De helft van alle depressies begint in de puberteit. Hoe gaan ouders en kinderen met elkaar om tijdens zo’n periode? „Ouders hoeven niet perfect te zijn, goed is goed genoeg.”
„Ik wilde als kleuter al moeder worden”, vertelt Wilma Wentholt opgewekt aan het begin van het gesprek. „Kinderen zijn puur, onbezonnen, speels, ze zijn alles aan het ontdekken, de hele wereld ligt voor ze open.” Op dit moment is ze in verwachting. Haar kindertijd – in een energiek gezin met vijf kinderen – liep niet helemaal op rolletjes, vanaf groep 3 werd ze gepest op school. „Ik kon niet zo goed voor mezelf opkomen”, vertelt ze. Dat veranderde toen ze, inmiddels puber, naar de middelbare school in Zevenaar ging („twintig minuten fietsen door de geur van mest”). „Wat voor type puber ik was? Zeker geen kakker, ook geen alternativo, daar was ik te onzeker voor. Ik was meer een outsider.”
Wentholt promoveerde in mei aan de Universiteit Leiden op een onderzoek naar de invloed van ouderlijk gedrag op pubers met een depressie. Hoort in de put zitten niet onlosmakelijk bij een puberleven? „Ja”, antwoordt Wentholt. „Het is een periode van grote veranderingen, hormonaal, maar ook het loskomen van het gezin. Je vrienden worden belangrijker, de zoektocht naar je eigen ik begint. Daar hoort je rot voelen zeker bij. Mijn onderzoek gaat over pubers waar die somberheid niet overgaat maar beklijft, die geen plezier meer hebben in dingen die ze voorheen wel leuk vonden. En die daardoor worden belemmerd in hun functioneren. Ze gaan soms niet meer naar school, ze slapen slecht, voelen zich niks waard, zien geen toekomst voor zichzelf, sommigen hebben suïcidale gedachtes.”
De helft van alle depressies begint tijdens de adolescentie, zegt Wentholt. 70 tot 80 procent van de jongeren met een depressie krijgt in het latere leven nog een keer met een depressieve periode te maken. „Mensen denken vaak bij depressie aan iemand die stilletjes voor zich uit zit te staren, het melancholische profiel. Maar het kan zich bij pubers ook uiten in geïrriteerd, boos en angstig gedrag.”
Aanleiding voor Wentholts promotieonderzoek is dat bestaande kennis over gezinsdynamiek en depressie bij jongeren vooral is gebaseerd op studies die gaan over ‘algemeen ervaren’ ouderschap. Ofwel: hoe depressieve jongeren hun ouders beleefden. „In ons onderzoek keken we niet alleen naar hoe de kinderen het gedrag van hun ouders rapporteerden, maar ook naar de daadwerkelijke interactie van ouders en hun kind.”
Wentholt selecteerde 35 gezinnen met een depressief kind tussen de 12 en 18 jaar, met als controlegroep 80 gezinnen met kinderen zonder psychopathologie, hierna ‘gezond’ genoemd. De gezinnen met een depressief kind rekruteerde zij via ggz-instellingen uit de buurt. „De gezinnen met gezonde kinderen reageerden op onze advertentie in Kampioen, het huisblad van de ANWB. We kregen zelfs meer aanmeldingen dan we nodig hadden”, aldus Wentholt.
„Op de labdag lieten we, na uitgebreide voorinterviews, de kinderen drie gesprekken voeren, met vader en moeder afzonderlijk. Een ging over een conflictonderwerp. Ouder en kind kregen 10 minuten om een oplossing te vinden. Schermgebruik was het belangrijkste issue. We volgden de gesprekken met camera’s, zodat we ook het fysieke gedrag goed konden monitoren. De emoties konden hoog oplopen. Dat verbeterde vaak bij de opdracht om samen een uitje te plannen. Het derde gesprek ging over negatieve ervaringen buiten het gezin om, waar de kinderen zich rot over voelden, zoals ruzie met vrienden.”
„Aan ons onderzoek deden veel vaders mee”, vertelt Wentholt. „Daar zijn we blij mee, vaak zie je bij andere onderzoeken dat alleen de moeders meedoen. Moeders werden door zowel de gezonde als de depressieve jongeren ietsje kritischer ervaren dan hun vader: minder luisterend en iets meer dominant en kritisch. Ik ben benieuwd waarom dat zo is. Voorlopig hang ik de hypothese aan dat moeders wellicht iets vaker verzorgende taken hebben, en dus ook een grotere kans op conflicten.”
Wentholt zag – in tegenstelling tot de door haar bestudeerde litteratuurstudies – dat de ouders van depressieve kinderen zich niet anders gedroegen dan de ouders van gezonde kinderen. Wel dat de depressieve kinderen hun ouders als minder steunend en kritischer ervoeren dan de gezonde kinderen. De stemming verslechterde als de ouders controlerend gedrag vertoonden. Depressieve kinderen hebben minder veerkracht, bij hen komt een preek of een standje harder aan. Wentholt: „Denk aan een kind veel onderbreken als die iets vertelt, emoties van het kind invullen, ongevraagde adviezen geven. Wat we vaak hoorden: ouders die hun puber vertelden dat ze zich beter zouden voelen, als ze wat vroeger op zouden staan. Hoe goed bedoeld ook, zoiets kan juist ondermijnend zijn voor het kind; depressie hangt vaak samen met slecht slapen en moeilijk opstaan.”
Dat die mindere rapportcijfers het gevolg zijn van een donkere bril waarmee sombere kinderen de wereld om hun heen kunnen bekijken, weerspreekt Wentholt. „Wij vonden – op basis van alle bekende meetresultaten uit de litteratuur – dat hun waarnemingen juist wat realistischer waren dan die van de gezonde jongeren. Die bekeken hun ouders eerder wat overpositief – met een roze bril. Hoe dat komt hebben we niet onderzocht, maar ik vermoed dat de veilige basis die die kinderen hebben in het gezin, een rol speelt: ouders hoeven niet perfect te zijn, goed is goed genoeg.”
De belangrijkste conclusie uit het proefschrift: „Ouderschap doet ertoe!”, zegt Wentholt. „Het betekent dat je als ouder ook een beschermende rol kunt spelen in de ontwikkeling van een depressie. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat gepest worden op school een belangrijke risicofactor is voor een depressie. Maar als je ouders je thuis zien en steunen, kan dat het risico op een depressie op latere leeftijd verkleinen. Het perspectief van de jongere moet wat mij betreft centraal staan, dat geeft de beste effecten op hun stemming”, zegt ze.
„Als ik een advies mag geven: warmte en steun zijn heel belangrijk. Verplaats je in de beleving van het kind. Wees nieuwsgierig naar hoe het kind zich voelt. Dat betekent niet dat je heel beschermend moet zijn, of geen grenzen kan stellen, dat is juist superbelangrijk in opvoeden: ‘Zeg sorry, als je iets fout doet; houd rekening met je broers en zussen.’ En leef gewenst gedrag vooral voor: ga een kind niet pushen om te gaan sporten, terwijl je zelf op de bank hangt.”
Wat zijn de oorzaken van depressie? „Het is een samenspel van nature en nurture. Een kind heeft meer risico op depressie als zijn ouders daar last van hebben gehad. Dat hoeft niet zozeer in de genen te zitten. Je krijgt meer van je moeder mee dan alleen haar genen. Bijvoorbeeld als zij veel stress heeft om elke maand de eindjes aan elkaar te knopen.
„Ik haal graag de Amerikaanse antropoloog Mary Catherine Bateson aan: ‘The pathology is not in the child, the mother or the father, but it is in the system.’ Problemen zitten niet in één persoon, maar in de dynamiek. Als er iets met het kind aan de hand is, heeft dat invloed op de ouders, en vice versa.”
Wentholt doet nu onderzoek naar het welzijn van de ouders van jongeren met een depressie. Hun kinderen gaan vaak niet meer naar school, wonen nog thuis en zijn daardoor voortdurend in interactie met hun ouders. „Ouders voelen zich machteloos, of schuldig, en weten niet goed meer wat ze het beste kunnen doen voor hun kind”, vertelt Wentholt.
„Overbescherming wordt vaak genoemd, moeders proberen het kind van alles uit handen te nemen, en geven ook aan: ‘Is dat wel goed voor hun veerkracht?’. We horen van ouders ook dat zij zich niet altijd even goed betrokken voelen bij de therapie van hun kind door de ggz. Of dat daadwerkelijk zo is, hebben we niet bestudeerd. Op zich begrijp ik heel goed dat de privacy van de jongere wordt gewaarborgd, zeker in geval van een conflictueuze relatie met een van de ouders. Aan de andere kant is depressief gedrag wel vaak gerelateerd aan de gezinsdynamiek, het kan daarom zinvol zijn ouders bij de therapie te betrekken.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin