Home

Het eigenwijze leven van Els Pelgrom, die vooral schreef voor het kind dat zijzelf ooit was

Biografie Sanne van Heijst schreef een geslaagde biografie van de gelauwerde kinderboekenschrijver Els Pelgrom. Uit het boek blijkt dat Pelgrom een eigengereide eenling is die een avontuurlijk leven achter de rug heeft.

Els Pelgrom in 1990.

„Ik vraag mij meteen af of mijn leven wel echt zo boeiend is voor een heel boek”, zei Els Pelgrom tegen Sanne van Heijst toen zij de gelauwerde, inmiddels tweeënnegentigjarige schrijver in 2019 vroeg of ze wilde meewerken aan een biografie. Maar Van Heijst liet zich gelukkig niet weerhouden door Pelgroms scepsis. Ze wist wel beter: door een interview van oud-kinderboekenrecensent Bregje Boonstra met de door haar als kind bewonderde kinderboekenschrijver met drie Gouden Griffels op zak (De kinderen van het Achtste Woud, 1978; Kleine Sofie en Lange Wapper, 1985; De eikelvreters 1990) had ze ontdekt hoe avontuurlijk maar ook moeilijk Pelgroms leven was geweest. Bovendien had ze eerder een geslaagde biografie over de Duits-joodse Gerda Nothmann geschreven (Philips-meisje, 2016). Zodoende liet Pelgrom haar bezwaren tegen een biografie uiteindelijk varen: verbieden kon ze het boek toch niet, dus kon ze maar beter bij leven meewerken: „Na mijn dood […] heb ik echt nergens meer de regie over”.

Sanne van Heijst: Else. Het eigenwijze leven van kinderboekenschrijfster Els Pelgrom. Atlas Contact, 408 blz. €29,99

Pelgroms reactie past bij haar zoektocht naar fysieke en mentale ruimte die haar leven karakteriseerde en die Van Heijst als leidraad koos voor haar biografie, die ze de titel Else gaf, de naam die Pelgrom oorspronkelijk bij haar geboorte in 1934 kreeg. Haar aanvankelijke aarzelingen roepen de vraag op of Pelgrom volledig openhartig is geweest. Uit de inleiding van Else blijkt al dat zorgen daarover onnodig zijn: zowel de biografe als gebiografeerde blijkt een prettig realistische, verfrissende kijk op de biografiepraktijk te hebben.

Zo stelt Van Heijst dat ze er inmiddels van overtuigd is „dat een objectief geschreven biografie niet bestaat”. Ze interviewde Pelgrom, sprak belangrijke mensen uit haar leven, las haar (dag)boeken en brieven, bestudeerde haar tijd en de geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur en reisde naar Pelgroms voormalige woonplekken in Spanje en Portugal. Maar doordat zij als auteur bepaalde wat er uit al dat verzamelde materiaal wel en niet in Else terechtkwam, blijft het „een benadering” van het leven van Pelgrom. En die begreep dat: „De persoon in kwestie mag het een biograaf nooit kwalijk nemen dat het door hem of haar geschetste beeld niet helemaal overeenkomt met de eigen herinnering”, schreef ze Van Heijst in een mail. „Het komt er maar op aan of het een mooi leesbaar boek wordt.”

Vrijheidsvlucht

Juist doordat Van Heijst dat streven naar volledigheid heeft losgelaten en door haar besef dat achter ieder portret de hand van de maker zit, is ze daarin ruimschoots geslaagd. Pelgroms levensloop blijkt meer dan boeiend: haar vroegste kinderjaren als Else Koch in Arnhem (ze is de halfzus van Herman Koch) die zich in een kille gezinssfeer voltrokken, de menselijke warmte die ze ervoer tijdens de hongerwinter op een afgelegen boerderij in Herikhuizen, haar vrijheidsvlucht vanuit Arnhem naar Amsterdam, haar huwelijk met de communistische beeldhouwer Karl Pelgrom met wie ze een gezin stichtte en later een kunstgemeenschap in Finsterwolde, haar tweede vrijheidsvlucht naar Granada waar ze een romantisch liefdesavontuur aanging en haar hobbelige weg naar het schrijverschap. Dankzij Van Heijsts soepele en beeldende schrijfstijl komt het geweldig goed tot leven.

Van Heijst toont bovendien inlevingsvermogen en durft vanuit haar scherpe observaties ook te interpreteren. Zo vernoemde ze de vier delen waaruit de biografie is opgebouwd naar personages uit Pelgroms meest dierbare boeken, De olifantsberg (1985) en Het onbegonnen feest (1987). Het eerste deel over haar jeugd noemde ze naar de springerige, theatrale ‘Eekhoorn Zonder Staart’. Het tweede deel over Pelgroms zoektocht als moeder naar „a room of one’s own” en het schrijverschap, vernoemde Van Heijst naar het varken ‘Zeugster’. Deel drie, dat over dat schrijverschap gaat en de grenzeloze literaire koers die Pelgrom voer, vond ze passen bij de beschouwende, eenzelvige ‘Marter’, en het vierde deel over Pelgroms laatste levensfase waarin ze twee keer weduwe werd en haar schrijversreputatie tanende was, kreeg de titel ‘De Reumatische Kat’.

Tegenstrijdigheden

Gaandeweg ontstaat een beeld van Pelgrom als een vat vol innerlijke tegenstrijdigheden. Van Heijst schetst haar overtuigend als iemand die hartelijk is, maar ook direct (oud-redacteur Jacques Dohmen: „ze kon als een giftige spin tekeer gaan”); avontuurlijk en reislustig maar tegelijkertijd verlangend naar geborgenheid; eigenzinnig en toch onzeker (Van Heijst wijt dit aan haar kinderangst raar gevonden te worden); romantisch maar indien nodig pragmatisch. Zo constateert Pelgrom in een van haar brieven aan haar zus Marijke dat er weliswaar weinig romantiek over is tussen haar en Karl en dat ze „het lange huwelijk tegennatuurlijk” vindt en vaak erg verliefd is, maar dat ze daaraan niet zal toegeven: „Iets beters dan Karl is er nooit. Het zal dus wel voortkomen uit mijn kinderachtige verlangen naar romantiek.”

Jammer is dat Van Heijst onvoldoende inzicht geeft in Pelgroms drijfveren om kinderboekenschrijver te willen worden. Ze spreekt over haar „aangeboren verlangen te schrijven” en een „roeping en lotsbestemming”. Maar het blijft wat vaag. Dat betekent niet dat ze voorbijgaat aan het grote belang van Pelgroms schrijverschap, dat overigens pas echt vorm kreeg toen ze ruimte in hoofd en huis creëerde en De kinderen van het achtste woud schreef, geïnspireerd op de hongerwinter op Herikhuizen. Een scheiding met Karl volgde.

Toen was Pelgrom eindelijk kinderboekenschrijver – een zeer eigengereide, dat wel. Zo vond ze het „volstrekt idioot” dat kinderliteratuurcritici het postmoderne Kleine Sofie en Lange Wapper (1984), waarin een stervend meisje meespeelt in een nachtelijk poppentheater, de nieuwe literaire standaard voor het kinderboek noemden. Net zo idioot vond ze de latere kritiek dat Kleine Sofie geen kinderboek zou zijn: „Je moet kinderen niet onderschatten.” Hun wereld is net zo echt als de onze, zoals ook de wereld van de fantasie net zo werkelijk is als de onze. Pelgrom schreef vooral voor het kind dat zijzelf ooit was, niet iedereen hoefde haar te lezen. Die houding maakte haar binnen de literaire wereld net zo’n eenling als in haar persoonlijk leven. Fijn dat dit eigenwijze leven van deze unieke kinderboekenschrijver nu zo treffend is vastgelegd.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next