Mahler de inspiratie voor muziek waarin de menselijke pijn ten slotte lijkt op te lossen. „De geest van deze plek ademt Mahler.”
Dirigent Philipp von Steinaecker met zijn Mahler Academy, een bundeling van studenten en Mahler-veteranen uit toporkesten.
Dirigent Philipp von Steinaecker (53) wandelt in meerdere opzichten in de voetsporen van componist Gustav Mahler. Met zijn Mahler Academy – een bundeling van beloftevolle studenten en Mahler-veteranen uit de Europese toporkesten – zoekt de Duitser naar de originalklang van de symfonieën. Ze doen dat op darmsnaren en instrumenten waarvoor de componist deze stukken schreef. In de repetitiepauzes, vorige week in het Italiaanse Toblach, rustten op stoelen of lessenaars hobo’s, hoorns en klarinetten die eens op Mahlers aanraden werden gekocht door de Wiener Hofoper, in de jaren dat hij er chef-dirigent was.
Op het bankstel in de hal, onder toeziend oog van een Mahler-buste boven de marmeren trap, openen de Nederlandse cellist Johan van Iersel (54) en de Italiaanse altviolist Martina Forni (46) hun papieren lunchzakken. Met de Mahler Academy spelen ze maandag in thuisstad Amsterdam de Negende Symfonie. Als Concertgebouworkest-musici kennen ze Mahlers werk van binnen en buiten. En toen dirigent Von Steinaecker hen zes jaar geleden uitnodigde voor zijn eerste originalklank-experiment, hapten ze onmiddellijk toe.
„Het Concertgebouworkest is, denk ik, het ensemble met de langste Mahler-traditie”, vertelt Van Iersel. „Op onze lessenaars in Amsterdam lagen tot zo’n vijftien jaar geleden partituren met aantekeningen uit het begin van de vorige eeuw, de glorietijden van chef-dirigent Willem Mengelberg, een goede vriend en ontdekker van Mahler. Dat biedt een veilige haven, want wij musici weten allemaal vooraf wat er van ons gevraagd wordt. Het levert over het algemeen doorleefde vertolkingen op. Elk concert graven we dieper in de Mahler die we al kennen. Keerzijde is dat er – ook door beperkte repetitietijd – weinig ruimte overblijft om een stuk weer eens helemaal opnieuw tegen het licht te houden. Hier in Toblach zit ik, wat Mahler betreft, elke dag weer in de schoolbanken. Dat voelt naakt, eng en kaal, maar maakt me niettemin zielsgelukkig.” Op zijn gezicht breekt een brede glimlach door. „Had ik een hondenstaartje, je zou me voortdurend zien kwispelen.”
Altviolist Forni knikt. „Het doet me denken aan de magische ervaring van het ontdekken van een favoriet boek. Bij herlezing verlang je vaak terug naar het gevoel van die eerste keer toen je nog van niets wist en de schoonheid en betekenis ervan je overviel. En dat is precies wat hier gebeurt met de Mahler-symfonieën. Op een of andere manier worden ze in ons opnieuw geboren. De stijl van spelen in de Mahler Academy, op de darmsnaren, en nauwgezet de aanwijzingen van de componist volgend, voelt heel natuurlijk. Alles in mij valt op zijn plek, alsof ik volledig mezelf kan zijn. In veel orkesten voel je je toch…” Zoekend naar een woord steekt Forni – handpalmen naar boven – haar polsen naast elkaar naar voren. „Geketend, ja”, beaamt ze.
Voor de opname van de Negende Symfonie wonnen Von Steinaecker en de Mahler Academy vorig jaar een klassieke Edison. De jury sprak van „een openbaring”. In moderne orkesten walsen de met staal besnaarde strijkers vaak over veel details heen, die nu in alle helderheid kunnen opbloeien. Je hoort muzikale stemmen die je voorheen ontgingen. Een grappige paradox is dat deze historische Mahler frisser, vrijer en eigentijdser voelt dan hedendaagse versies.
De volgende ochtend om acht uur drentelt dirigent Von Steinaecker de deur uit van het gastenverblijf aangebouwd bij het Grand Hotel, dat de Mahler Academy, een cultuurcentrum en de concertzaal huisvest. Het indrukwekkende complex ligt tegenover het treinstation dat het dorp Toblach – of Dobbiaco op zijn Italiaans – aan de vergetelheid onttrok: rond 1870 werd hier een spoorlijn aangelegd die Wenen en Triëst via zuidelijk Tirol verbond met Innsbruck. Met zijn ligging op ruim 1.200 meter is Toblach het hoogste punt. Boven de vallei torenen grillige toppen uit van de Dolomieten.
Het meer bij Toblach met op de achtergrond de Dolomieten, waar Mahler woonde en onder meer ‘Das Lied von der Erde’ componeerde.
Von Steinaecker wandelt naar het westen, waar boven maïsvelden en weilanden een kleine houten hut staat – niet veel groter dan zo’n twee bij twee meter – en zo onaanzienlijk dat je hem zo voorbij zou lopen. Maar dit bouwsel is bedevaartsoord en heiligdom, hier schreef Mahler Das Lied von der Erde en zijn Negende Symfonie. De drukke dirigent ontvluchtte in de zomer de altijd om aandacht schreeuwende stad om in de afzondering van de natuur te kunnen componeren, om gedachten en gevoelens over de schepping, over de plek van de mens hierin en over onze innerlijke strijd op muziek te zetten.
Mahler zag zichzelf als „de zanger van de natuur”, niet van bloemetjes en bijtjes, maar van het allesomvattende en ongrijpbare fundament van ons bestaan. „Wat ik in woorden kan zeggen zal ik nooit in noten vatten”, schreef Mahler in een brief. „Het verlangen om me muzikaal uit te drukken begint pas voor de poort naar ‘de andere wereld’, waar niet alles uiteenvalt in tijd en ruimte.”
Gustav Mahler in 1909.
Het gras is nog nat van het onweer van de vorige nacht, de ochtendzon verjaagt de laatste nevels en Von Steinaecker wandelt in de schaduwen van de sparren in het voetspoor van Mahler. Hier vielen hem ideeën in die hij vervolgens meenam naar zijn hut, „zoals een boer zijn oogst naar de schuur brengt”.
Eind vorige eeuw kwam Von Steinaecker hier voor het eerst als jonge cellist in het Mahler Chamber Orchestra. Met negen andere strijkers en dirigent Daniel Harding liep hij naar boven om bij de componeerhut een muzikaal eerbetoon aan de componist te brengen: het ‘Adagietto’ uit de Vijfde Symfonie.
Toen stond het huisje nog in het bos, maar door een bomenziekte enkele jaren terug moesten de meeste sparren gekapt worden. De ontzielde stronken zijn de grafzerken van hun bestaan. „Hier hangt de ervaring van genius loci”, zegt Von Steinaecker. „De geest van deze plek ademt Mahler. Ik voel hier een innige verbondenheid met zijn drie laatste meesterwerken: Das Lied von der Erde, de Negende Symfonie en de onvoltooide Tiende. Mahler bezingt niet het landschap, maar weet de oerkracht ervan te vangen: de idylle tegenover de dramatiek. Soms zie je het voor je gebeuren. Mahler voegde aan ‘Der Abschied’, het slot van Das Lied von der Erde een eigen dichtregel toe: ‘Allüberall und ewig blauen licht die Fernen.’ Overal en eeuwig blauwen helder de verten. Een kleur verandert hij in een werkwoord. En wie hier in de middag staat, begrijpt wat hij bedoelt. Dan lijkt het blauw van de hemel het landschap met zijn kleur te verzadigen.”
Evenals Das Lied wordt de Negende Symfonie beheerst door een sfeer van afscheid – waarvan blijft nog steeds een raadsel. Lang dachten velen dat hij in de muziek zijn eigen dood voorvoelde, maar nadat fragmenten uit de onvoltooide Tiende Symfonie opdoken – noten die de geboorte van een nieuwe muzikale wereld beloofden – verdween die theorie naar de achtergrond. De held uit Mahlers symfonieën was immers wel vaker gestorven en verrezen.
Op de terugweg naar Toblach, langs het pension waar de componist met vrouw en dochter verbleef, over het bospad, ontvouwt Von Steinaecker de gedachte dat Mahler zich liet inspireren door de denkbeelden van filosoof Arthur Schopenhauer.
Philipp von Steinaecker.
„Mahler worstelt voortdurend met zingevingsvragen”, zegt hij. „Al jong moet hij toezien hoe veel gezinsleden sterven. En een jaar voordat hij hier in Toblach neerstrijkt, sterft de oudste van zijn twee dochters. Het stort hem in een existentiële leegte. Hij moet opnieuw leren staan en lopen, schrijft Mahler aan zijn jonge boezemvriend, de dirigent Bruno Walter. De mens is het kroonjuweel van de schepping, maar ook het meest ongelukkige voortbrengsel ervan. Waardoor komt dat?”
Mahler vindt, zegt Von Steinaecker, een antwoord in Schopenhauers boek Die Welt als Wille und Vorstellung. „De Wil is de drijvende kracht achter alles – het heelal, de natuur, de mens – én een bron van strijd, van lijden, want ze beheerst ons, niet andersom, we kunnen niet aan haar ontsnappen: zij is in ons en overal om ons heen. Dus we moeten met de Wil leren leven. Soms kunnen we ons even bevrijden, meestal wanneer we iets van zo’n grote schoonheid ervaren dat we onszelf een moment vergeten. Kunst, en vooral de muziek, kunnen dat bijvoorbeeld doen, vond Schopenhauer.”
Philipp von Steinaecker vervolgt: „In de Negende Symfonie horen we Mahlers levenslange gevecht met de Wil. Het slotdeel is een koraal dat telkens afbreekt, nergens heengaat en oplost in het niets. Mahler begrijpt ten slotte dat de Wil ontkennen betekent dat je behalve de pijn ook alles verliest wat dierbaar voor je is. Wie zijn leven in dat licht kan bekijken, kan zich verzoenen met de donkere kanten van het bestaan.”
De Mahler Academy speelt de ‘Negende Symfonie’ van Mahler op maandag 14 september in het Concertgebouw in Amsterdam. Onlangs verscheen van het orkest een album met de ‘Vijfde Symfonie’.