Van alle eigenschappen die ik in mijn vriend Paul bewonder, is zijn vermogen tot verwondering misschien wel de mooiste. Twee vormen van kanker en hartproblemen hebben hem genoeg redenen gegeven om zijn wereld kleiner te maken. Hij deed het tegenovergestelde: reizen, ondernemen, schrijven en met bijna jongensachtige nieuwsgierigheid blijven kijken naar de mensen en plekken die hij tegenkomt. Zijn observaties zijn meestal nuchter, af en toe genadeloos, maar altijd voorzien van die droge Limburgse humor.
Ik ken Paul nog uit een ander leven. Hij was mijn docent arbeidsrecht aan de Hogeschool Utrecht en ik een politieke dissident uit Iran. Dat mijn docent jaren later een van mijn dierbaarste vrienden zou worden, lag toen net buiten mijn voorstellingsvermogen. Pas na mijn afstuderen kreeg onze vriendschap echt vorm.
In 40 jaor ‘ne landverraojer (2017) schreef Paul met spot en verknochtheid over Limburg, maar vooral over zijn Maastricht, de stad waar hij lang niet woonde, maar waar hij uiteindelijk weer naar terugkeerde. Ik bezoek hem daar nog geregeld. Met Paul door Maastricht lopen is een wonderlijke beleving. Hij ziet dingen waarvoor ik blind ben, legt verbanden die ik zelf niet zou leggen en rekt mijn denken nét een stukje verder op.
Een paar weken geleden was Paul bij ons op bezoek in Rotterdam. Vanuit de metro stuurde hij me een bericht. Voor iemand met zijn nieuwsgierigheid is de metro een rijdende doorsnede van de stad. Station Hesseplaats bleef hem intrigeren, schreef hij. „Vele Berlijnse muren van hoge flats”, waaraan men nog wat cachet probeerde te geven door op de zijgevels namen van beroemde schrijvers en denkers te plaatsen, zoals Camus en Tagore. Aan de reizigers die er de metro instapten, schreef hij, „hangt de geur van armoede”. Daarna kwam de Pauliaanse vraag: „Zouden ze op Hesseplaats langs elkaar heen leven of zich juist met elkaar verbonden voelen? Dat laatste zou zomaar kunnen.”
Ik weet het niet. Wellicht heeft Paul gelijk. Achter de gevels van die „Berlijnse muren” bij station Hesseplaats kan een dorpsmentaliteit bestaan: mensen kennen elkaar, letten op elkaars kinderen en weten wie er ziek is of hulp nodig heeft. Maar ook als dat dorpsgevoel er is, zegt het weinig over de verbondenheid met de rest van Rotterdam. Ik zie overal scheidslijnen lopen door de stad. Tussen arm en rijk, hoog- en laagopgeleid, religieus en seculier, mensen met en zonder migratieachtergrond. Het land waar je wieg stond, de richting waarin je bidt en de studentenvereniging waar je ooit werd ontgroend, bepalen met wie je zomaar een praatje maakt en aan wie je voorbijloopt.
Toch neigen we in de havenstad bij het begrip ‘parallelle samenleving’ al snel te denken aan een Marokkaanse of Turkse familie die boodschappen doet bij de halal-slager en op vrijdag naar de moskee gaat. Maar een welgestelde witte Rotterdammer die zijn kinderen naar een ‘witte school’ brengt, op zaterdag langs het hockeyveld staat en voor een etentje naar de Meent fietst, kan net zo goed jarenlang door deze stad bewegen zonder dat een Marokkaanse, Turkse of Syrische Rotterdammer ooit werkelijk tot zijn persoonlijke leven behoort.
Maurice Crul en Frans Lelie, wetenschappers aan de Vrije Universiteit, kozen dat perspectief in hun onderzoek. Zij keken naar de ‘integratie’ van mensen zonder migratieachtergrond in superdiverse buurten waar zij numeriek een minderheid vormen. Veel van de onderzochte bewoners bleken weinig vriendschappen te hebben met mensen wier wortels wél buiten Nederland liggen. Zelfs mensen die diversiteit hoog in het vaandel hebben staan, hebben niet vanzelf een kleurrijke vriendenkring. Dat levert ook voor Rotterdam een ongemakkelijke vraag op. Waarom spreken we bij de een van een integratieprobleem als diegene geen divers sociaal leven heeft, en vinden we dat bij de ander vanzelfsprekend?
Paul en ik hadden ook ieder in onze eigen wereld kunnen blijven. Ik zou niet weten wat ik daarmee had gewonnen. Zijn mooie Maastricht zou voor mij een andere stad zijn gebleven. Ik zou er dezelfde straten bewandelen en dezelfde gevels bekijken, zonder te weten wat ze voor hem betekenen. Hij is er thuis en laat mij delen in die vertrouwdheid. Ik vraag me af hoeveel mensen in Rotterdam een stad kennen waar ik wel woon, maar waar ik zonder hen nooit zal komen.