Beter had het niet gepland kunnen worden: vanaf 11 september is in Amsterdam het werk te zien van de pas overleden Japanse kunstenaar Yayoi Kusama, wereldberoemd om haar stippen. V duikt in de eerste 30 jaar van haar leven – toen tekenen haar redding was.
is kunstredacteur van de Volkskrant.
Waar begint het verhaal van een kunstenaar? Het is een aansprekend cliché in biografieën en postuums: de kunstenaar die als kind al creatief was. Toen Hollywood-acteur Jim Carrey tien jaar terug zijn onverwachte coming-out als kunstenaar had, liet hij een jeugdtekening zien: een giraffe in grijs potlood.
Moeten we zoiets serieus nemen? Als bewijs van kunstenaarschap, als deel van een oeuvre?
Dit artikel is ook bewerkt tot een beeldverhaal. Om dat te bekijken, klik hier.
Niet ieder kind dat tekent wordt kunstenaar. Ook bankdirecteuren, buschauffeurs en dictators maakten tekeningen in hun jeugd. Daar hechten we zelden betekenis aan. Is er eigenlijk iets opmerkelijk aan een tekenend kind?
Soms wel.
Zo’n geval is Yayoi Kusama.
‘Ik landde in Amerika op 18 november 1957’, zo luidt de eerste zin uit haar autobiografie Inifinity Net. Ze is dan 28 jaar en vastbesloten om het te gaan maken in de Verenigde Staten.
En ja, er ligt een glansrijke toekomst voor haar. In New York organiseert ze performances en ze maakt gigantische schilderijen, mode, sculpturen en installaties, zoals de beroemde spiegelkamers. Later heeft ze tentoonstellingen wereldwijd. Ze breekt veilingrecords én bezoekersrecords.
Maar wat ligt er achter haar, in Japan? Niet voor niets zijn in het Stedelijk ook vroege kunstwerken van Kusama te zien. Die werpen licht op haar ontluikende kunstenaarschap.
‘Het enige wat ik elke dag deed, is tekenen’, schrijft Kusama over haar jeugd in Infinity Net. Daar had ze de ruimte voor. Kusama groeit op in de Japanse provinciestad Matsumoto tussen uitgestrekte landerijen met akkers en kassen.
Haar moeder leidt het familiebedrijf in zaadveredeling. Overal groeien groenten en bloemen. Het liefst zit de jonge Kusama met schetspapier in het groen. Vol aandacht bestudeert ze al tekenend de zinnia’s, viooltjes, pioenrozen en pompoenen.
Een schok: die blijken niet stil te zitten. Zo merkt ze een keer, ze is een jaar of 10, dat de viooltjes om haar heen gezichten hebben en tegen haar praten. Het is een diep verontrustende ervaring, schrijft ze: ‘Ik ben zo doodsbang dat mijn benen beginnen te trillen.’
Op die hallucinaties reageert ze door te tekenen: ‘Telkens wanneer zoiets gebeurde, haastte ik me naar huis en tekende ik in mijn schetsboek wat ik zojuist had gezien, de ene schets na de andere.’ Het helpt: ‘Door ze vast te leggen worden de schok en de angst die ze veroorzaken minder.’
Ook in huis is ze niet veilig voor deze ervaringen. Als ze naar het bloemenpatroon van een tafelkleed kijkt, ziet ze hoe het plotseling de hele kamer bedekt. Nog enger: zijzelf wordt opgeslokt in het patroon: ‘Ik keer terug naar de oneindigheid, naar de eeuwige tijd en de absolute ruimte.’ Ze komt in een andere werkelijkheid terecht, zo voelt dat.
Kusama is 10 als ze een tekening maakt van een vaas met bloemen. Die alledaagse voorstelling is verstoord door indringende patronen van krioelende bolletjes, lijnen en geometrische bloemen. De vertrouwde wereld is een verontrustende wirwar geworden.
In zulke vroege tekeningen is de latere Kusama makkelijk te herkennen. Dit zijn nog geen polkadots, maar wel al bollen en stippen. Zelf erkent ze dat in haar autobiografie. In die vroege tekeningen naar hallucinaties ligt volgens haar zelfs ‘de oorsprong van mijn schilderijen’.
Kusama groeit op in oorlogstijd. Japan is sinds 1931 verwikkeld in een gewapend conflict met China. Tien jaar later raakt Japan ook in oorlog met de VS, Groot-Brittannië en Nederland (in Nederlands-Indië).
Als gevolg van die oorlogen wordt het Japanse regime repressiever en nationalistischer. Op Kusama’s school is in 1942 plotseling een nieuwe kunstdocent aangesteld die gespecialiseerd is in Nihonga (letterlijk vertaald ‘Japanse schilderkunst’). Dat is de enige stijl die nog onderwezen mag worden, westerse kunst is verboden.
Omdat Nihonga wordt ingezet als propagandamiddel zijn er strikte stilistische en thematische regels. Gebruik van perspectief en schaduw is uit den boze, want dat zijn Europese en dus foute uitvindingen. De witte, onbeschilderde achtergrond (yohaku), die traditioneel rust symboliseert, dient nu om de superioriteit van Japan te benadrukken.
Dit is de schilderstijl die Kusama zich (verplicht) eigen maakt: gedetailleerde voorstellingen in traditionele pigmenten op papier of zijde.
De laatste negen maanden van de oorlog moet Kusama, net als andere scholieren, werken in een fabriek waar parachutes worden genaaid voor het Japans Keizerlijk Leger. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 komt ze thuis te zitten. Ze is dan al vast besloten om kunstenaar te worden en stuurt haar werk in voor tentoonstellingen.
Met haar schilderij Harvest (1945) heeft ze succes. Het krijgt een plek in een reizende tentoonstelling, ze is dan pas 16 jaar. Het is een chaotisch schilderij, de felle kleuren (oranje, geel, rood) zijn haast als vlekken aangebracht.
We zien een hoopje mais en gierst: de gewassen die Japanners na de oorlog verbouwen omdat er te weinig rijst is. De gierstpluimen lijken op dreigende wolken, de verdorde kolfbladeren doen haast denken aan dansende figuurtjes. Al met al is het, voor een Nihonga-schilderij, een opvallend beweeglijke scène.
Als Kusama’s kunst vaker is geëxposeerd stemmen haar ouders ermee in dat ze naar een kunstacademie gaat. De voorwaarde is dat ze ook etiquettelessen volgt om een nette jongedame te worden en een goede kans te maken op de huwelijksmarkt.
Zo komt Kusama in Kyoto terecht. Ze krijgt nog meer lessen in de behoudende Nihonga-stijl. Dat valt haar tegen. De sfeer op de academie vindt ze beklemmend: ‘De docenten staan erop dat we uitsluitend met uiterst minutieuze precisie schilderen.’
Hun opvattingen noemt ze ‘ouderwets en verstard’. Zonder haar opleiding af te maken keert ze gefrustreerd terug naar haar ouderlijk huis in Matsumoto.
Daar lopen de spanningen op. Kusama’s moeder verzet zich hevig tegen de wens van haar dochter om kunstenaar te worden. Kan ze niet gewoon kunst gaan verzamelen als ze zo van schilderijen houdt, in plaats van kunst maken? Soms komt het tot fysieke confrontaties. Dan schopt Kusama’s moeder haar schilderspalet door de kamer of verscheurt ze tekeningen.
Wat een dochter uit een welgestelde familie zou moeten doen is volgens Kusama’s moeder heel simpel: trouwen met een zoon uit een welgestelde familie. Dus krijgt Kusama regelmatig foto’s van huwbare kandidaten gepresenteerd, zijn die niet geschikt? Het mag niet baten: ‘Maar natuurlijk wilde ik alleen schilder worden en ik wees ze allemaal af.’
Om niet door haar moeder gestoord te worden, sluit Kusama zich steeds vaker op in haar kamer. Daar komt ze los van de strenge regels van haar opleiding. Het vreemde en duistere ‘zelfportret’ uit 1950 doet in niets meer denken aan de brave en lichte Nihonga-stijl. Ze schildert het in olieverf en helemaal niet realistisch, eerder surrealistisch.
Haar zogenoemde zelfportret bestaat uit een roze bloem met een vlezig kolkend midden. Het lijkt wel een wond, met daaronder een zwevende mond. Van die o zo belangrijke witte achtergrond is niets meer over: ze maakt de achtergrond diep zwart met rood-bruine kringen erin. Een zelfportret van iemand die dreigt op te lossen.
Om te schilderen moet Kusama inventief zijn, want kunstenaarsbenodigdheden zijn schaars in het naoorlogse Japan. Op het familiebedrijf sprokkelt ze bruikbare materialen bij elkaar. Ze steelt zelfs verf van de huisschilders. Schildersdoek knutselt ze zelf: ‘Op een keer spande ik de twee helften van een grote juten zak die ik had gevonden op afgedankte raamkozijnen en schilderde daarop.’
Beide schilderijen op jute zijn te zien in het Stedelijk. Ze zijn benauwend, vol krioelende dikke donkere strengen. Zelfs de titels zijn dramatisch, die gaan over ‘lijken’ en een ‘gevangene’. Zijn dit verwijzingen naar oorlogsgeweld of is Kusama zelf die gevangene in haar ouderlijk huis?
Kusama is begin jaren vijftig extreem productief. Er zijn periodes dat ze tientallen aquarellen per dag maakt. Die zijn abstract, maar soms zijn er organische vormen te herkennen. Ze zien eruit als experimenten op papier. Vaak schildert Kusama herhalende patronen, zoals stippen en strepen. Die doen denken aan haar vroegste tekeningen vol krioelende vormen.
Het lukt haar die tekeningen onder de aandacht te brengen. In 1952 krijgt ze twee keer een solotentoonstelling in het gemeenschapscentrum van Matsumoto. De wanden hangen vol met honderden kunstwerken.
Ook Shiho Nishimaru komt kijken, die hoogleraar psychiatrie is aan de universiteit van Matsumoto. Hij is meteen geraakt door haar werk en introduceert haar bij belangrijke figuren in de kunstwereld. Nishimaru bekommert zich ook om haar geestelijk welzijn en raadt haar aan om haar ouderlijk huis te verlaten.
In 1953 lijkt die kans zich voor te doen. Kusama is toegelaten tot een kunstacademie in Parijs. Ze besluit echter voorlopig in Japan te blijven, omdat er een solotentoonstelling in Tokio in het verschiet ligt.
Daar valt Kusama’s eigenzinnige kunst in de smaak. Een kunstwerk prijkt zelfs op de voorkant van kunsttijdschrift Mizue. Daarin schrijft schilder Masao Tsuruoka enthousiast over de spanning in haar kunstwerken: ‘Over het geheel genomen is er geen vaste structuur, maar een structurele vrijheid van punten, lijnen en gradaties, die een harmonie schept waarin dissonantie besloten ligt.’
In een jaar tijd heeft Kusama drie solotentoonstellingen in Tokio. Ook internationaal wordt ze opgemerkt. In 1955 is Kusama’s kunst te zien in New York, op een prestigieuze internationale tentoonstelling in het Brooklyn Museum. Zelf is ze er niet bij, haar kunstwerken reizen per post naar New York.
Met de internationale kunstwereld komt Kusama met name via kunsttijdschriften en -boeken in aanraking. Een absolute ontdekking voor haar is de bekende Amerikaanse schilder Georgia O’Keeffe (1887-1986), die net als de jonge Kusama inspiratie vindt in bloemen en planten.
Kusama voelt zich verwant aan O’Keeffe en besluit haar eind 1955 een brief te sturen plus een aantal aquarellen: ‘Hoewel ik voel dat ik heel ver van u verwijderd ben en pas de eerste stap heb gezet in het moeilijke leven van een schilder, zou ik u willen vragen of u zo vriendelijk wilt zijn mij te laten zien hoe ik dit leven moet benaderen.’
Een ding weet Kusama al zeker. In Infinity Net schrijft ze: ‘Ik wist dat mijn moeder me overal in Japan zou weten te vinden, waar ik ook naartoe ging, en ik wilde niet in een soort school voor mensen met een psychische aandoening belanden. Maar belangrijker nog: ik had het gevoel dat mijn kunst haaks stond op het conservatisme en het naar binnen gekeerde karakter van Japan. Ik moest weg.’
Het liefst wil Kusama naar de VS. Ze stuurt ook aquarellen naar de Amerikaanse kunstenaar Kenneth Callahan (1905-1985), die deze laat zien aan galeriehouder Zoë Dusanne. Prompt krijgt Kusama de kans om in haar galerie in Seattle te exposeren. Vanwege die tentoonstelling bemachtigt ze, met hulp van psychiater Nishimaru, een visum. En via via weet ze genoeg geld bij elkaar te krijgen om haar reis – en feitelijk haar emigratie – naar de VS te bekostigen.
De burgemeester van Matsumoto organiseert een afscheidsfeest ter ere van Kusama’s vertrek. Zij verbrandt een groot deel van haar kunstwerken: ‘Ik wilde de schilderijen en tekeningen niet achterlaten, want dan zou mijn moeder ze weggeven.’ Met een paar duizend dollar verstopt in haar schoenen en de zoom van haar jurk stapt ze in november 1957 in het vliegtuig.
Yayoi Kusama, Stedelijk Museum, Amsterdam, 11/9 t/m 17/1/2027.
Infinity Net, The Autobiography of Yayoi Kusama, Tate Publishing, 2011.
(Oorspronkelijk gepubliceerd in het Japans in 2002, vertaald door Ralph McCarthy.)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant