We kunnen wel klagen over het gebrek aan leesvaardigheid bij jongeren, maar dit moet ik ze nageven: ze spreken beter Engels dan ik en mijn leeftijdgenoten in onze jeugd. Dat is niet zonder belang, want Engels lijkt geleidelijk onze voertaal te worden. Althans, dat begin ik in mijn woonplaats Amsterdam steeds meer te merken.
Onlangs vond ik het volgende kaartje in mijn brievenbus: „Hello neighbour! We’ve just opened a little sandwich and coffee store right around the corner. We’d love to meet the people who live and work nearby, so your first coffee is on us. Juist bring this card and say hello. Come by whenever you like. Hope to see you soon!”
Ik ben er nog steeds niet heengegaan, daarvoor voel ik kennelijk te veel irritatie. Ik ben geen nationalist, en Ongehoord Nederland is nog steeds niet mijn favoriete omroep, maar ik moet bekennen dat ik zolang ik in Nederland leef het liefst in ‘mijn eigen taal’ wil worden aangesproken. Ook in Amsterdam was dat vroeger heel gewoon. Pas deze eeuw begon het Engels aan een onstuitbare opmars met de horeca als voorloper.
Tegenwoordig is het niet uitzonderlijk dat winkelpersoneel zich in het Engels tot je wendt. Ik vermoed dat de haringkar het laatste bastion van de Nederlandse taal in de middenstand wordt. Het zou me tegenvallen van de haringman als hij opeens vroeg: „With or without onion?”
Maar je weet het, ook in dit geval, nooit zeker. Wie had kunnen voorspellen dat ik ooit nog eens aan een verkoopster in een Nederlandse kledingwinkel in het Engels moest uitleggen dat de broek die ze me had aanbevolen te krap in het kruis voelde? Hoe zeg je dat in goed Engels? Ik kon in mijn zenuwen, toch al beproefd door allerlei vruchteloos gepas, niet zo gauw op de woorden voor ‘krap’ en ‘kruis’ komen en slikte nog juist op tijd mijn steenkolen in: „Too crap for the cross.” Ik wees maar onhandig naar beneden waarop ze zakelijk constateerde: „Too tight?”
Dat het Engels op allerlei fronten oprukt, blijkt mij, verrassend genoeg, ook op de wandelingen die ik met mijn vrouw regelmatig vanuit haar verpleeghuis maak. Wij kunnen daarbij geen hond(je) treffen of mijn vrouw komt tot stilstand om uitvoerig haar lofprijzingen met de eigenaar te delen. Dat kan pijnlijk worden als die eigenaar niet in de gaten krijgt waarom zij zo onsamenhangend praat. Beseft hij dat wel, dan wisselt hij een blik van verstandhouding met mij en vervolgt hij zijn tocht.
Sommigen blijven geduldig staan en zien glimlachend toe hoe mijn vrouw hun dier toespreekt en betast met dezelfde overgave die ze vroeger voor haar katten opbracht. Dierenliefde vergaat nooit, is mijn conclusie. Het moet de reden zijn geweest waarom ze op hoge leeftijd steeds vaker vegetarisch wilde eten. Nu komt van dat voornemen weinig meer terecht, want in verpleeghuizen eet je wat de pot schaft.
De laatste tijd komt het op onze wandelingen steeds vaker voor dat de eigenaar van de hond zich uit de voeten maakt met de verontschuldiging: „Sorry, I only speak English.” Hij kan niet weten dat het voor Nederlanders even moeilijk is om mijn vrouw te begrijpen als voor hem.