Home

Een ik-verhaal door een journalist, mits niet te particulier, is geen zelfhulp of ego-journalistiek

Wij journalisten leerden het allemaal. Dat je een toeschouwer bent, een fly on the wall (niemand zegt ooit ‘vlieg op de muur’). Journalistiek gaat om het onderwerp, niet over jou. Als je onverhoopt toch deel wordt van de gebeurtenissen die je als vlieg had willen bekijken, schrijf je in de derde persoon. „De verslaggever” of „NRC” kreeg taart of klappen. Niet „ik”.

Als er verhalen in de krant staan die volledig breken met die traditie, valt dat op. De afgelopen weken verschenen meerdere indrukwekkende verhalen waarin een NRC-redacteur zichzelf niet alleen blootgaf, maar ook tegelijkertijd verteller en onderwerp was.

De zomerserie waarin Floor Rusman haar gedachten over haar kanker beschreef. Een essay waarin Amber Wiznitzer vertelde over hoe ze ooit anorexiaklinieken in en uit ging. Een verhaal van Monique van Oostrum die een bipolaire stoornis heeft en door de politie van straat werd gehaald. En, afgelopen zaterdag, het afscheidsstuk waarin Paul Luttikhuis na 25 jaar klimaatjournalistiek voor één keer vertelde over zijn twijfels en frustraties.

Een lezer wie de hoge frequentie was opgevallen, noemde de verhalen „moedig”. Hij vroeg zich af wat de motivatie was van de auteurs om zulke persoonlijke gevoelens en ervaringen te delen – is het zelfhulp?

Het waren verhalen die mij hadden geraakt. Ook de redactie vond ze blijkbaar waardevol: ze verschenen prominent op de beste plekken van de zaterdagkrant. En alle auteurs die ik sprak, waren overweldigd door de positieve reacties die ze achteraf kregen. Maar die verhalen botsen ook met het idee van objectieve journalistiek, dat zo wezenlijk is dat het begrip in de beginselen van NRC staat. Waarom vind ik, vinden we, deze verhalen dan toch zo sterk? Waarom worden ze geschreven? En, wilde de lezer ook weten: ontstaat hier een nieuw genre?

Mee met de tijd

Helemaal nieuw is het niet. Mijn voorganger Sjoerd de Jong schreef in 2014 over eigen verhalen van Nederlandse journalisten over ziekte en dood, die hij toen „een genre” zag worden. Bij NRC schreef chef boeken Pieter Steinz, die in 2016 aan ALS zou overlijden, in die tijd een serie waarin hij zijn ziekte verweefde met de boeken die hij las. Maar uit NRC noemde de ombudsman verder alleen een verhaal van collega Jos Verlaan dat toen juist was verschenen. Verlaan (hij ging net dit voorjaar met pensioen) vertelde over zijn zoektocht naar een ziekenhuis dat zijn maagkanker kon behandelen. ‘We houden u altijd in leven, meneer’ heette dat stuk, over de zorgdoolhof waarin een patiënt terechtkomt.

Toen Verlaan voor NRC Handelsblad zo’n stuk maakte, was dat nog heikel, vertelt hij. Voor het jeugdigere nrc.next schreef hij in 2008 op voor welke dilemma’s hij stond toen bleek dat zijn moeder aan de erfelijke, dodelijke Ziekte van Huntington leed. Over embryoselectie en de last van genetische informatie voor gezinnen ging het. Het verhaal leidde tot stevige discussie op de redactie, vertelt Verlaan. „Nrc.next had het al gepubliceerd, maar NRC Handelsblad wilde die ‘ik-journalistiek’ niet.” Uiteindelijk hakte toenmalig hoofdredacteur Birgit Donker de knoop door, vertelt Verlaan: ook NRC Handelsblad moest mee met de tijd.

Verlaan was echter niet de eerste. In 1999 schreef toenmalig NRC-redacteur Hans Moll in NRC-maandblad M een aangrijpend stuk over de dood van zijn vriendin Chantal. Het is onmogelijk om de opkomst van het genre (of meer vroege voorbeelden, stuur ze vooral) compleet uit de NRC-archieven te peuren, maar leunend op het geheugen van collega’s durf ik de stelling wel aan dat zulke verhalen de afgelopen jaren gangbaarder zijn geworden. Dat past ook bij een bredere ontwikkeling in de journalistiek, waarin auteurs zichtbaarder worden – zie de portretfotootjes bij online artikelen.

Wetend dat ik waardevolle voorbeelden oversla: de serie Doorleven na zijn dood van Anne Dohmen over de rouw om haar jong gestorven man, de vader van haar kinderen (2023). Peter Zantingh over de miskraam van zijn vrouw (2023). Gemma Venhuizen die een risicovolle aorta-operatie onderging (2024). Jeroen van der Kris over zijn levertransplantatie (januari 2026, op basis van zijn boek Het aanbod). Ja, zulke verhalen gaan vaak over ziekte en dood, maar niet altijd. Ik dacht aan het confronterende afscheidsstuk van Lamyae Aharouay als Haags redacteur over de steeds guurdere politiek. Aan een stuk van Denise Retera over haar eigen basisschool.

Het zijn ook voor de auteurs zelf uitzonderlijke verhalen. Luttikhuis zegt in zijn afscheidsessay: „voor één keer laat ik de distantie varen die NRC – terecht – van zijn redacteuren vraagt.” De meeste auteurs die zulke verhalen schrijven, schrijven doorgaans over andere thema’s of doen ander journalistiek werk op de redactie – en dat lijkt me ook goed, vanwege de rolvermenging die onvermijdelijk optreedt. Monique van Oostrum is eindredacteur, Amber Wiznitzer is tv-recensent. Paul Luttikhuis zou, zegt hij als we het erover hebben, nu niet meer terug kunnen naar het schrijven als afstandelijke, objectieve klimaatjournalist. „Ik kon dit alleen als afscheidsverhaal schrijven.”

Radicale openheid

Na gesprekken met zes auteurs en chef van de weekendkranten Maartje Somers, die veel van deze verhalen publiceerde, denk ik: dit is zeker geen zelfhulp. Als het schrijven al als verwerking is begonnen – dat gebeurt, maar zeker niet altijd – zijn de verhalen daar bovenuit gestegen.

Jeroen van der Kris schrijft over de geschiedenis en toekomst van levertransplantaties, over zíjn levertransplantatie en over chronisch ziek zijn. „Het werd gaandeweg steeds persoonlijker, maar ik heb mijn best gedaan om boven mijn eigen verhaal uit te stijgen.” Wiznitzer wilde niet schrijven ‘hoe het is om anorexia te hebben’. „Het moest over de kliniek gaan, en dat het leven daar complexer is dan mensen denken. Je wordt niet alleen maar beter.” Van Oostrum relateerde het verhaal over haar manie aan de discussie over de omgang met verwarde personen. „Ik wilde het falen van de ggz aan de kaak stellen, en een taboe doorbreken.”

Zulke verhalen slagen door introspectie en radicale openheid en eerlijkheid daarin. De schrijver moet zijn eigen emoties en ervaringen verkennen in een detail dat nooit te bereiken is in een verhaal (interview, reportage) over iemand anders, én kan er de woorden voor vinden.

Ontegenzeglijk loopt de auteur op een dun pad. Zonder de kritische blik van auteur en eindredacteur kan een ik-verhaal particulier, koket of pathetisch worden – die woorden vielen in de gesprekken. Een van de auteurs zei: dan wordt ik-journalistiek ego-journalistiek. Maar de verhalen van de afgelopen weken laten zien dat het kan. NRC heeft er een waardevol genre bij gekregen.

DE LEZER SCHRIJFT…Over het commentaar dat terug is op de ‘twee’

Het was de kortste lezersvraag die de ombudsman deze week kreeg. „Heeft NRC een nieuwe indeling, commentaar op pag. 2? Wordt dat ergens toegelicht?” De korte antwoorden: Ja. Nee.

NRC wilde daar weer een „stevige mening”

Maar dat is flauw, want het was een goede vraag, dus naar de hoofdredactiekamer. „Het is klassiek voor krantenmakers om een stevige mening op de ‘twee’ te zetten”, lichtte plaatsvervangend hoofdredacteur Melle Garschagen toe. „We vinden het commentaar belangrijk. Het past bij liberale waarden, we laten zien wat NRC vindt.”

Het klonk zo vanzelfsprekend dat je haast zou denken dat het commentaar altijd op de tweede bladzijde heeft gestaan, maar in werkelijkheid was de ‘twee’ sinds de oprichting van NRC Handelsblad in 1970 een allegaartje geweest tot 15 november 2011.

Toen voerde de krant onder leiding van hoofdredacteur Peter Vandermeersch een nieuwe indeling voor de krant in. NRC is dikker en spannender, was de kop bij de toelichting op de voorpagina – het was vast guitig bedoeld. De indeling gaf de eerste twee binnenpagina’s een structuur met meningen links en feiten rechts, en die bleef toen de krant in 2012 op tabloid-formaat overging.

Het commentaar hield ruim vijf jaar stand op de ‘twee’, maar maakte in februari 2017 plaats voor een wisselcolumn van, toen nog, Tom-Jan Meeus, Jutta Chorus en Christiaan Weijts. Met nieuwe columnisten veranderde door de jaren heen de toon, waarbij de stevige mening gaandeweg ruimte maakte voor de miniatuur-reportage, waarin auteurs als Jannetje Koelewijn en Sheila Kamerman uitblonken.

In januari 2025 werd dat de vaste vorm in die kolommen, met de rubriek In Het Land. Die is nu gestaakt – alleen Petra de Koning gaat verderop in de krant door met haar Haagse observaties als De Koning kijkt – waarmee we nu weer terug zijn bij de stevige mening.

Dat die „op de twee” staat, heeft natuurlijk minder betekenis dan Vandermeersch in 2011 beoogde, nu doordeweeks de meeste lezers online lezen. De hoofdredactie hoopt dat het commentaar ook dáár nu meer aandacht krijgt.

De ombudsman opereert onafhankelijk; haar oordeel is persoonlijk en niet dat van de (hoofd)redactie. Kijk hier voor de statuten van de ombudsman. Reacties kunt u mailen naar ombudsman@nrc.nl

Media

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next