Nederlandse literatuur Geerten Meijsing wijdde zijn nieuwe roman aan een literaire geestverwant, de vrijwel vergeten Engelse schrijver George Gissing. De twee hebben veel gemeen: een pessimistisch levensbeeld, een klassieke scholing en permanente geldnood.
De leeszaal van het British Museum in Londen wordt schoongemaakt, 1934.
Ergens in R.I.P. Gissing roept Geerten Meijsing het beeld op van de (openbare) studie- en leeszaal van het British Museum in Londen, ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw. Wie zaten daar allemaal te werken, weliswaar niet altijd tegelijkertijd, zonder elkaar te kennen en zonder te weten dat ze later beroemd of nog vele malen beroemder zouden worden dan ze toen waren? Nou, de kapitaalloze filosoof Karl Marx bijvoorbeeld. En Bernard Shaw, de toneelschrijver die later de Nobelprijs voor Literatuur zou ontvangen. En Oscar Wilde, de dandy-schrijver die zo scherp en getapt uit de hoek kon komen dat hij tot op de dag van vandaag citabel is. En romancier George Gissing, die zat er ook.
Geerten Meijsing: R.I.P. Gissing. De Arbeiderspers, 360 blz. €26,99
Nu zal deze Gissing (1857-1903) voor de meeste mensen de meest onbekende naam uit dit rijtje zwoegers zijn, maar voor Geerten Meijsing is hij verreweg de meest invloedrijke. Zo invloedrijk dat hij ervoor koos om een volledige roman aan hem te wijden. Het zou een van zijn laatste romans kunnen zijn, want zoals al te lezen viel in het vorig jaar verschenen brievenboek Het gewicht van woorden worstelt Meijsing (1950) met zijn gezondheid.
Waarom dan net nu een roman over een vergeten (al zullen de Engelsen dat niet beamen) schrijver? Het antwoord luidt dat R.I.P. Gissing zich steeds meer laat lezen als een zwanenzang: door het over Gissing te hebben schrijft Meijsing ook heel erg over zichzelf, je zou de roman kunnen classificeren als zoiets als een autobiografisch-biografische. Ergens heeft er een soort versmelting plaatsgevonden en werd Meijsing een schaduwloper van Gissing: hij viel voor zijn romans, voelde zich aangesproken door diens stijl en door het pessimistische levensbeeld dat er uit sprak, begon zich vervolgens in de mens achter deze literatuur te verdiepen en kon toen niet aan de indruk ontkomen dat Gissing en hij veel met elkaar gemeen hadden.
In de roman wisselt Meijsing biografische hoofdstukken over Gissing af met autobiografische hoofdstukken over zichzelf, waardoor inderdaad het beeld van twee verwanten ontstaat: klassiek geschoold en ook trouw aan die scholing, je genoodzaakt zien om het vaderland te verlaten, het noodlottige vallen voor een meisje van lichte zeden, het idee hebben/vrezen dat het allemaal net niet gelukt is wat je voor ogen had. Er bestaan ook wel verschillen en Meijsing is het ook niet altijd eens met zijn held (die bovendien ook heus slechtere romans schreef), maar in grote lijnen lijkt er inderdaad sprake te zijn van een lotgenoot, van een vergelijkbare levenslijn.
En o ja, beide schrijvers verkeerden in geldnood. Met name voor Gissing, die pas kort voor zijn dood enig succes wist te vergaren, was het „armenhuis” nooit ver weg. Hij begon als een wonderkind, maar eindigde als een total loss, alsmaar fanatieker in het willen schrijven van de ideale roman en zichzelf daarmee verder en verder los wekend van de rest van de mensheid.
De scheuring die ervoor zorgde dat Gissing überhaupt romancier wérd (want hij was er niet voor in de wieg gelegd, aldus zijn eveneens schrijvende vriend als H.G. Wells) is ook Meijsing niet vreemd; in een laat hoofdstuk doet hij uit de doeken hoe de lol van het gewone leven er wat hem betreft definitief van af was toen een jeugdvriendin het met een andere vent aanlegde. Meijsing begon met een koksmes te zwaaien, overwoog voor het eerst zelfmoord en liep kort nadien over naar het kamp van de kunst, dat volgens hem geenszins verenigbaar is met het leven zelf. Het is het één of het ander, beweert hij stuurs. Gissing zou dat met hem eens zijn geweest. „Wat moet er van mij worden als ik regelmatig aan het sociale verkeer deelneem”, verkondigde hij, waarmee hij zijn schrijfpositie verdedigde, bang voor de verwaterende uitwerking van de gangbare omgangsvormen.
Ik kan me niet voorstellen dat Meijsing vrienden maakt met dit boek. Laat staan vriendinnen. Want vaak is het een ouderwetsig en masculien getoonzet boek: de gekwelde, eenzame kunstenaar met suïcidale neigingen, het neerbuigende richting de collega’s die het niet zo nauw nemen met de klassieke wetten van de retorica, het idealiseren maar ook uit de brand willen helpen van verslaafde en overduidelijk nogal verwarde jonge prostituees.
En toch fronste ik er maar zelden de wenkbrauwen bij, al is het maar omdat ik Meijsings stelling onderschrijf dat een schrijver geen vleier is die een doosje gebak komt brengen, maar iemand die indruk maakt door onaangenaam te zijn, door pijn te doen. Willen tonen, om welke reden ook, waarvan men wegkijkt. En als dat er bij Meijsing of Gissing zo uit ziet, so be it, ze sturen je in elk geval niet met een flauwekulverhaal het bos in.