Biologie Het Nederlandse landschap heeft ruimte voor véél meer inheemse bloemen. Maar hoe kom je aan planten die precies geschikt zijn? „Hier word je toch gewoon vrolijk van?”
Een van de kassen van Cruydt-Hoeck in Nijeberkoop.
Een hele akker vol valeriaan. Een uitgestrekt bed van bloeiende tijm. Lange rijen ooievaarsbek. En velden vol margrieten, rolklaver, knoopkruid, wikke, walstro en nog veel meer. Het is één grote sensorische ervaring, nog los van de kleurenpracht: hier zoemt het van de bijen, hommels en zweefvliegen; de warme lucht ruikt kruidig en zoet.
Op deze dertig hectare bij Nijeberkoop, in Zuidoost-Friesland, kweekt het bedrijf Cruydt-Hoeck wilde planten die van oorsprong in Nederland voorkomen, vooral voor de productie van bloemenzaden. Het bedrijf is de grootste producent van inheemse bloemenzaden in Nederland. Het levert niet alleen aan particulieren, maar vooral aan gemeenten, provincies, terreinbeheerders, aannemers en ecologische hoveniers. En vandaag, op een warme junidag, organiseert het een ‘kennisdag’ voor ruim 120 van deze partners. Morgen komt er nog eens zo’n aantal bijeen.
Waarom eigenlijk? „Ons doel is het herstel van biodiversiteit mogelijk maken”, vertelt Jasper Helmantel, mede-eigenaar van het kweekbedrijf. „We willen ervoor zorgen dat er meer inheemse planten en zaden beschikbaar zijn, van de juiste regionale herkomst, zodat praktijkmensen daarmee aan de slag kunnen. Maar we willen vooral ook kennis en ervaringen uitwisselen, en mensen bij elkaar brengen, zodat we samen de biodiversiteit echt een boost kunnen geven.”
Zaden worden met de hand geplukt.
Handmatig worden de planten uit de kas uitgezocht en bijgeknipt.
De Nederlandse biodiversiteit staat al vele decennia onder druk. Veel karakteristieke wilde plantensoorten zijn zeldzaam geworden en ruim een derde van de Nederlandse flora staat op de Rode Lijst. Ook de vogels van het boerenland hebben het moeilijk: sinds 1960 zijn hun populaties gemiddeld met ruim 70 procent afgenomen. De insecten spannen de kroon: de biomassa van vliegende insecten in natuurgebieden is sinds de jaren negentig met maar liefst driekwart afgenomen, schreven Nijmeegse ecologen in 2017 in Nature. De belangrijkste oorzaken zijn de intensivering van de landbouw, vermesting (ook door stikstof uit de lucht), verdroging, het verdwijnen van bloemrijke leefgebieden, versnippering van natuur en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
„Om die neerwaartse spiraal te doorbreken, moeten we de basis van het ecosysteem herstellen”, zegt Roelof Jan Koops, adviseur bij Cruydt-Hoeck. „Die basis wordt gevormd door wilde planten. En dan niet zomaar planten, maar specifiek de inheemse. Die hebben zich in de loop van vele duizenden jaren samen ontwikkeld met de insecten die hier leven.” Veel bestuivers en andere insecten zijn afhankelijk van bepaalde inheemse plantensoorten voor hun voedsel of om zich voort te planten; exotische planten of kweekvarianten (‘cultivars’) kunnen die rol vaak minder goed vervullen – of zelfs helemaal niet. Hoe meer inheemse planten, hoe meer insecten, en daarmee ook hoe meer voedsel voor vogels, zoogdieren en andere dieren. Koops: „Dat is waar wij ons voor inzetten.”
En dat doet Cruydt-Hoeck niet alleen, benadrukt zowel Helmantel als Koops. Helmantel: „Er bestaat in Nederland inmiddels een heel netwerk van partijen die zich inzetten voor meer wilde bloemen in het landschap. Kennisinstellingen, natuurorganisaties, kwekerijen, overheden, natuurbeheerders, landschapsarchitecten, hoveniers… Wij willen dus nadrukkelijk niet alleen zelf planten en zaden kweken, maar ook werken aan een platform, een beweging, om het hele proces van natuurherstel te versnellen.”
Cruydt-Hoeck werd in 1978 opgericht door Rob Leopold en Dick van den Burg. Zij begonnen het bedrijf vanuit idealisme: ze wilden inheemse wilde planten terugbrengen in het landschap. In 2007 namen Helmantel en zijn vrouw Jojanneke Bijkerk het bedrijf – én die ambitie – over. Inmiddels heeft Cruydt-Hoeck 55 medewerkers en werkt het samen met teeltpartners in heel Nederland die samen nog eens ruim vijfendertig hectare land beheren. Het bedrijf is betrokken bij initiatieven als Flora van Nederland, de Nationale Bijenstrategie, Stichting Het Levend Archief en Beespoke. Dat laatste was een groot Europees project waarin onderzoekers, overheden en bedrijven samenwerkten aan betere leefomstandigheden voor insecten.
„Er gebeurt al ontzettend veel”, zegt Louise Vet, emeritus hoogleraar evolutionaire ecologie in Wageningen en voorzitter van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. „Maar ik vind dat er nog wel wat mag gebeuren in de communicatie. En dat mogen kranten zich ook aantrekken.” Ze kijkt me streng aan. „Jullie schrijven altijd alleen maar abstract over de achteruitgang van de natuur. Over ‘stikstof’, als iets heel afstandelijks. Over ‘bloemen voor bijen’. Schrijf nou gewoon eens op dat het óók gaat om onze eigen gezondheid.”
Bij dezen: de gezondheid van mensen is nauw verweven met biodiversiteit, én daarmee met natuurkwaliteit. Dat vervuiling in lucht en water slecht voor ons is, begrijpen veel mensen vanzelf. De link met planten en insecten is minder evident. De sprekers tijdens de Kennisdag noemen de argumenten feilloos op: inheemse wilde planten zijn cruciaal voor veel belangrijke insecten, waaronder natuurlijke plaagbestrijders én de bestuivers die zorg dragen voor onze voedselproductie. Zo’n driekwart van onze voedselgewassen – waaronder de meeste groenten, fruit, noten, koffie en chocola – zou er niet zijn zonder insecten, volgens de FAO. In China zijn al hele boomgaarden waar mensen de appels noodgedwongen met kwastjes bestuiven.
Wilde planten leven ook nauw samen met allerlei bodemorganismen; samen helpen ze de bodem vruchtbaar, luchtig en gezond te houden. Hetzelfde geldt voor watersystemen. Daarnaast zorgen soortenrijke, groene omgevingen voor schonere lucht, verkoeling tijdens hitte en meer mogelijkheden voor ontspanning en beweging, wat gunstig is voor zowel de lichamelijke als de mentale gezondheid van mensen.
De kweekvelden en proefvelden vanuit de lucht gezien.
De boodschap van de Kennisdag in Friesland is verrassend optimistisch: er zijn volop kansen voor biodiversiteitsherstel. We hebben in Nederland immers vele tienduizenden kilometers aan bermen, dijken, taluds, groenstroken en akkerranden. „Stel je voor dat beheerders die allemaal zouden omvormen tot bloemrijke leefgebieden”, zegt de Britse bioloog Dave Goulson tijdens de Kennisdag. „Dan ontstaat een internationaal netwerk voor insecten. En daar zitten alleen maar voordelen aan.”
Dat zegt ook Jos van den Akker, in 2024 uitgeroepen tot Duurzaamste Hovenier van Nederland. In Noord-Nederland mocht hij op vijftig plekken gazons omvormen tot bloemrijke vegetaties met streekeigen planten. „En waarom zouden we niet hetzelfde doen met schoolpleinen? In plaats van opnieuw tegels te leggen of speeltoestellen te vervangen, kun je met zand, hout, stenen en inheemse planten een plek creëren waar kinderen spelenderwijs de natuur ontdekken.”
De winst is volgens Van den Akker veel groter dan alleen meer bloemen. „De hittestress is weg. En het is móóier”, zegt hij, terwijl hij foto’s laat zien. „Hier word je toch gewoon vrolijk van? En kinderen gaan kijken: wat vliegt daar allemaal, en wat kruipt daar allemaal? Met heel eenvoudige dingen kun je veel moois bereiken en biodiversiteit ondersteunen.”
Op verschillende plekken is dat ecologische netwerk al aan het ontstaan. Roelof Jan Koops van Cruydt-Hoeck noemt als voorbeeld een project rond de bedreigde knautiabij, een solitaire bij die niet verder vliegt dan ongeveer 130 meter, en die afhankelijk is van de planten beemdkroon en duifkruid. „Dat maakt de soort extra kwetsbaar: verdwijnen de bloemen, dan kan die bij nergens heen”, vertelt hij. „In Gelderland hebben we daarom lokaal geoogst zaad van deze soorten vermeerderd en op strategische plekken weer ingezaaid. Daardoor konden geïsoleerde populaties weer met elkaar in contact komen. Biodiversiteitsherstel op heel lokale schaal.” Het heeft geleid tot een explosie aan waarnemingen van de knautiabij, zegt Koops. „Maar dat komt ook doordat het project zoveel aandacht kreeg, dus meer mensen gingen erop letten. Het werkelijke effect van zo’n project op de biodiversiteit is lastig te kwantificeren. Goede monitoring is een uitdaging.”
Koops vertelt ook over de mogelijkheden bij grote infrastructurele projecten. Bij versterking van een dijk wordt vaak een hele toplaag aan grond verwijderd, inclusief de vegetatie. „Kun je nagaan welk effect het op een gebied heeft, als al die flora in één keer verdwijnt”, zegt hij. „En dat is helemaal niet nodig.” Voor de dijkversterking ten zuiden van Zwolle, die net van start is gegaan, stellen Koops en collega’s bijvoorbeeld eerst de karakteristieke dijkflora veilig door de zaden te oogsten en die op te kweken op teeltvelden van Cruydt-Hoeck. De toplaag van de grond wordt niet weggegooid, maar opzijgelegd. Na de werkzaamheden wordt die grond opnieuw aangebracht, en wordt de dijk ingezaaid met de gekweekte zaden. „En het leuke is: bloemendijken zijn minstens net zo sterk als traditionele dijken. Dat blijkt uit onderzoek van onder meer de Radboud Universiteit in Nijmegen, in het onderzoeksproject Future Dikes.”
Koops benadrukt nog eens een belangrijk aspect: de dijk wordt ingezaaid met zaad met genetische eigenschappen die passen bij die plek. Een korenbloem uit Limburg is genetisch anders dan eentje uit Friesland – want in de loop van duizenden jaren is de plant aangepast aan die lokale omstandigheden. Een Friese korenbloem in Limburg zal het dan ook minder goed doen, vertelt Nils van Rooijen, plantenonderzoeker aan Wageningen UR. „Planten uit lokale zaadbronnen hebben tot 10 procent meer bloemen dan planten die van elders komen”, vertelt hij. „Ze kiemen, groeien en bloeien precies op het juiste moment voor dat gebied en voor die insecten. En ze trekken meer insecten aan.”
In die vergelijking heeft hij het niet eens over exotische bloemen, of gekweekte siervarianten van Nederlandse soorten, zoals je die vaak aantreft in ingezaaide bermen. Hij heeft het over wilde, inheemse soorten, maar dan van de verkeerde plek. Voor exotische bloemen of cultivars zijn de cijfers nog veel sterker, aldus Duits onderzoek uit 2024: inheemse insecten die stuifmeel en nectar eten, bezoeken wilde vaste planten aanzienlijk vaker (67 procent van alle bezoeken) dan verwante sierplanten (24 procent) en niet-verwante exotische planten (9 procent).
Gemengde bloemenzaden.
Maar juist dat lokale aspect maakt het werk voor de zadenkwekers in deze projecten heel complex en arbeidsintensief, benadrukt Koops. „Het begint er altijd mee dat we zaden oogsten in de natuur. In bermen of op dijken, en soms ook in beschermde natuurgebieden. Daar maken we dan goede afspraken over met de beheerders.”
Dat oogsten gaat met de hand, precies op het juiste moment. „We gaan op pad met een rugzak vol materialen: knippertje, handschoenen, zakjes, labels”, vertelt Jojanneke Bijkerk van Cruydt-Hoeck. „Volgens protocol van Het Levend Archief plukken we zaden van een gezonde wilde populatie van ten minste vijftig planten, om een brede genetische basis te krijgen – in totaal vaak maar een handvol zaden. Dat kan een half uur tot soms wel een paar uur duren. Voor sommige soorten moet je meerdere keren terugkomen omdat de afrijping onregelmatig is.”
En dan komt het proces van het opkweken van de zaden. Maar uit de natuur of uit bermen oogst je nooit genoeg zaad om kilometers aan dijken of wegbermen mee in te zaaien. „We gaan die zaden eerst vermeerderen”, vertelt Thijs Gerritsen van Cruydt-Hoeck tijdens een rondleiding over de velden in Nijeberkoop. „Bijvoorbeeld hier, bij ons op de kwekerij, of bij partnerkwekers in heel Nederland.” Dat kweken gaat op verschillende manieren, afhankelijk van de plantensoort én hoeveel ervan binnenkomt. „Van sommige planten oogst je maar heel weinig zaad. Die kweken we hier op in traytjes.” Dat zijn plastic zaaibakken die met veel aandacht worden verzorgd, soms in de open lucht en soms in een tunnelkas van folie. „De zaailingen planten we vervolgens uit in de grond. Dan oogsten we daar weer zaad van, dat we dan nog groter kunnen uitzaaien.”
Hoe dan ook halen de kwekers na vijf generaties (vijf rondes van zaad-plant-zaad) weer nieuw, wild zaad uit de natuur. Dat doen ze om de genetische kwaliteit zo ‘wild’ mogelijk te houden. „Want door het kweken hier op de kwekerij pas je toch een soort van selectie toe”, legt Gerritsen uit. „De omstandigheden zijn nooit precies zoals in de natuur. De grondsoort is bijvoorbeeld net iets anders. Maar de gemeenschap waar de plant in groeit, ook.” Hij wijst op de akker vol valeriaan: daar staan tienduizenden valeriaanplanten dicht op elkaar, zonder andere soorten ertussen. Heel anders dan in de natuur. „Makkelijk voor ons, met het oogsten, maar je selecteert toch op planten die daar goed tegen kunnen. Niet helemáál natuurlijk, dus.”
Voor elke plantensoort is de zadenoogst anders, vervolgt Gerritsen. „Sommige zaden plukken we met de hand. Zoals de gele morgenster: daarvan moeten we elke dag de zaden oogsten die dan rijp zijn, want anders waaien ze weg. Maar het meeste doen we machinaal. Zoals deze hier, de grote ratelaar.” Cruydt-Hoeck heeft daarvoor verschillende landbouwmachines: eentje met enorme zuiger, die de pluiszaden van composieten (‘paardenbloem-achtigen’) eraf zuigt. Eentje die werkt als een tarwecombine. En eentje die de hele toplaag van de planten eraf scheert, met zaden en al. „Zo oogst je bijvoorbeeld de zaden van tijm. Dat is met de hand niet te doen.”
Dan volgt een proces van dorsen, drogen, zeven, opschonen, selecteren. Bij sommige soorten gaat dat met de hand, maar voor het merendeel gebruikt het bedrijf machines. Een hele collectie, van heel ouderwetse zeefmachines tot hypermoderne optische sorteerders, volautomatisch en vele tienduizenden euro’s waard, zegt Gerritsen met een grijns.
Maar het meest waardevolle deel van de kwekerij is de gekoelde opslagruimte, de ‘kluis’, zoals Gerritsen die noemt. Hier staan lange rijen vol hoge stellingkasten, plank na plank gevuld met enorme zakken met plantenzaden. Sommige bevatten één soort: wilde akelei, geel walstro, scherpe boterbloem, hondsviooltje. Andere bevatten mengsels: ‘akkervogelmengsel’, ‘dijken-basiskruiden’, ‘speelnatuur’, ‘vlindertuin’, ‘bijenmengsel’, en: honderden ‘gemeentemengsels’, speciaal lokaal samengesteld.
Het wegen en samenstellen van bestellingen gebeurt allemaal met de hand. „Het is heel arbeidsintensief”, zegt ook Gerritsen, „maar vooral ook heel erg leuk. Het is echt werk waar je blij van wordt. Er werken hier alleen maar mensen die de natuur een warm hart toedragen.”
Dat optimisme proeft ook Hans de Kroon, hoogleraar plantenecologie in Nijmegen. Hij was destijds, in 2017, hoofdauteur van de beruchte studie die de driekwart achteruitgang van de vliegende insecten rapporteerde. „Van die getallen kun je heel treurig worden”, zegt hij, „maar we kunnen ook de schouders eronder zetten. Dat is het leuke: we zijn nu op het punt beland dat we er iets aan kunnen dóén.”
Vijfdelig kaasjeskruid (Malva alcea) met een een rode weekschildkever (Rhagonycha fulva).
„Bijen zijn eigenlijk wespen die vegetariër zijn geworden.” Daarmee begint de Britse bioloog Dave Goulson zijn lichtvoetige presentatie tijdens de Kennisdag bij Cruydt-Hoeck. Goulson is hoogleraar aan de University of Sussex en schreef een dozijn bestsellers, waaronder A Sting in the Tale, A Buzz in the Meadow en Silent Earth – alle tegelijkertijd een lofzang op insecten en een aanklacht tegen de achteruitgang van de natuur. Al sinds zijn jeugd is Goulson gefascineerd door insecten, vertelt hij zijn publiek. „Ik verzamelde rupsen, probeerde ze in leven te houden en slaagde daar nooit in. Uiteindelijk overleefden er toch een paar. Vanaf dat moment was ik verkocht.”
Goulson vertelt over hommels die hun vliegspieren opwarmen en daardoor zelfs kunnen vliegen in de vrieskou, over koekoekshommels die nesten van andere hommels inpikken, en over de enorme diversiteit aan bijen (waar de hommels ook onder vallen): wereldwijd zijn er meer dan 21.000 soorten bijen, waarvan zo’n 2.000 in Europa. „Sommige zijn zó goed vermomd dat zelfs op de omslag van een bijengids per ongeluk een zweefvlieg is beland.”
Maar achter zijn humor schuilt een serieuze boodschap. De dramatische afname van insecten is volgens Goulson het gevolg van een „perfecte storm” van habitatverlies, pesticiden, kunstmest, klimaatverandering, lichtvervuiling en invasieve soorten – allemaal door de mens veroorzaakt. „Maar het goede nieuws is dus dat wij er iets aan kunnen doen.”
Hij besluit met drie tips. Eén: stop met gif – ook met vlooienmiddelen voor je hond of kat. „Eén antivlooiendosis per maand is genoeg om 60 miljoen bijen te doden.” Twee: plant inheemse, onbespoten planten in je tuin, en koop die het liefst biologisch. „Drie van de vier ‘bijenvriendelijke’ planten in tuincentra bevatten ten minste één pesticide, en sommige wel tien.” En ten slotte: maai je grasveld minder vaak. „Maak er geen Wimbledon van. Laat de wilde bloemen lekker hun gang gaan. Schenk jezelf een martini in, pak er een tuinstoel bij en geniet van het insectenleven. Veel leuker dan al dat maaien.”
Wil je zelf aan de slag? De nazomer en het najaar zijn de beste perioden om inheemse wilde bloemen in te zaaien. Geen nood als je geen tuin hebt! Met potten kun je ook al veel. En informeer eens of je gemeente projecten heeft lopen waarbij je gratis planten of zaden kunt krijgen voor openbare perkjes, geveltuinen of ‘boomspiegels’. Sommige mensen doen het wat ondeugender: de zogeheten ‘guerrilla gardeners‘, die vergeten stukjes openbare ruimte inzaaien met bloemen – letterlijk buiten de gebaande paden.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin