Het was acht uur in de ochtend. Mijn zoontje en ik zaten in de wachtkamer van het ziekenhuis, tussen huilende kinderen en ouders met sussende stemmen en zenuwachtige streepmonden. Een voor een werden de kinderen opgeroepen voor narcose en het vervolgens verwijderen van amandelen. Mijn zoontje, een koele kikker, was verzonken in Sjakie en de Chocoladefabriek. Ik had de dag daarvoor Johnnie Walker van Connie Palmen opgepikt en las langzaam, zin voor zin, in deze strenge, zachte, strenge roman. Het goede is dat ik me in het gezelschap van haar woorden altijd even onverschrokken voel, en vrij, zoals toen ik twintig was en zij, of dat je nu aanstaat of niet, vrouwen in Nederland een belofte van soevereiniteit voorleefde. Het minder goede is dat, in tegenstelling tot wat zij beloofde, mijn leven als een wachtkamer kan voelen, met weinig geduld voor de huilende baby tegenover me.
Mijn zoontje werd opgeroepen. Ik hield zijn hand vast terwijl hij het kapje over zijn mond kreeg en wegzakte, een nachtmerrieachtig beeld, iets wat hij natuurlijk niet aan mij mocht zien, dus lachte ik hem toe met diezelfde streepmond en nam weer plaats in de wachtkamer. Na een kwartier naar Johnnie Walker staren kon ik alweer naar hem toe. Er was bloed en pijn en tranen, ik mocht naast hem kruipen, ik hield hem stevig vast. Johnnie was in mijn draf naar zijn hulpeloze pijn op de grond gevallen, naast zijn bed.
De dagen daarop voerde ik hem ijsjes, ze waren hem van tevoren beloofd, hij mocht er zoveel hij wilde, maar nu het zo ver was wilde hij ze niet. In zijn groene ogen zag ik steeds weer de verbijstering over wat hem aangedaan was. Ik week niet van zijn zijde, verteerd door mijn schuld, mijn domme schuld. In de avond, als hij naast me sliep, zijn smalle ruggetje naar me toe, als een gelaten verwijt, las ik in de schemering interviews met Palmen, waarin ze zei dat moederschap en schrijverschap voor haar niet te combineren zijn.
Al eerder liet ze weten niet echt in schrijvende moeders te geloven. En net zoals toen voelden scribenten met kinderen zich ontzettend in de kuif gepikt. Ooit ervoer ik diezelfde woede. Ik had me sinds mijn twintigste zo solidair aan Palmens werk verklaard, dat ik me in mijn hemd voelde gezet toen zij die liefde niet aan moederschrijvers retourneerde. Ik bewonderde haar, zij wees me af.
Nu weet ik dat ik een leven lang soms jaloers zal zijn op het leven van kunstenaars zonder kinderen. Opoffering is iets waar ik de afgelopen jaren met veel liefde over heb geschreven, deels omdat ik wel moest. Het ging mij niet gebeuren dat ik zou jammeren over iets waar ik zelf voor had gekozen, want dan gaf ik de teugels pas echt uit handen. In die houding vond ik uiteindelijk echte schoonheid. Tegelijkertijd is het wat het is: een leven van schipperen, daar steeds beter in worden en jezelf in toenemende mate bewonderen om de eindeloze werk- en denkkracht waarover je blijkt te beschikken.
Maar Palmen, uit een andere generatie, met een moeder die niet de mogelijkheid had om haar opoffering met woorden te versieren, heeft het grootste recht om te kiezen voor een leven dat aan mannen is voorbehouden. Ze mag ook andere vrouwen kwetsen. Je hoeft er niet door geraakt te worden. Ze is immers je moeder niet. Bezie haar in haar tijd en wees op je vierkante meter een vorst, zoals zij dat ook is.
Mijn zoontje hoeft nog even niet naar school. Hij scharrelt door het huis. Ik werk aan de keukentafel. Hij wil een boterham, ik ben blij dat hij weer eet. Hij pakt kauwend Johnnie Walker op, doet alsof hij leest en mompelt: ”Ik ben mama en ik lees dit boek. Oh wat is het interessant, oh wat is het toch weer boeiend.”
En ik moet om hem schaterlachen.