Non-fictie Wie wil weten waarom het voor Donald Trump zo vanzelfsprekend is Groenland op te eisen en waarom de Denen er zo stevig op reageren, kan terecht bij twee nieuwe boeken die de geopolitieke strijd om Groenland in een breder verband plaatsen.
Demonstratie tegen de Amerikaanse dreiging rond Groenland in Kopenhagen, januari 2026.
Jens Heinrich en Mira Maria Jo Kleist en Bo Lidegaard: Groenland. Van ongerept paradijs tot speelbal van grootmachten. Vert. Ingrid Hilwerda. De Bezige Bij, 368 blz. €24,99
Het is november 1957 als de Deense premier en minister van Buitenlandse Zaken een ‘vraag’ opgestuurd krijgen van de Amerikaanse ambassadeur. Hij wil weten of er „munitie van bijzondere aard” gestationeerd kan worden in bepaalde gebieden in Groenland. Het probleem betreft niet alleen dat de ‘bijzondere munitie’ kernwapens zijn, maar ook dat de vraag een non-vraag is: weigeren is geen optie. De Amerikanen hebben al jaren een defensieovereenkomst waardoor ze op Groenland kunnen doen wat ze nodig achten om de Denen te beschermen in de Koude Oorlog. De Deense minister besluit dat er maar één ding opzit: het verzoek geheimhouden.
Stine Jensen: We moeten het over Groenland hebben. Prometheus, 198 blz. €17,99
Zoiets komt (bijna) altijd boven water, zo ook deze zaak. Ruim tien jaar later, op 21 januari 1968, stort er een Amerikaanse bommenwerper neer met nucleaire wapens aan boord. Plutonium verspreidt zich over een groot gebied en er komen vragen: hoe het kon dat de Deense regering wist dat er vanaf 1957 al vaker kernwapens waren vervoerd, en dat er zelfs al noodlandingen waren geweest met explosief materiaal, maar dit altijd voor zich had gehouden?
Het zogeheten ‘Thule-incident’, naar de toenmalige naam van de Amerikaanse vliegtuigbasis op Groenland, was geboren. De Amerikanen benadrukten dat wat ze deden volkomen legaal was. Groenland was bovendien onderdeel van het Noord-Amerikaanse continent, dus elke discussie was wat hen betreft overbodig. De Denen kwamen nog tijdens een vergadering van de VN met een ontwapeningsvoorstel, maar daarop stelden de Amerikanen dat de Denen kennelijk Groenland wilden verkopen. De opmerking was een „grapje”, voegde de Amerikaanse president Eisenhouwer er nog wel aan toe, maar de boodschap was duidelijk: de Denen moesten zich gedeisd houden en de Groenlanders konden in onbeschermde pakken de plutonium opruimen.
Wie wil weten waarom het voor de Amerikaanse president Donald Trump zo vanzelfsprekend is Groenland op te eisen, kan zijn hart ophalen aan Groenland. Van ongerept paradijs tot speelbal van grootmachten. Hierin vertellen de historici Bo Lidegaard en Jens Heinrich samen met Mira Maria Jo Kleist, een ambtenaar van het Groenlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, over de rol van de Amerikanen die er al tijden is, en ook hoe leven op Groenland altijd een kwestie van overleven was. Het gaat dan niet alleen over extreme weersomstandigheden, maar ook om door buitenstaanders opgelegde omstandigheden, en hoe onmachtig die buitenstaanders daarbij vaak te werk gingen.
Veelzeggend genoeg kozen ze voor een motto van de Groenlandse politicus Moses Olsen die in 1976 zei: „Op de grens van het onmogelijke voor het menselijk bestaan hebben onze voorouders standgehouden, winter na winter overwonnen, in een land waar andere volken het moesten afleggen”. Hoe dat standhouden ging, beschrijft het boek vanaf het moment dat de eerste mensen vanuit Canada 4500 jaar geleden al die kant opgingen tot aan het heden. De rode draad wordt gevormd door het pragmatisme en aanpassingsvermogen, waarbij er ondanks verdeensing en veramerikaansing de eigen cultuur behouden bleef. Veel is er kapot gemaakt, best veel bleef toch ook behouden.
Groenland is breed, diepgaand en ook extreem gedetailleerd. Al die details maken het verhaal soms taai. Niet elk politiek besluit hoeft immers van alle kanten te worden belicht, een helikopterview volstaat soms ook. Zeker als het om de laatste ontwikkelingen gaat, waarbij geen opmerking vanuit de Verenigde Staten en reactie daarop door wie dan ook onbenoemd blijft. Natuurlijk is het ongekend wat Trump doet, maar niet elke post op sociale media of opmerking hoeft beschreven te worden. De man is weliswaar agressief, maar in feite ook oninteressant en voorspelbaar.
Dat bezwaar speelt ook bij het deze week verschenen boek over Groenland We moeten het over Groenland hebben van schrijver, filosoof en NRC-columnist Stine Jensen. Het eerste deel leunt sterk op het boek van Lidegaard, Heinrich en Kleist, gekoppeld aan het nieuws dat Jensen op de voet volgt. Maar De twee boeken vullen elkaar mooi aan. Dat in beide boeken enigszins verontwaardigd wordt opgemerkt dat er ‘nu opeens’ wel aandacht is voor Groenland omdat de Angelsaksische pers erover schrijft (dat geldt immers voor bijna elk onderwerp) moet je als lezer maar even voor lief nemen.
Groenland besteedt veel aandacht aan de wens om verzelfstandiging, die sterker opkomt vanaf het moment dat de Denen steeds actiever werden op het eiland. Er zijn sterke voorbeelden van Deense politici die de omstandigheden van het land verkeerd inschatten, maar ook van Groenlandse politici zelf, die vanaf 1979 een eigen regering vormden. Om een voorbeeld te noemen: hun ideeën over onderwijs in zowel Groenlands als Deens leidden tot ver in deze eeuw – en volgens sommigen nog steeds – namelijk niet tot beter opgeleide Groenlanders, maar juist tot een grotere kloof tussen hen die het Deens goed beheersen en zij die alleen in het Groenlands onderwijs kregen. Jensen heeft daarbij veel aandacht voor specifiek Groenlandse culturele uitingen, van de rockband Sumé tot aan romans en podcasts over en van Groenlanders zelf. Wie over de identiteit van Groenland wil schrijven komt vanzelf uit bij de cultuur. De auteurs van Groenland hebben in hun boek minder oog voor de culturele uitingen en dat is jammer.
Veel ellende is inmiddels openbaar gemaakt: Groenlanders die uit hun dorpen moesten vertrekken omdat de Amerikanen hun basis wilden uitbreiden en de Denen niet wilden dat de bevolking te veel zou mengen met de Amerikanen (dat stond verdeensing in de weg), mijnen die werden gesloten, jachtgebieden die onbereikbaar werden en Groenlanders die opeens in lelijke flats in Nuuk werden geplaatst.
Ook had Groenland te lijden onder het typische koloniale uitgangspunt waarbij kinderen naar Denemarken werden verplaatst opdat ze ‘beschaving’ bijgebracht konden krijgen om daarna terug te keren naar Groenland om die ‘beschaving’ over te brengen. Het gevolg was vervreemding van hun eigen familie en eigen land, met depressies en zelfs suïcides tot gevolg. Het verhaal van Jensen hierover spreekt daarbij meer tot de verbeelding dan van de drie auteurs: Jensen sprak een vrouw die dit indertijd was aangedaan waardoor het menselijk drama ervan veel beter naar voren komt dan in de afstandelijker beschreven versie in Groenland.
Ook het spiraaltjesschandaal is uitgebreid in de media aan bod gekomen, waarbij Deense artsen zonder toestemming spiraaltjes plaatsen bij Groenlandse tieners. Het schandaal wordt in beide boeken aangehaald. Jensen vult het bekende nieuws erover goed aan door een Deense journalist aan te halen die aan een van de vrouwen vroeg: „Kunt u bewijzen dat het onvrijwillig was?” Groenland plaatst dit onderwerp ook in historisch perspectief door in te gaan op de enorme bevolkingsgroei vlak na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1955 en 1965 was het bevolkingscijfer van Groenland 50 procent gestegen, van 20.000 naar 40.000, waar toen nog 10.000 Denen bij kwamen. Het idee was Groenland snel te moderniseren, in de praktijk betekende dat het inperken van de Groenlandse bevolking. De Deense premier Mette Frederiksen bood voor beide zaken pas vorige zomer officieel excuses aan.
Excuses en nieuw beleid kwamen er ook ten aanzien van de kinderen die bij moeders waren weggehaald omdat Groenlandse moeders moesten zijn zoals Deense moeders. Wie daar niet aan voldeed, zou ongeschikt zijn om een kind op te voeden. Hoewel deze kwestie in geen van beide boeken ter sprake komt, haalde dit schandaal ook uitgebreid het nieuws in Denemarken.
Wat alle recente aandacht voor Groenland doet met het Deense zelfbeeld weet Jensen goed te treffen. Een deel ervan beschreef ze al eerder in haar boek Licht op het Noorden, maar ze duidt hier ook waarom de Denen er zo lang over hebben gedaan om in te zien dat ze zo verkeerd hebben gehandeld. Het Deense nationalisme, zo legt ze uit aan de hand van de houten vlaggetjes in de vensterbank van haar oma, staat voor iets positief en nostalgisch. Geestig is de anekdote van haar oma die in een koffietent bij een evaluatieformulier bij alles ‘uitstekend’ invult, terwijl ze de koffie vies en lauw vond. „Wat doe jij nou?” vraagt Jensen haar oma. „Je bent toch helemaal niet tevreden?” Daarop antwoordt haar oma: „Nee, maar dat hoeven zij toch niet te weten?” De anekdote zou verklaren waarom de Denen zo hoog scoren bij de World Happiness Index: „Of wij gelukkig zijn? Uitstekend is het hier, hoort u mij? Uitstekend!”
Jensen beschrijft ook de zogenaamde wet van Jante, een soort gedragscode die zegt dat je niet moet denken dat je meer waard bent dan de ander, of slimmer bent. Een van de gedragsregels is ook dat je de ander niet moet uitlachen. Dat laatste verklaart de stevige taal van de Denen richting Trump, die net als zijn voorgangers graag Groenland wilde hebben. In plaats van te onderhandelen koos hij ervoor de Denen belachelijk te maken met opmerkingen over de Deense Sirius-patrouille die slechts uit wat sledehonden zou bestaan en door te zeggen dat ze geen gezondheidszorg bieden in Groenland. De tijden dat Denen het nog wijselijk vonden, net als in 1957, Amerikaanse ‘vragen’ weg te stoppen, zijn voorbij. Ze gaan het gevecht in het openbaar aan.
De wet van Jante verklaart tegelijkertijd ook waarom het zelfbeeld van de Denen zo’n klap heeft gekregen. De ‘wet’ wordt met de paplepel ingegoten en dus leer je als Deen al vroeg dat je niet moet denken dat je beter bent dan de rest. Ondanks dat gekoesterde zelfbeeld, waanden een flink deel van de Denen zich stilzwijgend toch vaak superieur. Maar onder meer het spiraaltjesschandaal, de verplaatsing van dorpen en het weghalen van kinderen hebben laten zien dat de Denen inderdaad weinig beter waren dan andere voormalige kolonisators.