Home

Probeer een kat maar eens te lezen – ‘het is alsof ze mysterieus wil blijven’

Dierpsychologie Naar het gedrag van katten is veel minder onderzoek gedaan dan naar honden. Ze zijn veel moeilijker te begrijpen. „Mijn hond verrast mij echt nooit.”

Katten zijn, zeker in de westerse wereld, heel geliefde dieren. Op sociale media zijn filmpjes en foto’s van katten amper te ontwijken en de kat is veruit het populairste huisdier van Nederland: in bijna een kwart van de Nederlandse huishoudens (23 procent) wonen er één of meer. Het zijn er in totaal 3,2 miljoen, veel meer dan de 1,8 miljoen honden in 17 procent van de Nederlandse huishoudens.

Een dier waar zoveel mensen van houden en gefascineerd door zijn: daar zal dan ook wel veel onderzoek naar gedaan zijn? Maar nee, dat valt tegen. Het is alsof mensen de kat het liefst mysterieus willen blijven vinden, zo weinig weten we eigenlijk over zijn gedrag en welzijn. En misschien ligt het ook een beetje aan het dier zelf. „De kat laat zich simpelweg moeilijker bestuderen, het is alsof ze mysterieus wíl blijven”, schrijven journalist Lotte Stegeman en gedragsbioloog Claudia Vinke in hun net verschenen boek Poespas: Wat er omgaat in een kat.

Vinke is universitair hoofddocent klinische ethologie aan de Universiteit Utrecht en behandelaar in de gespecialiseerde huisdierengedragskliniek van de faculteit Diergeneeskunde verbonden. Stegeman, oud-hoofdredacteur van kinderkrant Kidsweek en daar „altijd jaloers op de dierenredacteur”, heeft kinderboeken geschreven over onder meer emoties en intelligentie bij dieren. Vinke was bij die boeken haar vaste meelezer, dus toen Vinke het verzoek kreeg om een boek over kattengedrag te schrijven, vroeg ze Stegeman erbij.

Samen maakten ze een rondgang door de wetenschappelijke kattenliteratuur en langs ruim twintig (voornamelijk Nederlandse) kattenspecialisten, zeker niet alleen op het gebied van kattengedrag. Egyptoloog Toon Sykora vertelde bijvoorbeeld dat kattenmummies in het oude Egypte vaker geofferde dieren waren dan geliefde of aanbeden huiskatten. Kattencardioloog Viktor Szatmári ontdekte (en publiceerde vorig jaar in tijdschift Animals) dat kattengespin een spiertrilling is in het strottenhoofd, en hoe je die even kunt stoppen zodat je als cardioloog naar het hartje kunt luisteren (want ja, katten spinnen ook bij de dokter, als ze stress hebben). En taalkundige Nicoline van der Sijs kwam erachter dat pas in 1896 voor het eerst een vermiste kat bij de naam werd genoemd in een Nederlandse krantenadvertentie. Daarvóór kregen katten niet vaak een naam; ze werden (en worden) vaak ‘poes’ genoemd, of een variant daarop, zoals Poelie of Poekie.

Poespas staat dus vol weetjes en verhalen over katten. Maar naar kattengedrag is minder onderzoek gedaan dan naar gedrag van honden en andere dieren, schrijven Stegeman en Vinke. Het is moeilijker om geld te krijgen voor kattenonderzoek dan voor hondenonderzoek, vertelt Vinke in de bibliotheek van de Utrechtse faculteit Diergeneeskunde, waar ook wat knuffeldieren in de boekenkast staan. „Mensen hebben de mond vol van kattenliefde, maar ze hebben er geen geld voor over.” Ze merkt dat ook in de gedragskliniek: „Een gedragsconsult van twee uur kost bij ons ongeveer 420 euro. Hondenmensen betalen dat grif, maar voor katten moeten we de prijzen verlagen, anders komt er niemand.” Terwijl er ongetwijfeld katten genoeg zijn met gedragsproblemen: in huis plassen en poepen, vechten, meubels slopen, nachtenlang mauwen of zich dagenlang verstoppen.

Het geld dat er is voor kattenonderzoek komt niet van wetenschapsfinanciers als NWO, zegt Vinke, maar van liefhebbers, zoals dierenwelzijnsorganisaties en mensen die na hun dood geld nalaten voor huisdierenonderzoek. Vaak doet ze onderzoek met studenten: goedkoop, en dan kunnen die studenten er nog een publicatie uithalen.

Onderzoeken naar kattengedrag zijn vaak kleinschalig; dat valt ook op. Vinke toonde bijvoorbeeld samen met collega Ruth van der Leij aan dat katten die in een asiel een schuildoos kregen, veel sneller een lager stressniveau bereikten dan katten zonder schuildoos. „Eén van onze bekendste onderzoeken en je kunt het onmiddellijk toepassen om het welzijn van de dieren te verbeteren. Daar houden we van.” Ze publiceerden er in 2014 over in Applied Animal Behaviour Science. Gestreste katten verlangen zó naar een schuilplaats dat ze in asiels soms zelfs tussen de uitwerpselen in een kattenbak gaan zitten, schrijven Stegeman en Vinke in Poespas: die bak heeft tenminste nog een opstaand randje. En dat terwijl katten erg van hygiëne houden. Dus een schuildoos is heel welkom.

Dat schuildoosonderzoek was gedaan met tien katten mét en negen zonder doos (als controlegroep). En het latere replicatieonderzoek waarin Vinke het gunstige effect van de doos bevestigde (in 2019 gepubliceerd in Plos One) telde twaalf katten met en elf zonder doos. Typische aantallen voor kattengedragsstudies: die komen zelden boven de dertig katten uit. „Het is vreselijk bewerkelijk onderzoek”, vertelt Vinke. „Je moet wachten tot er dieren het asiel binnenkomen die kunnen meedoen, ze laten wennen aan de cameraopstelling, en dan de opnames nog observeren.” Hoe houdt elke kat zijn lichaam, poten, staart, kop, oren, snorharen; hoe staan zijn ogen, maakt hij geluid – dat moet allemaal volgens een gevalideerd kattenstress-scoresysteem geturfd worden, een paar weken lang.

En dan zijn stress en angst nog redelijk makkelijk te zien aan een kat (erge angst is: kop laag, oren plat naar achter, staart tegen het lichaam, bewegingloos grommen). Maar pijn, bijvoorbeeld, is bij een kat amper waarneembaar. Er wordt nu wel onderzoek naar gedaan, schrijven Stegeman en Vinke in hun boek. Een kat die pijn heeft, knijpt zijn ogen nét iets anders samen dan een genietende kat, en houdt zijn oren en snorharen ook net anders. Maar een leek kan het verschil niet zien, voor experts is het ook moeilijk, en dat is precies de ‘bedoeling’ van de kat – althans, het is evolutionair voordelig voor de kat dat je zijn pijn en zwakte niet makkelijk ziet. Op zijn best is het nutteloos om pijn te tonen, want andere katten komen toch niet helpen.

„Dat heeft ermee te maken dat het van origine een solitair roofdiertje is”, zegt Vinke. „De kat is een van de moeilijkste diersoorten voor ons om af te lezen.” En dat is dus nog een reden dat katten moeilijk te onderzoeken zijn. „In het domesticatieproces is de kat wel wat communicatiever geworden, maar nog lang niet zo als de hond, die een sociale jager is, net als wij eigenlijk. Dus die tonen veel duidelijker hun houdingen en gedragsuitingen, ook naar elkaar. Dat is zichtbaarder en dat begrijpen we beter.” „Mijn hond verrast mij echt nooit”, zegt Stegeman over haar golden doodle. „Die is het meest voorspelbare dier op aarde. Het zal bijvoorbeeld nooit gebeuren dat ik met een bal op haar toeloop en zij niet enthousiast is.” Terwijl een kat de ene keer zijn balletje langs laat rollen met hooguit een blik van ‘wat doe jij nou’, en er de andere keer helemaal wild op gaat.

Katten blijven je verrassen. „Laatst wilde een student onderzoeken”, vertelt Vinke, „of een tweedimensionaal op de grond getekend vlak een soortgelijk effect kan hebben als die schuildoos. Er is wat onderzoek dat katten graag in zo’n vlak gaan zitten; dat wilden wij eerst repliceren. Weer met kleine aantallen, iets van 18 katten, bij mensen thuis. En wat deden die katten? Ze gingen gewoon nergens in zitten. Ja, één kat ging in een doos zitten, maar geen enkele in het 2D-vlak.” Opgewekt: „Typisch des kats. Het gebeurt best vaak, dat je onderzoek ‘mislukt’ omdat de katten wat anders doen dan je verwacht. Ik moet daar verschrikkelijk om lachen. Ik vind dat de kat ons dan een spiegel voorhoudt: jij bent toch de wetenschappelijk onderzoeker, denk maar eens wat beter na.” Heel goed, vindt ze: „Je moet altijd nederig blijven over wat je niet weet.”

Stegeman en Vinke spraken met opzet niet alleen wetenschappers voor hun boek, maar ook mensen uit de praktijk, zoals dierenartsen en asielmedewerkers. „Reken maar dat er veel klinische kennis bij dierenverzorgers en dierenartsen zit, kennis die nooit op schrift is gesteld en niet in de wetenschappelijke literatuur terechtkomt”, zegt Vinke. Stegeman geeft een voorbeeld: „Veel mensen beseffen niet dat als een kat pijn heeft bij het plassen, hij de kattenbak gaat associëren met pijn. Dus volkomen logisch voor die kat dat hij de dag erna in de plantenbak gaat zitten plassen. Maar je moet dat maar net weten.” „En clinici kunnen wel case reports publiceren”, vult Vinke aan, „gevalsbeschrijvingen van N=1 of N=2, maar daar gooi je wetenschappelijk gezien geen hoge ogen mee.” Dus dat gebeurt helaas niet veel; Vinke vindt het wel degelijk nuttig.

Al met al staat kattenonderzoek dus nog erg in de kinderschoenen. Vinke: „Onderzoek naar mens-katrelaties begint de laatste paar jaar wel aan te trekken, maar helaas is er weinig onderzoek naar de kat zelf. Hoe katten zich naar elkaar gedragen is helemaal onderbelicht. Mensen lijken niet zozeer geïnteresseerd in het dier, maar in wat het dier van ons vindt, en katten moeten ons vooral heel aardig en lief vinden. Wij gebruiken katten toch eigenlijk ook voor ons eigen welbevinden.” Mensen zouden zich meer moeten afvragen, vinden Stegeman en Vinke, wat zij de kat eigenlijk te bieden hebben.

Wist je dit al over katten?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Biologie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next