Strafrecht Vanwege alarmerende verhalen van enkele rechters en het OM week het ministerie op het laatste moment af van de strenge voorschriften van de Hoge Raad voor de omgang met vertrouwelijke communicatie tussen verdachten en hun advocaat.
Een rechtszaal in de rechtbank in Den Haag.
Het is een drukte van jewelste in de Utrechtse Heuvelrug-zaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Naast de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie, opsporingsdienst FIOD en advocatenorde doen meer dan twintig justitieambtenaren mee aan de ‘gecombineerde werkgroep strafvordering’.
Op de agenda staat dan ook een belangrijk, actueel onderwerp: het verschoningsrecht. Dat beschermt de vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt. Gebrekkige naleving van dat recht door de opsporing haalde afgelopen jaren meermaals het nieuws.
Bij het strafrechtelijk onderzoek naar vermogensbeheerder Box Consultants, bijvoorbeeld. Daar namen FIOD en OM grote hoeveelheden digitale gegevens in beslag en bekeken ze vertrouwelijke mails tussen Box en advocaten van Stibbe. Vanwege schendingen van het verschoningsrecht seponeerde het OM de zaak.
De kwestie belandde bij de Hoge Raad. Die benadrukte het belang van het verschoningsrecht en formuleerde in 2024 nieuwe regels voor de omgang met in beslag genomen bestanden die mogelijk vertrouwelijke communicatie bevatten. Als voor het filteren de inhoud moet worden bekeken, dan behoort dat onder leiding van een onafhankelijke rechter-commissaris te gebeuren – in plaats van het OM. Die nieuwe rol betekende veel extra werk voor rechter-commissarissen. Van de Hoge Raad moesten ze daarvoor dan ook „voldoende capaciteit en middelen” krijgen.
Het ministerie werkt die lijn van de Hoge Raad uit in een concept-wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dat in 2029 van kracht moet gaan. Over het voorstel is meermaals vergaderd met OM, rechtspraak, advocatuur en andere uit de strafrechtketen. Voordat het openbaar gemaakt wordt, wordt het begin februari door de gezamenlijke werkgroep in de Utrechtse Heuvelrug-zaal nog een keer besproken.
Maar achter de schermen blijken rechtspraak, OM en FIOD onderling te overleggen hoe ze met gecoördineerde druk het voorstel van tafel kunnen krijgen. Zo leren interne documenten die recentelijk openbaar werden na een beroep op de Wet open overheid.
Kort voor de bijeenkomst sturen de drie ‘ketenpartners’ het ministerie notities met vergelijkbare zorgen. De rechtbanken Amsterdam en Rotterdam stellen ieder een eigen kritisch stuk op. En vanwege „de urgentie” komt de Raad voor de rechtspraak met vijf personen, onder wie drie rechter-commissarissen, naar de gecombineerde werkgroep.
Die rechters blijken niet te spreken over de filtertaak die ’s lands hoogste rechter hen heeft toebedeeld en luiden de noodklok. Klachtprocedures over de filtering zouden „eindeloos” duren en filtertrajecten van vier of vijf jaar zouden geen uitzondering zijn. Een rechter vertelt over stukken uit 2020 die hij pas die week heeft vrijgegeven en een onderzoek naar artsen dat sinds 2022 stilligt. De situatie neemt volgens de rechters „onaanvaardbare proporties” aan en leidt tot stilstand bij de opsporing. Het OM sluit zich daarbij aan.
Een cijfermatige onderbouwing leveren ze niet. Hun relaas maakt evenwel grote indruk op regeringscommissaris Geert Knigge, voormalig hoogleraar strafrecht en advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Hij noemt de filterpraktijk „verbijsterender dan hij ooit had gedacht”.
Een dag later stuurt Knigge het ministerie een discussiestuk, waarin hij vanwege de „disbalans tussen het opsporingsbelang en verschoningsrecht” een „ingrijpende wijziging” voorstelt. Een week later levert hij ook een nieuwe wettekst aan.
De kern: bij grote hoeveelheden digitale gegevens mogen OM en opsporing voortaan eerst zelf bepalen welke bestanden mogelijk onder het verschoningsrecht vallen. Pas bij twijfel over specifieke bestanden komt de rechter-commissaris in beeld. Daarmee, erkent Knigge, wijkt hij af van wat de Hoge Raad voorschreef. Staatsrechtelijk is dat toegestaan, omdat de wetgever nieuwe wetten mag opstellen.
De Nederlandse Orde van Advocaten is stupéfait. Volgens de orde wordt een goede werking van het verschoningsrecht „de pas afgesneden”, staat in een brandbrief aan het ministerie. De Hoge Raad had de onafhankelijke rechter juist een „centrale rol” gegeven. Maar in het nieuwe voorstel komt de rechter „bijna nooit” meer in beeld, „waardoor de opsporing veelal zelf zal mogen beslissen over het verschoningsrecht”.
Een toga aan een kapstok in Den Haag.
Ook binnen het ministerie zijn er zorgen. Na het teruglezen van Knigges constatering dat het voorstel afwijkt van de Hoge Raad, vraagt een ambtenaar zich af „wat we ons allemaal op de hals halen”.
De enthousiaste reacties van de rechtspraak, OM, FIOD en politie wegen echter zwaarder. Daar komt bij dat de koerswijziging de verwezenlijking van een politiek doel dichterbij brengt: het nieuwe Wetboek van Strafvordering budgetneutraal invoeren. De rechtspraak hoeft straks geen extra geld te krijgen om de filtering uit te voeren.
Begin mei maakt het ministerie de nieuwe concept-wettekst openbaar. Tot deze vrijdag kan daarop worden gereageerd. In de toelichting wordt voorzichtig gesteld dat die „mogelijk afwijkt” van de Hoge Raad vanwege het „klemmend beroep” van ‘ketenpartners’ vanwege de langdurig stilliggende onderzoeken. Dat de advocatuur zich tijdens het voortraject fel tegen de koerswijziging verzette, blijft onvermeld.
Stibbe-advocaat Jakoline Winkels, die de Woo-verzoeken indiende, herkent het beeld van een vastgelopen filterpraktijk niet. „Ik merk in de praktijk dat het over het algemeen juist soepel verloopt. In de documenten kom ik ook geen cijfermatige onderbouwing van het probleem tegen. Dat lijkt mij geen goede basis om een systeem om te gooien dat onlangs door de Hoge Raad is voorgeschreven.”
Op vragen van NRC erkent de Raad voor de Rechtspraak dat de waarschuwing van de rechter-commissarissen „niet met cijfers kan worden gestaafd”. Een woordvoerder benadrukt dat ze hun „jarenlange ervaring” over het „vastlopende verschoningsrecht” hebben gedeeld.
En hoewel rechters begin dit jaar schreven dat het bij grote fraudezaken „eerder regel dan uitzondering” is dat het jaren duurt voor in beslag genomen digitale gegevens worden vrijgegeven, stelt de Raad nu dat „niet is gezegd dat het gaat om een groot aantal zaken”. Het probleem doet zich voor bij zaken met „grote maatschappelijke impact”, zoals dividenstrippen en corruptie in de asielketen. Ook benadrukt de Raad dat de rechters ‘slechts’ onderzoek wilden naar alternatieven voor de werkwijze en dat ze niet bepleit hebben dat het OM de filtering overneemt.
Advocaat Winkels vindt het opvallend dat niet is geprobeerd de rechter-commissaris beter toe te rusten. „In plaats daarvan is alle tijd en energie gestoken in een lobby om de taak ergens anders te beleggen.”
Dat de filtering straks weer grotendeels bij de opsporing terechtkomt, acht ze riskant. „Dan verwacht je van opsporingsambtenaren dat ze van de meest interessante informatie – het strikt vertrouwelijke contact tussen cliënt en advocaat – geen kennis nemen. De praktijk heeft uitgewezen dat je dat niet kan verwachten.”
Vanuit de advocatuur verschenen afgelopen dagen bijzonder kritische reacties op de speciale consultatiewebsite voor de wet. Zo verzoekt de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten het kabinet „met klem” terug te keren naar het oorspronkelijke wetsvoorstel. De geschiedenis heeft namelijk uitgewezen dat „verschoningsgerechtigd materiaal bij OM en opsporing niet in veilige handen is”.
In een reactie aan NRC stelt het ministerie dat het alle reacties zal „bestuderen en waar nodig verwerken” in een aangepaste conceptwet. Dit is „nadrukkelijk niet alleen een formaliteit”.