Cultuurkritiek De Franse journalist Frédéric Martel maakte een uitputtende rondgang langs de vele gedaanten van vijandigheid tegenover de westerse beschaving in de wereld. Maar voor de voedingsbodem van al dat hevige ressentiment heeft hij geen enkel oog.
Oxfam-activisten hebben zich tijdens een protestactie verkleed als de G7-leiders. De actie vond plaats in juni 2026 aan de zuidelijke oever van het meer van Genève, in Évian-les-Bains, Frankrijk.
Boeken over de westerse beschaving zijn zelden het resultaat van een vrijblijvende exercitie. Soms worden ze geschreven in een optimistische stemming, zoals The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama, toen de wereld zich zou hebben neergelegd bij de superioriteit van de westerse idealen van democratie en mensenrechten. Maar meestal zijn zulke boeken zorgelijk en klagelijk. Ze hebben zogezegd een boodschap en worden gemaakt als er rotzooi in de tent is of als de grootste bende net achter de rug is, en men wil weten of er nog wat te redden valt.
Frédéric Martel: Tegen het Westen. In gesprek met onze vijanden (Occidents. Enquéte sur nos ennemis) Vert. Alexander van Kesteren, Jan Pieter van der Sterre, Reintje Ghoos en Henriëtte Gorthuis) Balans, 672 blz. € 39,95
Zo was er het hermetische epos Der Untergang des Abendlandes (1918) van de Duitse zwartkijker Oswald Spengler, waarin hij zijn tijdgenoten beschreef als ‘mensen van de ingevallen winter’ en zijn cultuur als ‘uitgerijpt’. En ook Nederlandse intellectuelen deden mee aan het rondje om het eigen gouden kalf. Johan Huizinga voerde in 1935 met zijn In de schaduw van morgen een treurdans ter loutering en Pieter Geyl ging in 1959 met zijn brochure De vitaliteit der Westerse beschaving geharnast het gevecht aan met de cultuurverradelijke fellow travellers die hun eigen wereld uitleverden aan het communistische Oosten.
In 1996 verscheen Botsende beschavingen van Samuel Huntington, een alarmistisch modelboek, dat de onverenigbaarheid van de westerse civilisatie en andere culturen verabsoluteert. Hoe deze – dikwijls ongelezen – klassieken ook verschillen, er wordt niet getwijfeld aan de eigen kwaliteit noch aan de gebreken van andere culturen, indien deze al in beeld komen. En nu is er dan weer een boek, geschreven uit verontrusting: Tegen het Westen van de Franse journalist Fréderic Martel, bekend van Sodoma, over de vrome woorden en grensoverschrijdende daden van muiltjes dragende geestelijken in het Vaticaan. De vraag is natuurlijk of deze nieuweling past in de traditie van zelfkastijdende suprematie ten bate van het zelfbehoud of dat Martel oog heeft voor mogelijke eigen tekortkomingen, voor weeffouten waar de rest van de wereld mee zit opgescheept.
Het is een curieus en af en toe vermoeiend boek omdat de auteur op z’n minst een beetje een Wichtigmacher is die niet moe wordt te vermelden hoeveel interviews hij gehouden heeft (1900 in het totaal) en met wie hij allemaal aan tafel zat, van Steve Bannon tot voormalige staatslieden. Desondanks leest zijn hier en daar wat wijdlopige boek als een trein en krijgen we een kijkje in de keukens van het veelkoppige anti-westerse sentiment.
We ontmoeten gelovigen in Lenin, Che Guevara (nog altijd een mythische held, zowel in Gaza als Zuid-Amerika) en Chávez, en evenzo in Doegin, de fluisteraar van Poetin, en de Amerikaanse reactionaire journalist Tucker Carlson. Niet zozeer in waar ze voor zijn, maar waar ze tegen zijn komen ze overeen: ze haten het Westen als schijnheilige, met twee maten metende democratie of vinden zoals Bannon dat hun eigen cultuur te woke, te pluralistisch is en het eigen volk verwaarloost. Kortom: zoals eens Turkije ‘de zieke man van Europa’ werd genoemd, zo wordt nu het Westen gezien als de ‘zieke man’ van onze tijd (een belangrijk deel van de VS vindt dat van Europa, en de rest van de wereld kijkt zo soms naar Amerika en Europa).
De schrijver schetst een onheilspellend panorama dat verontrust en te denken geeft over aannames als dat de wereld ons nog altijd ten voorbeeld stelt. Martel spreekt niet alleen met vijanden, maar ook met vrienden van het Westen in delen van de wereld waar ‘wij’ bepaald niet populair zijn. En wat meteen opvalt, is dat zij allemaal net zo verstandig en redelijk praten als dat de tegenstanders onredelijk en onnadenkend spreken in de weergave van Martel.
Het is precies hier dat dit indrukwekkende en zorgwekkende boek aan geloofwaardigheid verliest. Volgens de auteur kijkt men namelijk in de niet-westerse wereld met een verglijkbare beperkte blik naar ‘ons’, zoals dat ‘wij’ eens naar het Midden-Oosten keken: met een hoofd vol met hersenspinsels, vooroordelen en clichés. Het Westen is er geen werkelijkheid, maar een karikatuur, oordeelt de auteur. Vervolgens maakt hij – zich niet bewust van de balk in eigen ogen – een karikatuur van de mensen die genoeg hebben van de ‘westerse’ bommen op hun kop in Palestina, of van het marchanderen van Amerika in Venezuela. Hij heeft alleen oog voor hun soms obsessieve afkeer, niet voor hun oprechte verdriet.
Wat in dit boek ontbreekt, is de stem van degenen die de gevolgen dragen van de lange arm van het westerse imperialisme, dat zich vaak op eigen wijze in neokoloniale regimes van eigen bodem voortzette, van de mannen en vrouwen die rechtstreeks getroffen zijn door westerse bondgenoten zoals Israël. Dat zij, zoals Martel schrijft, met hun voeten stemmen door naar ‘ons’ te willen immigreren, kan nooit het hele verhaal zijn. Over hun woede, angsten en wantrouwen in de goede bedoelingen van westerse bemoeienissen of van hun eigen regimes had ik graag meer gelezen dan het weinige tot niets dat de auteur erover vertelt.
Martels boek is geslaagd waar hij de paranoia beschrijft onder brede lagen van opiniemakers, influencers en regimes. Maar uiteindelijk lijdt hij aan dezelfde eenzijdigheid als zijn voorgangers. Zij bleven vanachter hun schrijftafel mopperen op het gebrek aan waakzaamheid in hun eigen cultuur. Martel trok de wijde niet-westerse wereld in met een virtualrealitybril op van thuis en concludeerde dat alle anti-gevoelens tegenover de westerse wereld vals zijn. Laten we zeggen dat hij zijn bril wat vaker af had moeten doen, dat was zijn boek ten goede gekomen.