Home

Tentjes in bosjes en onder fly-overs van het spoor, een parallelle wereld in Amsterdam-Zuidoost: ‘Wij zijn Roma, maar we stelen niet’

Dakloze mensen Het aantal daklozen in Nederland groeit de laatste jaren. En dat is misschien wel het meest zichtbaar in Amsterdam-Zuidoost, waar ruimte is in het vele groen en kampjes ontstaan die je eerder zag in landen met veel armoede. De bewoners, veelal Roma, leven er vaak in familie- of dorpsverband.

De Roma’s uit Roemenië, Petro, zijn dochter Elena en schoonzoon Mireil, in Amsterdam Zuidoost

Geen camping, had de politie gezegd. „Het is hier geen camping.” Nog wat geschrokken van het onverwachte bezoek zojuist, „met twee auto’s waren ze gekomen”, verwelkomt Mireil (22) in zijn tentenkampje in de bosjes naast het fietspad alweer de volgende gast, Milo Pavlovic, hulpverlener voor de Roma-gemeenschap.

„Ze hebben gezegd dat we hier nog maximaal drie dagen mogen blijven”, zegt Mireil in het Roemeens. De jongeman, gekleed in een basketbal-shirt van de Chicago Bulls, steekt een sigaret op. Met grote ogen: „Gaan ze ons oppakken?”

„Heb je je in Nederland geregistreerd?” vraagt Pavlovic. „Wil je in Nederland blijven? Wil je hier werken? Als je je registreert zal de politie je eerder met rust laten.”

„Maar er is nu geen werk voor me”, zegt Mireil. „Ik heb geen diploma. Geen vader en geen moeder. En ik heb geld nodig. Mijn vrouw is ziek en ik heb twee kinderen.” Die zijn nog in Roemenië.

Geritsel in de struiken en daar zijn ook schoonvader Petro (65) en zijn dochter Elena (20). Petro, gestoken in een wit T-shirt vol vlekken, pakt en kust de hand van maatschappelijk werker Pavlovic, die eveneens een Roma-achtergrond heeft. Hij gaat zitten op een krukje, tast in zijn broekzak en legt een handvol kleingeld en een briefje van 5 euro op de campingtafel. Elena – vanwege hun kwetsbaarheid geen achternaam – zet een tas met boodschappen op de grond.

Perfecte plek in het struikgewas

Sinds twee weken is het drietal in Nederland, vertellen ze. Met de auto gekomen; 150 euro betaalden ze aan de chauffeur voor de rit. Eerst sliepen ze in het centrum van Amsterdam, maar van een andere Roma-migrant hoorden ze dat in Zuidoost goede plekken zijn om te wonen en dat de politie je met rust laat. De perfecte stek vonden ze hier in het struikgewas bij metrohalte Venserpolder, onder een lantaarnpaal die naast het fietspad ook ’s avonds hun zithoek en tenten verlicht.

Het Roma-gezin uit Roemenië is op zoek naar een nieuwe stek in de buitenlucht

In vier dagen egaliseerden ze de grond en legden er tapijt dat ze vonden op straat. Ze verzamelden – de buurt ligt er vol mee – matrassen, kapotte bureaustoelen, kastjes en een bankstel. Kochten een gaspit, knoopten een waslijn, en groeven een diep gat dat afgeschermd met zeil dient als toilet. Ze plaatsten drie eenpersoonstentjes op houten pallets naast elkaar en dekten dit alles rondom minutieus af met zeil en aan elkaar geknoopte takjes en twijgjes, zodat je er vanaf het fietspad vrijwel niets van ziet.

„En er is ook nog voetbal!” Petro wijst vanaf zijn krukje naar de sportvelden aan de overkant van de sloot, waar mannen van middelbare leeftijd tegen een bal aan trappen. „We hebben alles hier” zegt Petro, „we voelen ons hier thuis.” Zijn dochter Elena glimlacht verlegen. Petro wijst naar de tas met boodschappen: „Dit hebben wij verdiend met flessen ophalen. Wij zijn Roma, maar we stelen niet”. Hij wijst de lucht in: „De Heer kijkt over onze schouder mee wat we doen. Maar nu moeten we hier weg. Waarheen?”

Op zoek naar statiegeldblikjes

In Amsterdam-Zuidoost ontstaat een parallelle wereld die je eerder vooral zag in het straatbeeld van landen als Roemenië, met veel armoede. De wereld van de Roma, levend in kampen met zo’n acht, negen tentjes in bosjes en onder de fly-overs van het spoor. Ze ontwaken langs voorbijrazende metro’s en staan rond half acht met hun boodschappenkarretjes met lege tienliterflessen in de rij bij het waterkraantje op het plein van de Rosa Parks, een basisschool in Venserpolder. Waarna een groep van zo’n twintig mannen en vrouwen steevast verzamelt op en rond de bankjes op het stationsplein van Bijlmer-Arena. Daar halen sommigen een koffie bij de AH to go, om de werkdag mee te beginnen.

Met diezelfde koffiebeker gaan ze uit bedelen, weet de bedrijfsleider van de winkel die één van haar vaste klanten ’s avonds met een glimlach ook weer begroet bij de metrohalte in Amsterdam-Noord. Of ze gaan rond in de stad met kartonnen bordjes met teksten als ‘Please help me’, zwijgend, omdat ze weten dat aanspreken verboden is. En er zijn nóóit kinderen bij, want in Nederland, weten ze ook, is dat niet toegestaan en en dan krijg je de politie op je dak.  

Anderen struinen de stad af op zoek naar statiegeldblikjes. Op station Bijlmer-Arena is het rond evenementen zoals een wedstrijd van Ajax of een concert van Taylor Swift een goudmijn, genoeg voor iedereen, maar op andere dagen concurreren ze in de slag om de vuilnisbakken met stadgenoten. Zoals met een Syriër die op de fiets met grijper en plastic handschoenen om de zes meter razendsnel elke vuilnisbak doorzoekt, tweemaal per uur. De gemeente had de vuilnisbakken in Zuidoost eerder nog met een koord omspannen, maar nu zijn de meeste proactief al open gezet.

Vijftig Roemenen, deels Roma

In heel Nederland groeit het aantal daklozen de laatste jaren weer, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek waren het er begin 2024 naar schatting 33.000, ongeveer 6.000 mensen meer dan twee jaar daarvoor. En dat is misschien wel het meest zichtbaar in Amsterdam Zuidoost, waar behalve een lucratief stationsgebied ook veel groen is om in te verblijven.

Volgens veldwerkers wonen daar nu sinds twee jaar verspreid over zeker drie kampen zo’n vijftig Roemenen – deels Roma. Ze zijn goed georganiseerd, met provisorisch gebouwde keukens en toiletten en tentjes op pallets gestructureerd naast elkaar. Soms verdwijnt zo’n kamp, na handhaving, waarna elders weer net zo gemakkelijk een nieuwe opduikt. Want er zijn, volgens veldwerkers, weinig bevolkingsgroepen zó gewend te overleven in de openbare ruimte, uit noodzaak, als de Roma.

Als het donker wordt besluit Petro toch alvast op zoek te gaan naar een nieuwe plek. Het drietal loopt – Petro strompelend, vanwege een dikke rode plek in zijn lies – langs de metrobaan, maatschappelijk werker Milo Pavlovic erachteraan. Ze struinen langs de bosjes waar andere Roma wonen, Petro schudt zijn hoofd: „Ik vertrouw ze niet”. Pavlovic knikt. De maatschappelijk werker woont zelf al jaren in Nederland, kent de grilligheid van het Roma-bestaan en weet: een zwakke, oudere man als Petro kan zijn dochter op zo’n plek niet goed beschermen.

Even verderop, onder de geluidswal van het treinspoor, leiden platgetrapte bosjes naar de restanten van eerdere bewoning: matrassen, etensresten, plastic tasjes. „Het is hier veel te donker”, zegt Elena schijnend met het licht van haar telefoon. „Dat voelt niet fijn.” Petro, tuurt naar de flats aan de overkant: „Als wij elke dag in- en uitlopen bellen mensen de politie”.

Het drietal komt uit de stad Dorohoi, gelegen in één van de armste regio’s van Roemenië, waar het loon een stuk lager ligt dan het landelijke netto-gemiddelde van 1.100 euro. Daar had Petro, vertelt hij, een huis van klei. Dat is afgebrand en zijn vrouw is overleden. Hij heeft nóg twee dochters, van 30 en 24 jaar, die zijn achtergebleven om te zorgen voor hun kinderen. Met Elena, zijn jongste dochter, besloot Petro de reis naar Nederland te wagen en schoonzoon Mireil wilde mee. Die woonde in 2022 al even in Duitsland, Gelsenkirchen, en werkte toen in de bouw. „Construction”, zegt Mireil, die vooroverbuigt alsof hij tegels legt. Maar ditmaal zijn de verwachtingen hoger want hij heeft ook zijn nette schoenen mee, en een pak, dat hangt in een beschermhoes aan de boom.

Het leven in Nederland zou beter zijn, had Petro van mensen in Roemenië gehoord. En zelfs zónder werk heeft hij al na twee weken kunnen vaststellen dat het klopt. „In ons eigen land worden we uitgejouwd en geslagen door de politie en we hebben daar geen plek om te slapen.”

Petro, nabij metrostation Venserpolder.

Vrijgevig

In Roemenië, vertelt hij, kun je met statiegeldblikjes verzamelen 200 euro per maand verdienen, in Nederland 500 euro. En de mensen hier zijn aardig! „Gisteren was er een mevrouw die me zomaar eten gaf. Ze was vriendelijk en zei ‘Goeiedag’.” De mensen hier zijn vrijgevig, valt hem op. En zelfs de huisraad en het eten liggen voor het oprapen. Net nog heeft schoonzoon Mireil twee achtergelaten kisten vol (over)rijpe mango’s en bananen aangetroffen op de markt. De jongeman toont ze, trots, en deelt ze uit.

Thuis maken ze dit allemaal niet mee. Daar leeft Petro’s bevolkingsgroep zowat in een eigen samenleving met eigen buurten en eigen scholen. Bijna de helft van alle Roma in Roemenië is werkloos want een baan vinden is er voor álle Roemenen lastig, ook vanwege corruptie. Je krijgt geen baan, luidt het gezegde, je kóópt er één. Maar voor Roma is het nóg moeilijker vanwege uitsluiting en discriminatie. Armoede is er vooral in de grensregio’s met Moldavië en Oekraïne, waar veel fabrieken, de vleesindustrie, de botenbouw, failliet zijn gegaan. Een groot deel van de Roemeense arbeidsmigranten die in Nederland werk zoeken, komt hier vandaan. En ook veel Roma.

”Je kunt je in Nederland registeren via het RNI-loket”, legt Pavlovic het drietal uit. „Dan kun je hier een BSN-nummer aanvragen en voor drie maanden werken. En we kunnen proberen of jullie terecht kunnen in een dak- en thuislozencentrum. Maar jullie moeten ook weten dat er in Amsterdam vaak heel weinig plekken zijn, dus het kan ook zijn dat jullie dan ergens anders in Nederland komen te wonen. Vinden jullie dat erg?”

„Normal, normal”, knikt Petro. Intussen wordt Mireil telkens gebeld door een +40-nummer; zijn vrouw in Roemenië die vraagt wanneer hij weer terugkomt. Zij is inmiddels wel klaar met de hele situatie. Ook Petro is geschrokken van het onverwachte bezoek. Ongerust: „Pakt de politie ons op als ze weer komen? Ze hebben gezegd dat als ze weer komen, ze ons een boete kunnen geven, maar die kunnen we niet betalen. Gaan we dan naar de gevangenis?”

Op andere Roma-tentenkampen in Zuidoost halen ze hun schouders op over bezoek van de politie. „Ze kunnen je niet zomaar wegsturen”, zegt Florentina (21). „De politie moet altijd eerst een brief geven, dat heb ik al geleerd als kind van mijn moeder.” Zelf woont ze met haar vriend ook pas kort bij vrienden op een tentenkamp onder een fly-over, maar ze heeft haar draai al aardig gevonden. Een pakje sigaretten koopt ze voor 3,5 euro bij een „arabic’’ op station Bijlmer-Arena en douchen kan samen voor 10 euro bij een Italiaan thuis in de buurt. Alleen de langslopende kinderen zijn een kwelling. „Die gooien naar ons met tomaten.”

In een ander kamp onder diezelfde fly-over vertelt een man zittend voor zijn tentje al zeven jaar in Nederland te wonen, samen met een deel van de inwoners van zijn dorp dichtbij de grens met Moldavië. Soms woont hij in Roemenië, soms in Parijs, waar hij voor zijn prostaat – hij toont de papieren – naar het ziekenhuis kan. Ook bij hem is de politie net langs geweest om te waarschuwen, zegt hij schoudersophalend. „Ik maak me er niet druk om.”

Petro en Mireil op weg naar een nieuwe plek, waar achter een zeil een kuil is gegraven die dient als toilet.

Aanwijzingen voor uitbuiting in de groep

Een tent opzetten in de openbare ruimte is weliswaar verboden, zegt de gemeente, maar ontruimen is lastig omdat een tent formeel als woning wordt aangemerkt. Bij het constateren ervan zal de handhaver, na een verwijzing naar zorg, de buitenslaper eerst een schriftelijke waarschuwing moeten geven en pas als die niet wordt opgevolgd kan worden overgegaan tot ontruiming. Daar zit een doorlooptijd aan vast van drie tot vier weken. Bovendien heeft burgemeester Femke Halsema – net als haar collega in Utrecht – recent besloten om buiten slapen helemaal niet meer te beboeten, omdat een bekeuring het gedrag niet zou veranderen en de stapeling van schulden het probleem juist zou verergeren.

Er zijn uitzonderingen: bij overlast of zware vervuiling grijpt de gemeente alsnog in, zoals bij kampementjes van dakloze verslaafden. Maar van de tentenkampen in Zuidoost, zeggen veldwerkers, wordt weinig overlast ervaren. De bewoners leven er vaak in familie- of dorpsverband en een deel van het verdiende geld uit bedelen of statiegeld gaat naar achtergebleven familie in Roemenië.

Tegelijk maakt de politie zich zorgen over mogelijke uitbuiting binnen een deel van de groep. De landelijke woordvoering laat weten dat er sinds 2023 aanwijzingen zijn dat sommige Roemeense bedelaars via georganiseerde netwerken naar Nederland worden gebracht. Zij zouden met valse beloften zijn gelokt, maar vervolgens in de bedelarij zijn beland. Deze mensen zouden worden afgezet met busjes en hele dagen op één plek bedelen om vervolgens aan het einde van de dag het geld te moeten inleveren. Maar zulke signalen, zegt de woordvoering, zijn toch zeldzaam en een organisatie is nooit opgerold.

Sommige Roma, vertellen ze zelf, hebben eerder geprobeerd via regulier werk een bestaan op te bouwen in Nederland. Zo werkten Ionut (28), de vriend van Florentina, en de 62-jarige Vasile enige tijd in de vleesindustrie in Roermond en Boxtel. Maar volgens hen hielden uitzendbureaus zoveel geld in voor vervoer en huisvesting dat flessen rapen uiteindelijk meer opleverde.

Van georganiseerde uitbuiting zeggen de Roma zelf weinig te herkennen. Maar dat sommigen kwetsbaar zijn voor misbruik is onmiskenbaar het geval. Dat ziet maatschappelijk werker Pavlovic ook terug bij Mireil. De 22-jarige Roemeen toont verkeersboetes uit Nederland van bijna 800 euro, terwijl hij niet eens een rijbewijs heeft. Volgens hem ontving hij die nadat een tussenpersoon tijdens een mislukte zoektocht naar werk in Duitsland zijn identiteitskaart had ingenomen. Vasile zegt bovendien dat hij als werknemer in de vleesindustrie zijn paspoort pas terugkreeg nadat zijn arbeidscontract was beëindigd. „Ik dacht dat Nederland een net land was, maar die uitzendbureaus hier zijn één grote maffia.”

Het zicht op de groep is beperkt, zeggen veldwerkers. Roma maken vrijwel nooit gebruik van de dak- en thuislozenopvang en melden zich, anders dan veel andere Roemeense arbeidsmigranten, zelden bij het RNI-loket [Registratie Niet-Ingezetenen] op zoek naar werk. De vraag is volgens Pavlovic ook of iedereen hulp wil aanvaarden. „Dan moeten ze om negen uur ’s ochtends op hun werk zijn, huur betalen en belasting afdragen. Dat is een heel ander leven dan ze nu gewend zijn.”

De volgende dag heeft Petro zijn beslissing genomen: hun nieuwe woonplek, ook weer in het struikgewas langs de metrolijn, is niet ideaal, want donker, maar voor nu goed genoeg. Om de politie niet al te wijs te maken vervoeren ze alle spullen in etappes. Hun tentjes staan er al en na een laatste keer uitpuffen op het krukje begint Petro ’s avonds aan de laatste verhuisronde.

Met twee boodschappenkarren vol spullen, een tweepersoonsmatras eroverheen gedrapeerd, vertrekt het drietal ratelend door de Venserpolder, over fietspad en stoep. Bij de aanblik reikt een jongen op fatbike zijn handen naar de hemel en bij het plein van de basisschool wordt Petro kort begroet door andere Roma, wachtend in de rij voor de waterkraan.

Voor het laatste stukje, over het gras, helpt Elena haar vader met de kar. Daarna is het gefikst. Alleen de takjes en twijgjes moeten nog verbonden, zodat je hun nieuwe schuilplaats van de buitenkant straks amper ziet. Op hun oude plek hebben ze flink wat rommel achtergelaten, zoals het bankstel, koffers, een vegertje, oude schoenen, drie pakken Maizena, en drie verregende kartonnen bordjes. Op één ervan: „Please i beg you from the bottom of my heart…”

Mireil verhuist naar een ander tentenkamp in Amsterdam-Zuidoost

Migratie en vluchtelingen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next